Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AR3657

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-10-2004
Datum publicatie
08-11-2004
Zaaknummer
016-H-04
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2009:BI9288, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2009:BI9288
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bepaling behoefte en daarbij te stelen eisen aan degene die vanwege die behoefte alimentatie vraagt. Beoordeling van de vraag of van de vrouw in redelijkheid kan worden verlangd in eigen levensonderhoud te voorzien. Vaststelling inkomen alimentatieplichtige. Benoeming raadsheer-commisaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2005, 4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 13 oktober 2004

Rekestnummer : 016-H-04

Rekestnr. rechtbank : 00.7752

GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

appellante,

wonende te Wassenaar,

verzoekster, tevens inciden-teel verweer-ster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. L.M. Bruins,

tegen

geïntimeerde,

wonende te Wassenaar,

verweerder, tevens inciden-teel verzoe-ker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

PROCESVERLOOP

De vrouw is op maandag 5 januari 2004 in hoger beroep gekomen van de beschik-kingen van 3 december 2001 en van 3 oktober 2003 van de rechtbank te ’s-Gravenhage.

De man heeft op 23 maart 2004 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend.

De vrouw heeft op 17 mei 2004 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 9 september 2004 aanvullende stukken ingekomen.

Op 17 september 2004 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur en de man, bijgestaan door mr. L.J.H. Gijbels, advocaat te Rotterdam.

Op 22 september 2004 zijn, volgens afspraak ter zitting, zijdens de vrouw nog aanvullende stukken bij het hof ingekomen.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

De vrouw en de man zijn op 28 september 1979, onder huwelijkse voorwaarden houdende uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen, met elkaar gehuwd. In 1982 is hun zoon geboren, die nog studeert .

Partijen zijn feitelijk gescheiden gaan leven in 1999.

Op 7 december 2000 heeft de man bij de rechtbank te ‘s-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding ingediend. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank terzake van het echtscheidingsverzoek. Voorts heeft de vrouw zelfstandig verzocht te bepalen dat de man ten behoeve van haar een alimentatie dient te betalen van ƒ 25.000,-

(€ 11.344,51) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De man heeft zich hiertegen verweerd.

Bij de bestreden beschikking van 3 december 2001 heeft de rechtbank tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken. De behandeling voor wat betreft de alimentatie voor de vrouw is pro forma aangehouden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen gezamenlijk een makelaar in te schakelen, dan wel ieder voor zich een makelaar te verzoeken de woning A. te Wassenaar te taxeren en nadere financiële gegevens van de nieuwe partner van de man over te leggen.

Bij beschikking van 25 april 2002 heeft de voorlopige voorzieningenrechter onder meer een voorlopige alimentatie ten behoeve van de vrouw bepaald op € 4.651,25 per maand.

Bij beschikking van 16 april 2003 van het hof is onder meer de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen dat deel van de tussenbeschikking van 3 december 2001 van de rechtbank, dat betrekking heeft op de door de rechtbank te nemen beslissing inzake de door de vrouw verzochte alimentatie.

Bij de bestreden beschikking van 3 oktober 2003 heeft de rechtbank verder - uitvoerbaar bij voorraad - ten laste van de man de alimentatie voor de vrouw bepaald op € 6.500,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

De echtscheidingsbeschikking is op 1 augustus 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

Ten aanzien van de man

De man is geboren in 1954 en woont samen met een partner en haar drie minderjarige kinderen uit een door echtscheiding ontbonden huwelijk.

De man is na anderhalf jaar werkloos te zijn geweest met ingang van 1 april 2003 in loondienst getreden als directeur van X. BV. Voorwaarde voor indiensttreding was dat de man een pakket certificaten van aandelen van deze BV. zou verwerven. In verband met deze transactie, waarmee een bedrag gemoeid was van

€ 129.375,- was het saldo van zijn bankrekening, per 30 mei 2003 € 238.244,46 negatief.

Volgens de Jaaropgave 2003 heeft de man in dat jaar een bruto jaarsalaris van € 126.731,- verdiend. De ontvangen vergoeding van de premie ziektekostenverzekering bedroeg

€ 998,-. Voorts ontving de man een onkostenvergoeding van €180,- per maand, vergoeding van telefoonkosten, een lease-auto en een vergoeding van zijn pensioenpremie, die blijkens een specificatie van 6 januari 2004 €19.977,50 bruto bedroeg.

