Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AR7372

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2004
Datum publicatie
13-12-2004
Zaaknummer
2200261304
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2004:AO8974
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AW6735
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2006:AW6735
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord, waarbij hij zijn zwakbegaafde "vriend" op gruwelijke wijze heeft mishandeld ten gevolge waarvan het slachtoffer buiten bewustzijn is geraakt door fatale bloedingen in de hersen(stam). Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer de noodzakelijke medische hulp onthouden en heeft hij hem welbewust dood laten gaan.

Enkele maanden voor de fatale mishandeling had de verdachte ook al tweemaal het slachtoffer grof mishandeld, waardoor het slachtoffer tot tweemaal toe met hersenletsel gedurende een aantal weken in het ziekenhuis opgenomen moest worden.

De verdachte heeft het geestelijk gehandicapte slachtoffer ook bestolen en zich verder schuldig gemaakt aan schuldhelingen; tenslotte heeft hij een politieagent vals beschuldigd van het uitdrukken van een sigaret in verdachte's hand, waardoor die agent in diens goede naam is aangetast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002613-04

Parketnummer(s): 09-757421-02

Datum uitspraak: 13 december 2004

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 4 mei 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 29 november 2004.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien.

Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

Procesgang

In eerste aanleg is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van het onder 11 tenlastegelegde. De verdachte is van het onder 1 primair impliciet primair, 2 primair en subsidiair, 3, 4, 5 primair, 8 primair en subsidiair en 9 primair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het 1 primair impliciet subsidiair, 5 subsidiair, 6 primair, 7, 9 subsidiair en 10 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen als vermeld in het vonnis.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is blijkens een mededeling door de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep van 27 oktober 2004 niet gericht tegen de in eerste aanleg genomen beslissing ten aanzien van het onder 11 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4, 5 primair en subsidiair, 7, 8 primair en 9 primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet primair,

2 primair, 3, 6 primair, 8 subsidiair, 9 subsidiair en 10 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3

1. Het hof baseert zijn overtuiging dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten op de bewezenverklaarde wijze heeft begaan in het bijzonder op de navolgende overwegingen.

2. De verdachte en het slachtoffer, David [naam], zijn gedurende een aantal maanden in 2002 nauw samen opgetrokken. Deze David heeft vanaf begin februari 2002 een aantal weken met de verdachte in de flat van diens moeder aan de Hoefkade [nummer] in Den Haag gewoond en is daarna samen met hem ingetrokken bij diens toenmalige vriendin Patricia [naam1] in haar woning aan de Tubbergenstraat [nummer] in die stad; beiden zijn kort na haar vertrek naar Curaçao, medio mei 2002, teruggekeerd naar de flat van verdachte's moeder.

David wordt in het dossier, in het bijzonder door het orthopedagogisch behandelingscentrum Groot-Emaus in Ermelo, waar hij vele jaren werd behandeld, omschreven als een op zwakbegaafd niveau functionerende jongen die emotioneel kwetsbaar blijft (rapportage d.d.

1 maart 2001, medisch dossier - hierna te noemen MD -,

p. 152-157).

In de maanden van gezamenlijk optrekken met de verdachte is David een tweetal malen voor langere tijd opgenomen geweest in een ziekenhuis in Den Haag. De eerste opname, in het Leyenburg-ziekenhuis op de afdeling neurologie, vindt plaats op 8 mei 2002, waarbij David bij de anamnese aangeeft in elkaar geslagen te zijn. Na lichamelijk onderzoek (waarbij een verminderd bewustzijn, overal haematomen, volledig opgezwollen gelaat en bloed in de mond, op alle ledematen schaafwonden en brandblaren op de handen worden vastgesteld) worden onder meer de navolgende conclusies geformuleerd: verdenking van recente ernstige mishandeling waardoor schedeltrauma en bloeding onder het spinnenwebvlies van de hersenen is ontstaan, alsook een haematoom van de buikwand met doorbraak in het scrotum (afloopbericht d.d.31 mei 2002, MD p. 1-3); uit een aantekening op p. 9 valt af te leiden dat het geweld de dag voor de opname zou hebben plaatsgevonden. David verlaat op 20 mei 2002 het ziekenhuis, tegen het advies van de behandelend medicus in (MD p. 11).

