Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AR4381

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-10-2004
Datum publicatie
29-10-2004
Zaaknummer
4-R-04
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behoefteberekning vrouw. Het hof geeft aan met welke posten rekening wordt gehouden. Het hof houdt geen rekening met de inkomsten uit vermogen, die de vrouw mogelijk in de toekomst zal kunnen genieten, nu de boedelscheiding nog niet heeft plaatsgevonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 20 oktober 2004

Rekestnummer : 4-R-04

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 03-125

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. T.G. Brown-Knip,

tegen

[benadeelde partij],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. A.J.G. Jukema.

PROCESVERLOOP

De man is op 6 januari 2004 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Rotterdam van 7 oktober 2003.

De vrouw heeft op 23 februari 2004 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 23 januari 2004, 24 februari 2004 en 8 juli 2004 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 7 juli 2004 aanvullende stukken ingekomen.

Op 16 juli 2004 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. C.W.F. Jansen, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. C. van Meines.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen, met elkaar gehuwd op [datum], de echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking is onder meer de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, bepaald op € 1.500,- per maand. Voorts is onder meer de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie ten behoeve van de op [geboortedatum] uit het huwelijk van partijen [geboren] minderjarige [kind 1], hierna te noemen: [kind 1], en de op [geboortedatum] uit het huwelijk van partije[kind 2]boren minderjarige [kind 2], hierna te noemen: [kind 2], met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, bepaald op € 318,- per maand per kind.

De wijziging die genoemde bijdragen ingevolge de wettelijk vastgestelde indexering over 2004 kan of zal ondergaan is geheel uitgesloten en verstaan is dat die bijdragen overigens jaarlijks met ingang van 1 januari aan indexering onderhevig zijn.

De echtscheidingsbeschikking is op 27 januari 2004 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de vrouw met betrekking tot de partneralimentatie af te wijzen dan wel een zodanig lagere partneralimentatie dan € 1.500,- per maand vast te stellen als het hof vermeent te behoren. Voorts verzoekt de man de door hem aan de vrouw te betalen alimentatie ten behoeve van [kind 1] te bepalen op € 318,- per maand en ten behoeve van [kind 2] op € 200,- per maand. De vrouw bestrijdt zijn beroep.

2. Ter zitting van het hof heeft de man zijn vijfde grief, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte de bijdrage ten behoeve van [kind 2] op hetzelfde bedrag heeft gesteld als de bijdrage ten behoeve van [kind 1] (€ 318,- per maand), ingetrokken. Om die reden behoeft deze grief geen bespreking meer en is de mededeling van de man ter zitting, dat hij abusievelijk in zijn petitum heeft verzocht om de bijdrage ten behoeve van [kind 2] te bepalen op € 200,- per maand in plaats van op € 250,-, niet meer van belang.

3. De man betwist de behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage niet, doch meent dat deze ten onrechte door de rechtbank is vastgesteld op € 3.000,- per maand. Hij voert daartoe aan dat partijen een gezamenlijk vermogen hebben van omstreeks € 1.800.000,-, zodat de vrouw uit de helft van dat vermogen een forfaitair rendement kan genereren van € 36.000,- per jaar. Daarnaast heeft de vrouw volgens de man een liquide vermogen van omstreeks € 113.000,-, zodat daaruit een forfaitair rendement van € 4.500,- per jaar kan worden behaald. De man meent dat een bijdrage ten behoeve van de vrouw niet langer noodzakelijk is indien uitgegaan wordt van haar eigen netto maandinkomen (circa € 1.500,-) en haar inkomsten uit vermogen. Indien het hof het vermogen van de vrouw buiten beschouwing laat meent de man dat de behoefte van de vrouw niet meer kan belopen dan het bruto equivalent van € 400,- per maand. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

4. Bij brief van 23 februari 2004 heeft de man een overzicht overgelegd omtrent de jaarlijkse gezinsuitgaven ten tijde van de samenleving van partijen (in het jaar 2002), welk overzicht het hof aannemelijk voorkomt. Het hof gaat er derhalve vanuit dat de uitgaven ten tijde van de samenleving van partijen circa ƒ 6.153,34 (€ 2.792,-) per maand bedroegen en dat het inkomen van de man circa ƒ 6.910,- (€ 3.135,62) per maand bedroeg. De vrouw daarentegen heeft terzake haar behoefte een begroting opgesteld (overgelegd als bijlage IV bij brief van 12 september 2003, gericht aan de rechtbank), waarin zij haar totale behoefte stelt op € 3.630,- netto per maand. Omdat de man meent dat de behoefte van de vrouw nimmer meer kan bedragen dan de gezinsuitgaven van destijds, betwist hij impliciet de behoefteberekening van de vrouw. Enerzijds uitgaande van de inkomsten van de man en het uitgavenpatroon van partijen ten tijde van de samenleving en anderzijds rekening houdend met de elementen van de begroting van de vrouw terzake haar behoefte, stelt het hof de maandelijkse behoefte van de vrouw in redelijkheid als volgts vast: woonlasten € 1.000,-, verzekeringen € 35,-, overige kosten auto € 155,-, ziektekosten € 45,-, huishouding € 750,-, vakantie, hobby’s en daarmee samenhangende uitgaven € 250,-, verzorging van huisdieren € 100,- en diversen € 100,-. Het hof acht het derhalve redelijk om de totale behoefte van de vrouw, gelet op het vorenstaande, te bepalen op € 2.435,- netto per maand. Ter zitting van het hof heeft de man erkend dat de vrouw thans een W.W.-uitkering ontvangt van € 800,- netto per maand, naar het hof aanneemt exclusief vakantietoeslag. Zulks brengt met zich dat de behoefte van de vrouw, na aftrek van haar inkomen, is te stellen op € 1.595,- netto per maand, met als gevolg dat de door vrouw verzochte en door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 1.500,- bruto per maand de behoefte van de vrouw niet overstijgt. Omdat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap nog niet heeft plaatsgevonden, niet bekend is wat de exacte omvang van het totale huidige vermogen van partijen is en er op dit moment geen duidelijkheid bestaat op welke wijze er tussen hen verdeeld gaat worden, houdt het hof in redelijkheid thans geen rekening met de inkomsten die de vrouw volgens de man te zijner tijd uit het vermogen kan genereren. Bovendien heeft de man zijn stelling, dat de vrouw een liquide vermogen heeft van € 113.000,-, niet aannemelijk gemaakt.

5. Nu de vrouw een bijdrage van € 1.500,- per maand heeft verzocht en vast is komen te staan dat de man, gelet op de door hem bij brief van 7 juli 2004 overgelegde draagkrachberekening, een dergelijke bijdrage kan voldoen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen, bekrachtigen. Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht ten aanzien van de draagkracht van de man behoeft naar het oordeel van het hof geen bespreking, omdat dat niet tot een ander oordeel kan leiden.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zo-ver thans nog aan het oordeel van het hof onderwor-pen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Pannekoek-Dubios en Labohm, bijge-staan door Suderée als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 20 oktober 2004.