Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AR4377

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-10-2004
Datum publicatie
25-10-2004
Zaaknummer
2200372403
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is gedurende langere tijd in georganiseerd verband en op grote schaal betrokken geweest bij mensensmokkel, en heeft aldus het vreemdelingenbeleid van de Nederlandse overheid in aanmerkelijke mate ondermijnd.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat -in geval van Opaal, zaaksdossier 08- de behandeling van de gesmokkelde personen als mensonwaardig moet worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200372403

parketnummer 1015001802

datum uitspraak 21 oktober 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken[verdachte]RREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 27 juni 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 29 maart 2004, 8 april 2004, 16 september 2004, 27 september 2004, 4 oktober 2004 en 7 oktober 2004.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering aangepast, vermeld staat.

Van de vordering aanpassing tenlastelegging is een kopie in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is terzake van het onder 1 (Jade-dossier) en onder 4 (Opaal, zaaksdossier 10), voor wat betreft de periode 1997-1998, de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, is de verdachte terzake van het onder 2 (Opaal, zaaksdossier 01) en onder 4 (Opaal, zaaksdossier 10), voor wat betreft de periode 1999-2000, tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 3 (Opaal, zaaksdossier 08) en onder 4 (Opaal, zaaksdossier 10), voor wat betreft de periode 2001-2002, tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede tot het betalen van een geldboete van ? 12.000,-, subsidiair honderd dagen hechtenis, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ing[getuige2]enstaande verzoeken

A. met betrekking tot het v[getuige 7] als getuigen te (doen) horen

Het hof ziet af van oproeping ter zitting van deze getuigen alsmede van verhoor door de rechter-commissaris, omdat redelijkerwijs niet valt aan te nemen dat daardoor de verdachte in haar verdediging wordt geschaad. Het hof is met name van oordeel dat hetgeen deze getuigen zouden kunnen verklaren -naast hetgeen met betrekking tot de door de verdediging aangegeven vraagpunten bij de behandeling van de zaak naar voren is gekomen- redelijkerwijs niet van belang geacht kan worden voor enige in deze te nemen beslissing.

B. met betrekking tot het verzoek [getuige 2] als getuige te (doen) horen geldt naast het onder A. overwogene nog het volgende

Daarbij komt dat met het punt: al dan niet doorlating geen verdedigingsbelang kan zijn gemoeid omdat daaraan voor de verdachte redelijkerwijs geen verweer te ontlenen valt.

C. met betrekking tot het verzoek [getuige 7] als getuige te (doen) horen geldt naast het onder A. overwogene nog het volgende

Daarbij komt dat het gestelde verdedigingsbelang voornamelijk op speculatie zijdens de verdediging lijkt te berusten.

D. met betrekking tot het verzoek de tolken 30 en 35 als getuigen te (doen) horen

Het hof ziet af van oproeping ter zitting van deze getuigen alsmede van verhoor door de rechter-commissaris, omdat redelijkerwijs niet valt aan te nemen dat daardoor de verdachte in zijn verdediging wordt geschaad. Het hof zal stemherkenning door tolken niet als bewijsmiddel gebruiken.

E. met betrekking tot het verzoek [getuigen 8 tot en met 14] als getuigen te (doen) horen

Het hof ziet af van oproeping ter zitting van deze getuigen alsmede van verhoor door de rechter-commissaris, omdat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte daardoor niet in haar verdediging wordt geschaad. Deze getuigen zijn immers in een eerder stadium reeds door de rechter-commissaris gehoord, waarbij de verdediging de gelegenheid heeft gehad om vragen te stellen. Feiten of omstandigheden die niettemin zouden moeten leiden tot een hernieuwd verhoor door de rechter-commissaris dan wel ter zitting zijn onvoldoende aannemelijk geworden.

F. met betrekking tot het verzoek [getuigen 15 tot en met 17] als getuigen te (doen) horen

Het hof ziet af van oproeping ter zitting van deze getuigen alsmede van verhoor door de rechter-commissaris, omdat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte daardoor niet in haar verdediging wordt geschaad, zulks met name gelet op de met betrekking tot de feiten 1 en 4 (voorzover betreffend de periode 1997-1998) te nemen beslissing.

