Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AR6058

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-10-2004
Datum publicatie
22-11-2004
Zaaknummer
C02/1542 KA en C03/461 KA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

privatisering openbare bibliotheek, geen recht op VUT

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 1 oktober 2004

Rolnummer: 02/1542 KA en 03/461 KA

Rolnr. rechtbank: 295167/02-13953

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

STICHTING VUT-FONDS OPENBARE BIBLIOTHEKEN,

gevestigd te 's-Gravenhage,

appellante in de zaak met rolnummer 02/1542 KA,

geïntimeerde in de zaak met rolnummer 03/461 KA,

hierna te noemen: VUT-Fonds,

procureur: mr. H.C. Grootveld,

tegen

1. STICHTING OPENBARE BIBLIOTHEEK HAARLEMMERMEER,

gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

2. werknemer,

wonende te H.,

geïntimeerden in de zaak met rolnummer 02/1542 KA,

appellante in de zaak met rolnummer 03/461 KA,

hierna te noemen: Bibliotheek Haarlemmermeer, respectievelijk Werknemer,

procureur: mr. H.J.R. Reinders.

Het geding

in de zaak met rolnummer 02/1542 KA

Bij exploot van 29 november 2002 is VUT-Fonds in hoger beroep gekomen van het tussenvonnis van 7 november 2002, door de rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage, gewezen tussen partijen.

Bij conclusie van eis in hoger beroep (memorie van grieven), tevens incidentele vordering tot voeging, heeft VUT-Fonds één grief tegen het bestreden vonnis van 7 november 2002 aangevoerd.

Bibliotheek Haarlemmermeer en Werknemer hebben een conclusie van antwoord in het voegingsincident genomen.

Bij arrest van 26 september 2003 heeft het hof voeging met de zaak onder rolnummer 03/461 KA bevolen.

Openbare Bibliotheek en Werknemer hebben een memorie van antwoord in het appèl tegen het tussenvonnis d.d. 7 november 2002 genomen.

in de zaak met rolnummer 03/461 KA

Bij exploot van 18 maart 2003 zijn Openbare Bibliotheek en Werknemer in hoger beroep gekomen van het eindvonnis van 19 december 2002, door de rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage, gewezen tussen partijen.

Bij memorie van grieven in het appèl tegen het eindvonnis d.d. 19 december 2002 hebben Bibliotheek Haarlemmermeer en Werknemer twee grieven tegen het eindvonnis van 19 december 2002 aangevoerd.

Bij memorie van antwoord in het appèl tegen het eindvonnis van 19 december 2002 heeft VUT-Fonds de grieven bestreden.

in de zaken met rolnummers 02/1542 KA en 03/461 KA

Tenslotte hebben partijen de processtukken gefourneerd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

in de zaken met rolnummers 02/1542 KA en 03/461 KA

1. Het gaat, kort samengevat, om het volgende. Werknemer, geboren op 10 mei 1939, is in 1975 in dienst gekomen bij de openbare bibliotheek in Haarlemmermeer. In 1979 ging de openbare bibliotheek over naar de gemeente Haarlemmermeer en werden alle medewerkers, inclusief Werknemer, deelnemer in de pensioenregeling en de VUT-regeling zoals die destijds en nadien door het ABP werden uitgevoerd. Per 1 april 1995 werd de openbare bibliotheek verzelfstandigd en traden de medewerkers van de openbare bibliotheek, inclusief Werknemer, in dienst van Openbare Bibliotheek, een in juridische zin van de gemeente Haarlemmermeer onafhankelijke stichting. Openbare Bibliotheek is voor de uitvoering van op haar rustende VUT-verplichtingen jegens het personeel aangesloten bij VUT-Fonds. Werknemer is per 1 juli 2001 vervroegd uitgetreden. Werknemer en Openbare Bibliotheek hebben een verklaring voor recht gevorderd dat Werknemer jegens VUT-Fonds aanspraak heeft op VUT-uitkeringen. Verder hebben zij enige overige vorderingen ingesteld. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 7 november 2002 de gevorderde verklaring voor recht toegewezen. Hiertegen is VUT-Fonds in hoger beroep gekomen. De rechtbank heeft bij vonnis van 19 december 2002 de overige vorderingen afgewezen. Hiertegen zijn Werknemer en Openbare Bibliotheek in hoger beroep gekomen.

2. De grief van VUT-Fonds is gericht tegen de bij tussenvonnis van 7 november 2002 gegeven beslissing tot toewijzing van de gevorderde verklaring voor recht en tegen de aan die beslissing ten grondslag liggende motivering. Het hof overweegt omtrent deze grief het volgende.