Twee weken later, op 3 juni 2002, wordt David opnieuw opgenomen, met forse hoofdverwondingen en een hersenkneuzing in het Westeinde-ziekenhuis van het Medisch Centrum Haaglanden. Hij vertelt (in eerste instantie) mishandeld te zijn geweest. Bij onderzoek blijkt van meerdere schaafwonden over het lichaam verspreid en vooral forse haematomen rond de ogen. Sommige daarvan lijken vers, andere zijn van oudere datum. De neuroloog stelt een recidieve hersenkneuzing vast bij vermoedelijke mishandeling. David wordt op 28 juni 2002 "in sterk verbeterde toestand ... naar een beschermde woonvorm" ontslagen (rapportage d.d. 30 augustus 2002, MD p. 112-114). De psychiater die David tijdens dit ziekenhuisverblijf heeft gezien, tekent als anamnese onder meer op: "Hij wil niet praten over zijn verhouding met zijn huisgenoot Johan [de verdachte, hof] ... Johan zegt dat hij niet moet praten over wat er bij hen gebeurt. Dat is privé."

Ook volgens de verdachte (in diens verklaring ter terechtzitting in hoger beroep) heeft David tussen beide ziekenhuisopnames, derhalve van 20 mei tot 3 juni 2002, bij hem in de flat van zijn moeder verbleven. Volgens de verdachte is hij David echter uit het oog verloren, totdat deze - enkele dagen voor 16 augustus 2002 - weer bij hem in zijn moeders flat kwam wonen. Daar is hij op genoemde datum door de moeder van de verdachte levenloos aangetroffen. De conclusie van de patholoog-anatoom na sectie luidt dat bij David "de dood (is) ingetreden door bloeduitstortingen in de hersenen ten gevolge van de inwerking van (aanzienlijk) uitwendig mechanisch stomp en/of botsend geweld op het hoofd".

3. De verdachte heeft steeds ontkend ook maar enig geweld tegen David te hebben gebruikt. Het hof heeft nochtans de overtuiging bekomen dat het de verdachte is geweest die het bij David geconstateerde (hersen)letsel heeft veroorzaakt en baseert die overtuiging op de navolgende overwegingen.

a. Patricia [naam1] (die verstandelijk gehandicapt is) heeft op Curaçao haar moeder verteld over systematisch geweld dat door de verdachte jegens David werd uitgeoefend; haar moeder, mevrouw [naam2], heeft in september 2002 hetgeen zij van haar dochter vernam, aan het papier toevertrouwd (dossier opsporingsonderzoek - hierna aan te duiden als OD - p. 129-133). Patricia zelf is na haar terugkeer in Nederland op 8 oktober 2002 door de orthopedagoge Scharloo in een studio-setting verhoord, van welk verhoor zich een verbatim-verslag (OD p. 194 e.v.) in het dossier bevindt, evenals een verslag van dit verhoor van de hand van drs. Scharloo (OD, p. 208-210), die haar "verhaal (als) consistent en rijk aan details" kwalificeert. "Patricia kan goed aangeven wat wel en niet is gebeurd en toont zich weinig suggestibel." Het verhoor laat geen ruimte voor twijfel dat in de visie van Patricia [naam1], die dat bij de rechter-commissaris bevestigde, de verdachte veelvuldig grof geweld tegen David heeft gebruikt;

b. Kort nadat de verdachte en David uit de Tubbergenstraat waren vertrokken en op de Hoefkade waren teruggekeerd, is Sayanara [naam3] daar ook ingetrokken. Zij heeft, eerst tegenover de politie (verhoor d.d. 23 januari 2003, OD p. 455 e.v., verbatim vanaf p. 467) en nadien bij de rechter-commissaris d.d. 6 januari 2004, verklaard over het grove en systematische geweld dat de verdachte vanaf het moment dat zij daar in huis kwam, jegens David gebruikte.

Het hof is van oordeel dat de verklaringen van de beide getuigen [naam1] en [naam3], die geheel onafhankelijk van elkaar zijn afgelegd en betrekking hebben op verschillende perioden van het samen optrekken van de verdachte en David, in essentie overeenstemmen en dat daardoor de geloofwaardigheid (van de hoofdlijnen) van die verklaringen wordt versterkt. De verklaring van de verdachte - voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep - dat het wellicht de getuige [naam3] zelf is geweest die David zo mishandeld heeft, verwerpt het hof als volstrekt ongefundeerd en ongeloofwaardig;

c. Wanneer David na zijn ontslag uit het Westeinde-ziekenhuis in een woonvoorziening in Leidschendam verblijft, vindt daar op 23 juni 2002 een gesprek plaats waaraan onder meer David en Damiaan [naam4] deelnemen; laatstgenoemde is een vriend uit Groot-Emaus, bij wie David in Den Haag verbleef voordat hij begin februari 2002 bij de verdachte introk. Deze [naam4] heeft op 11 november 2002 tegenover de politie (OD p. 339-344) verklaard dat David hem bij die gelegenheid vertelde dat de verdachte hem in elkaar geslagen had. Die verklaring wordt (onder meer) bevestigd door mevrouw [naam5] van de Stichting Zorgmanagement Haaglanden (OD p. 84-86). Ook de getuige mevrouw [naam6], directeur van deze stichting, verklaarde dat David in gesprekken (met haar) diverse malen had aangegeven "dat [verdachte] hem regelmatig in elkaar sloeg" (OD, p. 88-89).