G. met betrekking tot het verzoek [getuige 18] als getuige te (doen) horen

Het hof ziet af van oproeping ter zitting van deze getuige, alsmede van verhoor door de rechter-commissaris, omdat redelijkerwijs niet valt aan te nemen dat daardoor de verdachte in haar verdediging wordt geschaad, gelet op de met betrekking tot het onder 2 (Opaal, zaaksdossier 01) en 4 (Opaal, zaaksdossier 10), voor wat betreft de periode 1999-2000, tenlastegelegde te nemen beslissing.

H. met betrekking tot het verzoek tot toevoeging van stukken aan het dossier

Het hof wijst af de verzoeken van de verdediging tot het bijvoegen van stukken waarop nog niet is beslist. Het hof is van oordeel dat redelijkerwijs niet valt aan te nemen dat de verdachte daardoor in haar verdediging wordt geschaad.

Het hof let hierbij enerzijds op de -naar 's hofs oordeel- minder concrete wijze waarop aan het gestelde verdedigingsbelang dat met deze verzoeken gemoeid zou zijn invulling is gegeven, en anderzijds op hetgeen met betrekking tot de door de verdediging aangeduide vraag- c.q. ophelderingspunten reeds bij de behandeling van de zaak naar voren is gekomen.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 27 september 2004 gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in zijn vervolging dient te worden verklaard, op gronden zoals weergegeven in de aan het zittingsproces-verbaal gehechte pleitnota.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

Uitgangspunt bij de beantwoording van de vraag naar de al dan niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging dient te zijn: of er sprake is van een ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan haar recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan.

Het hof is met name op grond van het navolgende van oordeel dat een dergelijke situatie zich hier niet voordoet.

De processtukken -in ieder geval zoals die met de behandeling van de zaak in hoger beroep gestalte hebben gekregen- zijn voldoende compleet om, samen met hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gekomen, op basis daarvan de vereiste beslissingen te kunnen nemen.

Enige intentie van het openbaar ministerie om aan de rechter en/of de verdediging de inhoud van relevante stukken te onthouden noch grove onachtzaamheid op dit stuk is aannemelijk geworden. Evenmin is aannemelijk geworden dat voor de verdachte ontlastend materiaal niet aan het dossier is toegevoegd. Ook met betrekking tot de vraag of de rechter-commissaris op het punt van toepassing van dwangmiddelen misleid is geworden moet het hof constateren dat zulks geenszins aannemelijk is geworden. Ook overigens heeft het hof geen onregelmatigheden kunnen vaststellen met betrekking tot de totstandkoming van met name de tapmachtigingen.

Voor wat betreft de gestelde onrechtmatigheid rond de ZOA-bestanden: wat in het onderzoek naar voren is gekomen over verwerving en behandeling van gegevens door het ZOA kan niet leiden tot de conclusie dat hier sprake is van onrechtmatigheid. Voorzover hierover anders geoordeeld zou moeten worden heeft te gelden dat het in dat geval niet de verdachte is die is getroffen in enig rechtens te respecteren belang.

Hetgeen voorts is gesteld met betrekking tot de redelijke termijn ziet eraan voorbij dat de verdachte eerst 28 mei 2002 is aangehouden en aldus op de hoogte van de onderhavige strafzaak is gekomen.

Indien over de bovengenoemde punten, althans een of meer daarvan, anders geoordeeld zou moeten worden heeft naar 's hofs oordeel te gelden dat zulks dan nog niet een zodanig ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde oplevert dat daarop slechts met de ultieme sanctie van niet-ontvankelijkheid gereageerd zou moeten worden.

Voor wat betreft de feiten 1 en 4 (dit laatste voorzover betreffend de periode 1997-1998) waarin de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard overweegt het hof voorts het volgende.

In beginsel staat het vrij aan het openbaar ministerie om te bepalen op welk moment in een bepaalde zaak tot vervolging zal worden overgegaan.

Het enkele feit dat een vervolging niet met voortvarendheid ter hand is genomen zal in beginsel niet mogen leiden tot niet-ontvankelijk verklaring, ook niet als het gevolg daarvan zou kunnen zijn dat legitieme vragen van de verdediging door tijdverloop niet meer volledig beantwoord kunnen worden. Indien in casu de officier van justitie minder gelukkig zou zijn opgetreden door eerst in een laat stadium tot dagvaarding in de Jade-zaak over te gaan is niet-ontvankelijkheid een niet-passende, immers te zware, sanctie.