3. VUT-Fonds is ingevolge artikel 14 van de Collectieve Arbeidsovereenkomst inzake Vrijwillig vervroegd uittreden medewerkers openbare bibliotheken, verder te noemen de CAO, belast met de uitvoering van de in die CAO opgenomen regeling inzake VUT voor medewerkers van openbare bibliotheken. Volgens artikel 1 onder c van de CAO worden onder werkgever slechts verstaan privaatrechtelijke instellingen. Volgens artikel 1 sub d wordt als werknemer verstaan degene die een arbeidsovereenkomst heeft aangegaan met een werkgever. Dit betekent dat de CAO vóór 1 april 1995 niet op Werknemer en Openbare Bibliotheek van toepassing was.

4. Volgens artikel 4 lid 3 van de CAO dient de werknemer om voor een VUT-uitkering in aanmerking te komen, 55 jaar of ouder te zijn en direct voorafgaand aan de datum van ontslag een ononderbroken diensttijd te hebben gehad vanaf zijn 51-jarige leeftijd (de "10-dienstjaren-eis"). Volgens artikel 1 onder k van de CAO wordt onder diensttijd verstaan de tijd doorgebracht als werknemer in dienst van een of meer instellingen die onder de werkingssfeer van deze CAO vallen. Dit betekent dat de tijd vóór 1 april 1995 niet valt onder diensttijd. Werknemer voldoet dan ook niet aan de voorwaarden als geformuleerd in artikel 4 lid 3 van de CAO.

5. In artikel 4 lid 1 van de CAO staat dat op de hierna in dit artikel genoemde voorwaarden de ex-werknemer die is geboren vóór het jaar 1940 of die vóór het jaar 2001 een dienstverband heeft van veertig jaren en aan wie op diens verzoek ontslag is verleend, recht heeft op een VUT-uitkering. In artikel 4 lid 4 van de CAO staat dat voor het vaststellen van het aantal jaren van het dienstverband, zoals bedoeld in lid 1, die jaren in aanmerking worden genomen waarin een dienstverband bestond met een openbare bibliotheek of een andere onder de werkingssfeer van de CAO vallende instelling, een wetenschappelijke of speciale bibliotheek in de zin van de wet of een overheidsbibliotheek die niet beantwoordt aan een der voorgaande omschrijvingen. Blijkens de tekst van artikel 4 lid 4 heeft deze bepaling alleen betrekking op artikel 4 lid 1 en niet op artikel 4 lid 3 van de CAO. Een soortgelijke bepaling als artikel 4 lid 4 is met betrekking tot artikel 4 lid 3 in de CAO niet te vinden. Ook de rest van tekst van de CAO of van de statuten van VUT-Fonds biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat het beginsel van artikel 4 lid 4 van de CAO op de uitleg van artikel 4 lid 3 van de CAO van toepassing zou zijn. Het hof acht daarbij mede van belang dat artikel 4 lid 1 van de CAO niet over "diensttijd" doch over "jaren van het dienstverband" spreekt. Voor de uitleg van artikel 4 lid 3 van de CAO telt de tijd vóór 1 april 1995 dan ook niet mee. Nu de tekst van artikel 4 duidelijk is, valt niet in te zien waarom redelijkheid en billijkheid tot een ander resultaat zouden moeten leiden. Dit betekent dat Werknemer volgens de CAO niet voor een VUT-uitkering in aanmerking komt.

6. Openbare Bibliotheek en Werknemer hebben erop gewezen dat in een bij een op 24 december 1995 door een onderhandelingsdelegatie van de gemeente en Openbare Bibliotheek getekend protocol inzake verzelfstandiging van de Openbare Bibliotheek Haarlemmermeer behorende bijlage, in punt 2 staat vermeld, dat overleg tussen pensioenfonds en ABP gaande is, dat voor de werknemers van 50 t/m 58 jaar door de gemeente onderhandelingen worden gevoerd met VUT-Fonds en dat deze de intentie heeft uitgesproken deze groep medewerkers in de VUT-regeling mee te nemen. Hieromtrent overweegt het hof het volgende.