4. Met betrekking tot het overlijden van David op of kort voor 16 augustus 2002, de dag waarop zijn lichaam werd aangetroffen, stelt het hof vast dat het - afgezien van de bevindingen bij de sectie - vooral de door de getuige [naam3] afgelegde verklaringen zijn die inzicht verschaffen in de gebeurtenissen onmiddellijk voorafgaand aan zijn dood. Het hof heeft hierboven al aangegeven waarom het geloof hecht aan (de hoofdlijnen van) de verklaringen van (onder meer) deze getuige. Uit die verklaringen komt - zakelijk weergegeven en samengevat - naar voren dat de verdachte op 15 augustus 2002 agressief werd toen David maar niet terugkwam van de handelaar in verdovende middelen waar hij naar toe was gestuurd om cocaïne te halen. De verdachte heeft toen gezegd dat hij David een pak slaag ging geven omdat hij te laat was; samen met de getuige ging hij juist de woning uit om David te zoeken, toen deze aan kwam rennen (p. 457).

De getuige heeft toen gezien hoe de verdachte David onder meer schopte en (met de vuist) in het gelaat sloeg. "Frank ... stond gewoon te boksballen met Dave" (p. 498). Dat, reeds op het portiek begonnen, geweld heeft enige tijd geduurd (p. 457). Zij beschrijft vervolgens hoe David zwaar ging ademen, door de verdachte naar bed werd gestuurd en hoe zij later die dag regelmatig zijn toestand controleerde. De verdachte bekommerde zich niet om David, ook niet toen de getuige hem aansprak over het zware ademen van David (p. 503). De getuige heeft David die avond en nacht niet meer bij kennis aangetroffen; rond middernacht trof zij hem levenloos aan. De verdachte zelf heeft bij zijn verhoor op 27 oktober 2002 (OD, p. 234 - 236) verklaard dat hij in de late avond van 15 augustus 2002 David slapend aantrof en hem probeerde te wekken, maar dat dat niet lukte (p. 235). Hij is toen weggegaan ...

5. Met betrekking tot de strafrechtelijke beoordeling van de gedragingen van de verdachte op de dag van, dan wel voorafgaande aan het overlijden van David is het hof van oordeel dat de verdachte door (wederom) op (zeer) gewelddadige wijze op de verdachte in te slaan, welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij David zodanig hersenletsel zou bezorgen dat deze aan de gevolgen daarvan zou overlijden. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat er geen aanwijzingen zijn dat de verdachte zich niet als ieder ander mens bewust is geweest van het gevaar dat in algemene zin uitgaat van grof op het menselijk lichaam uitgeoefend geweld, in het bijzonder wanneer daarbij het hoofd wordt getroffen, maar dat de verdachte tevens kennis droeg a) van de beide opnames van David in het ziekenhuis (ten gevolge van het geweld dat hij, verdachte, op David had uitgeoefend; anders dan de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep stelt gaat het hof er op grond van de anamnese – MD p. 114, zie ook p. 329 – van uit dat de verdachte de “vriend” was die bij de opname in het Medisch Centrum Haaglanden de ambulance heeft gebeld) en de deplorabele toestand waarin David toen verkeerde, alsmede b) van -in ieder geval- het langdurige karakter van de opname in het Leyenburg-ziekenhuis (en daarmee: van de ernst van David's aandoeningen). Aan de strekking van die kennis doet naar 's hofs oordeel niet af dat het door de verdachte uitgeoefende geweld die vorige keren níet tot het overlijden van David heeft geleid.

Het hof constateert bovendien dat uit de verklaringen van de getuige [naam3] volgt dat de verdachte tenminste enige tijd de gelegenheid heeft gehad zich af te vragen, hoe hij op de voormelde verlate terugkeer van David zou reageren en of en in welke mate hij na het uitoefenen van het eerste geweld dat geweld zou voortzetten. Dat de verdachte voornemens was fors geweld te (blijven) gebruiken blijkt uit de verklaring van [naam3], kort gezegd inhoudende dat de verdachte haar had toegevoegd dat zij er beter aan deed zich te verwijderen, omdat zij anders tegen hem kon getuigen. De verdachte heeft vervolgens ná het door hem op David uitgeoefende geweld deze aan zijn lot overgelaten, hoewel hij door de getuige [naam3] op de penibele gezondheidstoestand van David was geattendeerd en hij eenmaal zelf tevergeefs getracht heeft David wakker te krijgen. Het is mede dat laatste aspect (naast de genoemde bedenktijd) dat het hof tot de slotsom brengt dat de verdachte niet alleen David (met voorwaardelijk opzet) van het leven heeft beroofd, maar dat ook met voorbedachten rade als bedoeld in artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht heeft gedaan.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op de misdrijven:

1 primair impliciet primair : moord;

2 primair en 3: zware mishandeling, meermalen gepleegd;

6 primair: diefstal;

8 subsidiair en 9 subsidiair: schuldheling, meermalen gepleegd;

10 : laster, terwijl de laster wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft in dezen geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, vrijspraak van de verdachte terzake van het onder 8 primair en 9 primair tenlastegelegde en veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 primair impliciet primair, 2 primair, 3, 4, 5 primair, 6 subsidiair, 7, 8 subsidiair, 9 subsidiair en 10 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord, waarbij hij zijn zwakbegaafde “vriend” op gruwelijke wijze heeft mishandeld ten gevolge waarvan het slachtoffer buiten bewustzijn is geraakt door fatale bloedingen in de hersen(stam). Vervolgens heeft de verdachte het slachtoffer de noodzakelijke medische hulp onthouden en heeft hij hem welbewust dood laten gaan.

Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan één van de ernstigste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent. Niet alleen heeft de verdachte het slachtoffer het meest fundamentele recht, het recht om te leven, ontnomen, ook wordt de nabestaanden en vrienden van het slachtoffer veel leed aangedaan.

Een delict als het onderhavige draagt een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengt daarnaast angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Enkele maanden voor de fatale mishandeling had de verdachte ook al tweemaal het slachtoffer grof mishandeld, waardoor het slachtoffer tot tweemaal toe met hersenletsel gedurende een aantal weken in het ziekenhuis opgenomen moest worden.

De verdachte heeft het geestelijk gehandicapte slachtoffer ook bestolen en zich verder schuldig gemaakt aan schuldhelingen; tenslotte heeft hij een politieagent vals beschuldigd van het uitdrukken van een sigaret in verdachte’s hand, waardoor die agent in diens goede naam is aangetast.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 25 november 2004, eerder terzake van onder meer medeplegen van poging tot moord tot een lange vrijheidsstraf is veroordeeld, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Ook toen ging het om een (lichamelijk) gehandicapt slachtoffer.

In dat verband acht het hof het tekenend dat de verdachte door zijn voormalige vriendin en door één van zijn tantes wordt gekenschetst als iemand die vooral bedreigend is voor mensen van wie hij in de gaten heeft dat hij zelf de fysiek of mentaal sterkere is.

Het hof heeft voorts bij zijn beoordeling laten meewegen de omstandigheid dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep geen verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen en dat bij hem ieder besef van de verwerpelijkheid van zijn handelen lijkt te ontbreken.

Het hof heeft daarbij acht geslagen op de brieven d.d. 17 en 20 maart 2003 van de Forensisch Psychiatrische Dienst omtrent de rapportage en de brief van de zenuwarts J.J.F.M. de Man, d.d. 13 juni 2003, waaruit blijkt dat de verdachte heeft geweigerd medewerking te verlenen en waarin geadviseerd wordt de verdachte te laten onderzoeken door het Pieter Baan Centrum. Tevens heeft het hof kennisgenomen van de brief van het Pieter Baan Centrum d.d. 11 november 2003, inhoudende dat de verdachte gedurende zijn verblijf zijn medewerking aan het PBC-onderzoek heeft geweigerd, zodat over de persoon van de verdachte nauwelijks informatie is verkregen.

Op grond van het voorgaande acht het hof de kans op recidive zeer groot en dient aan de bescherming van de veiligheid van de samenleving in dit geval zeer zwaar gewicht te worden toegekend.

De bewezenverklaarde feiten en in het bijzonder de afschuwwekkende wijze waarop het slachtoffer om het leven is gebracht, nopen tot oplegging van een zeer langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

Het hof houdt anderzijds rekening met de nog betrekkelijk jeugdige leeftijd van de verdachte.

Alles bijeen acht het hof gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

14. Beslag

Ten aanzien van het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerp, een mobiele telefoon, zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 63, 261, 262, 267, 289, 302, 310 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4, 5 primair en subsidiair, 7, 8 primair en 9 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet primair, 2 primair, 3, 6 primair, 8 subsidiair, 9 subsidiair en 10 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van het op de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen vermelde voorwerp.

Dit arrest is gewezen door mrs. Oosterhof, Aler en Van Dissel, in bijzijn van de griffier Van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 december 2004.