Voorts merkt het hof op dat niet valt in te zien dat de verdachte aan de dagvaarding voor de zitting van 5 september 2002 het gerechtvaardigd vertouwen mocht ontlenen dat zij voor de Jade-zaak niet (meer) vervolgd zou worden.

Het hof acht het openbaar ministerie dan ook met betrekking tot de gehele tenlastelegging ontvankelijk in zijn vervolging. Nu de rechtbank inzake de feiten 1 en 4 (deels) de hoofdzaak niet heeft beslist en onderzoek daarvan het gevolg moet zijn van 's hofs beslissing zal het hof de zaak in zoverre en tot dat doel verwijzen naar de rechtbank te Rotterdam.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 (Opaal, zaaksdossier 01) en 4 (Opaal, zaaksdossier 10), voor wat betreft de periode 1999-2000, is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 (Opaal, zaaksdossier 08) en 4 (Opaal, zaaksdossier 10), voor wat betreft de periode 2001-2002, tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsvrouw heeft, op gronden als genoemd in de pleitnota, gesteld dat -kort gezegd- gehele althans gedeeltelijke bewijsuitsluiting dient plaats te vinden.

Gelet op de hierna te nemen beslissingen ten aanzien van de feiten 1 en 4 (dit laatste voorzover betreffend de periode 1997-1998) zal het hof het genoemde verweer passeren.

Datzelfde geldt voor die door de raadsvrouw genoemde delen van de processtukken die het hof niet tot het bewijs laat meewerken.

Met betrekking tot de gestelde onrechtmatigheid rond de ZOA-bestanden verwijst het hof naar hetgeen hierboven onder 'ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in zijn vervolging' op dit punt is overwogen. Voorzover echter geoordeeld zou moeten worden dat zich ten aanzien van deze bestanden enige onrechtmatigheid als door de raadsvrouw gesteld voordoet heeft te gelden dat het niet de verdachte is die daardoor in enig rechtens te respecteren belang is getroffen. Bovendien vallen de tapgesprekken niet te beschouwen als uitsluitend resultaat van het gebruik maken van deze bestanden. Voor bewijsuitsluiting is derhalve geen grond.

Voor wat betreft de telefoongesprekken die het hof tot bewijs bezigt, geldt dat niet is gebleken dat dit dwangmiddel zonder voldoende grond is toegepast. Voorts laat het hof slechts tapgesprekken tot het bewijs meewerken indien op grond van de inhoud van andere bewijsmiddelen de identiteit van ten minste één der deelnemers aan dat gesprek vaststaat, en voorts de inhoud van het betreffende gesprek uit een oogpunt van beantwoording van de bewijsvraag voldoende steun vindt in de inhoud van andere bewijsmiddelen, zodat ervan kan worden uitgegaan dat de als bewijsmiddel te bezigen vertaling in ieder geval de essentie van de inhoud van dat gesprek weergeeft. Voorts zijn deze tapgesprekken op regelmatige wijze afgeluisterd. Evenmin is er naar 's hofs oordeel voldoende reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van dit bewijsmateriaal.

Tenslotte is geenszins aannemelijk geworden dat technische storingen de betrouwbaarheid van de als bewijsmiddel gebezigde tapgesprekken in negatieve zin zouden hebben beïnvloed.

Ook ten aanzien van de overige gebezigde bewijsmiddelen valt geen onrechtmatigheid te bespeuren. Met name doet zich niet de situatie voor dat een gebezigd bewijsmiddel moet worden beschouwd als uitsluitend het resultaat van enig onrechtmatig optreden.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:

Een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland terwijl hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal mr Knobbout heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat het openbaar ministerie met betrekking tot de gehele tenlastelegging ontvankelijk in de vervolging zal worden verklaard en de zaak met betrekking tot het onder 1 (Jade) en 4 (Opaal, zaaksdossier 10), voor wat betreft de periode 1997-1998, tenlastegelegde zal worden verwezen naar de rechtbank te Rotterdam teneinde de zaak met inachtneming van 's hofs arrest te berechten en af te doen. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 2 (Opaal, zaaksdossier 01), 3 (Opaal, zaaksdossier 08) en 4 (Opaal, zaaksdossier 10), voor wat betreft de perioden 1999-2000 en 2001-2002, tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede tot het betalen van een geldboete van ? 70.000,-, subsidiair vierhonderdtachtig dagen hechtenis, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis van eerste aanleg.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte is gedurende langere tijd in georganiseerd verband en op grote schaal betrokken geweest bij mensensmokkel, en heeft aldus het vreemdelingenbeleid van de Nederlandse overheid in aanmerkelijke mate ondermijnd. Voorts neemt het hof in aanmerking dat -in geval van Opaal, zaaksdossier 08- de behandeling van de gesmokkelde personen als mensonwaardig moet worden beschouwd.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen (lijst van inbeslaggenomen voorwerpen onder nummer H.04.01.04.001, H.04.03.01, H.04.06.02.003, H.01.02.01, H.01.03.01, H.01.03.01.002, H.01.04.02, H.01.04.03, H.01.04.06, H.02.02.01.001, H.04.01.03.002, H.04.02.01.001, H.04.02.01.002, H.04.04.04, H.04.04.04.001, H.04.04.05, H.04.04.05.001, H.04.05.01, H.04.06.02.004, H.04.06.02.005, H.06.02.02, H.06.02.03, P.05.01.02, W.01.02 en het geld, Nederlands, waarde 1779,21 euro) zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 57, 140 (oud) en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie met betrekking tot de gehele tenlastelegging ontvankelijk in zijn vervolging van de verdachte.

Verwijst de zaak met betrekking tot het onder 1 (Jade) en 4 (Opaal, zaaksdossier 10), voor wat betreft de periode 1997-1998, tenlastegelegde naar de rechtbank te Rotterdam teneinde de zaak met inachtneming van 's hofs arrest te berechten en af te doen.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 (Opaal, zaaksdossier 01) en 4 (Opaal, zaaksdossier 10), voor wat betreft de periode 1999-2000, tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 3 (Opaal, zaaks-dossier 08) en 4 (Opaal, zaaksdossier 10), voor wat betreft de periode 2001-2002, tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezen-verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

DRIE JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan de verdachte van:

- H.04.01.04.001: medicijnen/pillen;

- H.04.03.01: vermoedelijk XTC-pillen;

- H.04.06.02.003: pillen;

- H.01.02.01: briefjes/papiertjes;

- H.01.03.01: pasfoto's en telefoonklapper;

- H.01.03.01.002: paspoort [nummer], tnv [verdachte];

- H.01.04.02: rekeningen;

- H.01.04.03: fototoestel met filmrolletje;

- H.01.04.06: telefoonkaart zonder SIMkaart;

- H.02.02.01.001: 9 pagina's voetbalgoklijsten (inhoud zwarte

Delsey tas);

- H.04.01.03.002: handgeschreven kladjes met tel.nrs.;

- H.04.02.01.001: handgeschreven briefjes met tel.nrs. en

Adressen;

- H.04.02.01.002: RABObankpas tnv [verdachte], rek.nr.:

[nummer];

- H.04.04.04: Hi prepaidpakket, kwitantie liefdadigheid;

- H.04.04.04.001: APS fotorolletje;

- H.04.04.05: Inhoud 3e lade: gebruiksaanwijzing

klokradio. Achterkant staan handgeschreven telefoonnummers;

- H.04.04.05.001: telefoonklapper;

- H.04.05.01: adresboekje, met telefoonnummers. Briefje

met telefoonnummers;

- H.04.06.02.004: handgeschreven tel.nrs., o.a. in China;

- H.04.06.02.005: Douglas card;

- H.06.02.02: acgiro Eneco energie, met adres [naam]

- H.06.02.03: notitieboekje met telefoonnummers en

Chinese tekens;

- P.05.01.02: briefje met telefoonnummers;

- W.01.02: Avis huurcontract 07-09/08/2000 Ford Fiesta

[nummer];

- geld, Nederlands, waarde 1779,21 euro.

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte op en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling.

Dit arrest is gewezen door mrs Wurzer, De Groot en Flint-Van Noort, in bijzijn van de griffiers mrs Prinsen en Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 21 oktober 2004.