7. Vast staat dat ABP en VUT-Fonds geen overeenstemming hebben bereikt over het onderbrengen van de groep waartoe Werknemer behoort, in VUT-Fonds. Volgens de door VUT-Fonds als productie 2 bij memorie van antwoord in eerste aanleg overgelegde brief van 24 februari 1995 aan de gemeente heeft ABP bij (niet overgelegde) brief van 31 januari 1995 aan VUT-Fonds bericht dat men niet bereid is tot overdracht van (een evenredig deel van) de door ABP beheerde VUT gelden. Wat hiervan zij, Werknemer en Openbare Bibliotheek hebben geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou volgen dat het aan VUT-Fonds te wijten is, dat zij haar intentie om de werknemers van 50 t/m 58 jaar in haar VUT-regeling mee te nemen, niet heeft kunnen waarmaken. Niet kan dan ook worden gezegd dat VUT-Fonds door het uitspreken van deze intentie bij Werknemer of bij Openbare bibliotheek het vertrouwen heeft gewekt dat Werknemer daadwerkelijk in de VUT-regeling van VUT-Fonds wordt opgenomen.

8. ABP heeft na privatisering de VUT-verplichtingen op zich genomen voor medewerkers die geboren zijn vóór 1 januari 1937. VUT-Fonds heeft gesteld dat zij tegenover dit gebaar van ABP, geheel onverplicht en voor eigen rekening, eveneens een gebaar heeft gesteld, hierin bestaande dat VUT-Fonds de VUT-verplichtingen overneemt jegens diegenen die zijn geboren in 1937. Werknemer en Openbare Bibliotheek hebben geen feiten of omstandigheden gesteld waaruit zou volgen dat dit gebaar van VUT-Fonds niet onverplicht zou zijn, dan wel dat dit slechts een "loos gebaar" zou zijn. Uit het feit dat VUT-Fonds onverplicht een gebaar maakt jegens degenen die in 1937 zijn geboren, volgt niet dat zij verplicht is eenzelfde gebaar te maken jegens degenen die in 1938 of 1939 zijn geboren.

9. In de nota voor Burgemeester en Wethouders van 15 november 1994 wordt aanbevolen geen nadere garanties te geven over VUT-voorziening omdat de VUT voor ambtenaren ter discussie staat en de verwachting gerechtvaardigd is dat het Bedrijfspensioenfonds Bibliotheekpersoneel (hof: bedoeld zal zijn VUT-Fonds) de diensttijd bij de openbare bibliotheek in gemeentedienst doorgebracht zal meetellen voor de "10-dienstjareneis". Niet is gesteld of gebleken waar deze verwachting op is gebaseerd. Verder is niet gesteld of gebleken dat VUT-Fonds deze nota ooit heeft ondersteund.

10. Uit de overgelegde brieven van de gemeente van 8 februari 1995 blijkt dat de gemeente zich ervan bewust was dat voor een aantal medewerk(st)ers van 50 jaar en ouder, die eerst uitzicht hadden op een VUT-uitkering, niet meer of pas later zouden voldoen aan de "10-dienstjareneis". De gemeente heeft een dringend beroep gedaan op VUT-Fonds om de diensttijd die de betreffende personeelsleden bij de gemeentelijke bibliotheek hebben doorgebracht, mee te tellen bij de beoordeling van de dienstjareneis. Bij brief van 24 februari 1995 heeft VUT-Fonds laten weten, behalve voor degenen die in 1937 geboren zijn, hiertoe niet in staat te zijn.

11. Uit de overgelegde stukken en correspondentie blijkt niet dat VUT-Fonds ooit aan Werknemer of Openbare Bibliotheek het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat Werknemer daadwerkelijk in aanmerking zou komen voor een VUT-uitkering. Nu Werknemer op grond van de CAO geen recht heeft op een VUT-uitkering en VUT-Fonds nooit het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat Werknemer in aanmerking zou komen voor een VUT-uitkering, is de grief gegrond.

12. Openbare Bibliotheek en Werknemer hebben voorts gewezen op de hardheidsclausule in de CAO. Zij zijn van mening dat VUT-Fonds langs die weg een VUT-uitkering aan Werknemer had moeten toekennen zonder daarvoor een inkoopsom te verlangen. Het hof verwerpt dit standpunt om de navolgende redenen. VUT-Fonds had part noch deel aan de (aanleiding voor) de privatisering van de openbare bibliotheek. De uit de CAO voortvloeiende VUT-verplichtingen worden gefinancierd door middel van een zgn. omslagstelsel. Om te voorkomen dat uitkeringen moeten worden toegekend zonder dat daarvoor een redelijke tijd is bijgedragen, is de "10-dienstjareneis" als voorwaarde voor het verkrijgen van een uitkering in de CAO opgenomen. Het mag algemeen bekend worden verondersteld dat in VUT-regelingen een "10-dienstjareneis" als de onderhavige pleegt voor te komen. Bij de privatisering van de openbare bibliotheek was dat derhalve iets waarmee door de betrokken belanghebbenden - waaronder ook Openbare Bibliotheek en Werknemer - rekening had moeten worden gehouden. Het afzien van (een deel van) de "10-dienstjareneis" zou tot gevolg hebben dat VUT-Fonds q.q. de bij haar aangesloten werkgevers/werknemers een hogere uitkeringslast zouden moeten opbrengen dan bij het afsluiten van de CAO was (te) voorzien. Zowel ABP als VUT-Fonds heeft een gebaar gemaakt, waardoor de meest schrijnende gevallen - voor rekening van die instellingen c.q. de aan die instellingen gezamenlijk bijdragende werkgevers/werknemers - alsnog voor een VUT-uitkering in aanmerking konden komen. Gesteld noch gebleken is dat VUT-Fonds - in het licht van het voorgaande bezien - een onevenredig hoge inkoopsom heeft verlangd. Een en ander brengt - in onderlinge samenhang bezien - mee dat niet gezegd kan worden dat VUT-Fonds in redelijkheid niet tot het besluit om de door haar vastgestelde inkoopsom te verlangen had kunnen komen. Het beroep op de hardheidsclausule stuit daarop af.

13. Hetgeen hiervoor sub 12 is overwogen, leidt voorts tot het oordeel dat niet gezegd kan worden dat het beroep van VUT-Fonds op de in de CAO opgenomen "10-dienstjareneis" naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voorzover Openbare Bibliotheek en Werknemer hun vorderingen op die grondslag hebben willen baseren, gaat deze derhalve evenmin op.

14. Hetgeen hiervoor sub 12 is overwogen, leidt voorts tot het oordeel dat geen sprake is van ongerechtvaardigde verrijking aan de zijde van VUT-Fonds, zodat ook die grondslag niet opgaat.

in de zaak met rolnummer 02/1542 KA

15. Uit het bovenstaande volgt dat de vorderingen van Werknemer en Openbare Bibliotheek niet toewijsbaar zijn. Het hof zal het vonnis van 7 november 2002 vernietigen. Het hof zal de vorderingen van Werknemer en Openbare Bibliotheek afwijzen en Werknemer en Openbare Bibliotheek in de proceskosten in beide instanties veroordelen.

in de zaak met rolnummer 03/461 KA

16. De beide grieven van Werknemer en Openbare Bibliotheek in haar hoger beroep tegen het vonnis van 19 december 2002 gaan ervan uit dat VUT-Fonds verplicht is aan Werknemer VUT-uitkeringen te betalen. Nu uit het bovenstaande volgt dat dit uitgangspunt onjuist is, falen de beide grieven. Het hof zal het hoger beroep van Werknemer en Openbare Bibliotheek tegen het vonnis van 19 december 2002 verwerpen. Het hof zal het vonnis van 19 december 2002 vernietigen voorzover daarbij een compensatie van kosten is uitgesproken. Het hof zal Werknemer en Openbare bibliotheek veroordelen in de proceskosten in eerste aanleg na het tussenvonnis van 7 november 2002 en in de proceskosten in hoger beroep.

De beslissing

Het hof:

in de zaak met rolnummer 03/461 KA

verwerpt het hoger beroep van Werknemer en Openbare Bibliotheek tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton, locatie 's-Gravenhage van 19 december 2002;

vernietigt het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 19 december 2002 voorzover daarbij de proceskosten in eerste aanleg zijn gecompenseerd;

veroordeelt Werknemer en Openbare Bibliotheek in de proceskosten in eerste aanleg die gemaakt zijn na het tussenvonnis van 7 november 2002, aan de zijde van VUT-Fonds tot aan deze uitspraak begroot op € 195,- aan salaris van de procureur;

veroordeelt Werknemer en Openbare Bibliotheken in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van VUT-Fonds begroot op € 976,-, waarvan € 205,- aan verschotten en € 771,- aan salaris van de procureur;

in de zaak met rolnummer 02/1542 KA

vernietigt het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton, locatie

s-Gravenhage van 7 november 2002;

wijst de vorderingen van Werknemer en Openbare Bibliotheek af;

veroordeelt Werknemer en Openbare Bibliotheek in de proceskosten in beide instanties, tot aan 7 november 2002 in eerste aanleg aan de zijde van VUT-Fonds begroot op € 973,-, waarvan € 193,- aan verschotten en € 780,- aan salaris van de procureur, en tot aan deze uitspraak in hoger beroep aan de zijde van VUT-Fonds begroot op € 1.034,56, waarvan € 263,56 aan verschotten en € 771,- aan salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Wild, Schuering en Van Coeverden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 oktober 2004 in aanwezigheid van de griffier.