De man is per 30 april 2004 ontslagen. De man heeft bij gelegenheid van zijn ontslag een gouden handdruk ontvangen van € 216.350,- bruto, ter compensatie van gederfd inkomen over een jaar. Deze gouden handdruk is gestort op een bankrekening van Y. BV.

Bij gelegenheid van eerdere ontslagen had de man ook reeds gouden handdrukken ontvangen, die rechtstreeks door de werkgever gestort zijn op een bankrekening van Y. BV. De man heeft bij Y. BV. gelden geleend.

De man ontvangt € 1.604,- aan huur voor een woning te Rotterdam. De lasten bedragen maandelijks € 374,-, naast de maandelijkse rente hypothecaire lening van € 450,-.

De man heeft met ingang van 1 oktober 2004 de volgende maandlasten:

€ 3.943,00 woonlasten, bestaande uit € 3.848,- rente hypothecaire geldlening, en € 95,- woonlasten-forfait. Het huurwaarde- of eigenwoning forfait bedraagt

€ 7.800,-per jaar;

€ 571,00 premie ziektekostenverzekering, voor de man, zijn partner en haar drie kinderen;

€ 1.040,00 maandgeld, ziektekostenverzekering en collegegeld voor der partijen zoon.

Ten aanzien van de vrouw

De vrouw is geboren in 1951.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. In geschil is de behoefte van de vrouw aan alimentatie en de draagkracht van de man.

2. De vrouw verzoekt de beschikking van 3 december 2001, voor wat betreft de alimentatie voor de vrouw en de beschikking van 4 oktober 2003, te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man aan de vrouw ten behoeve van haar een alimentatie betaalt van € 12.500,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een door het hof te bepalen bedrag. Het hof leest in het appèlschrift van de vrouw dat zij haar eis terzake van de alimentatie heeft verhoogd.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt incidenteel het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een alimentatie voor haar van € 12.500,- per maand af te wijzen, althans af te wijzen voor zover dit verzoek een bedrag van € 2.450,- per maand te boven gaat, althans de alimentatie op een zodanig bedrag vast te stellen als het hof vermeent te behoren. De vrouw verzet zich daartegen.

BEHOEFTE VAN DE VROUW

1. In grief 1 van het incidentele appèl heeft de man gesteld dat de rechtbank in haar beschikking van 3 december 2001 ten onrechte heeft overwogen dat de door de vrouw aanvankelijk gevraagde bijdragen in haar levensonderhoud van € 11.344,51 niet buitensporig is.

2. De vrouw heeft in haar appèlschrift haar eis vermeerderd en wel in die zin dat de alimentatie te haren behoeve gesteld dient te worden op € 12.500,00 per maand.

3. De man stelt dat voor de bepaling van de behoefte van partijen uitgegaan dient te worden van de levensstandaard van partijen toen zij nog een gezamenlijke huishouding voerden te weten tot 31 december 1999. De man heeft gesteld dat het jaarlijks bruto gezinsinkomen

€ 113.445,05 bedroeg. Voorts heeft de man gesteld dat de jaarlijkse netto gezinsuitgaven

€ 45.378,02 waren, exclusief woonlasten.

4. In de brief van de raadsvrouwe van de man van 21 augustus 2001 gericht aan de rechtbank, becijfert de man de kosten van levensonderhoud (exclusief wonen) op € 1.701,67 (netto).

5. De vrouw verwijst voor haar behoefte naar de brief van haar raadsvrouwe van 14 juni 2001 gericht aan de rechtbank. In deze brief met bijlagen verwijst zij naar de uitgaven die zij in 2000 heeft gedaan. In haar pleitaantekeningen van 18 juni 2001 stelt zij, dat in haar behoefte- berekening nog geen rekening was gehouden met woonlasten, kleding, vakanties, ziektekosten en een pensioenvoorziening. Zij stelt voorts dat het een en ander dient te resulteren in een bruto alimentatie van € 11.344,51 welke behoefte de vrouw thans heeft verhoogd tot € 12.500,00 per maand. In haar appèlschrift onder punt 5 stelt de vrouw dat zij haar standpunt inzake haar behoefte handhaaft en voor zoveel nodig verzoekt de vrouw haar behoefte vast te stellen op € 12.500,00. De vrouw geeft in haar appèlschrift geen verdere onderbouwing van haar behoefte. In het verweerschrift op het incidentele appèl heeft de vrouw evenmin een nadere onderbouwing gegeven van haar behoefte van € 12.500,00 per maand. In punt 26 van haar pleitaantekeningen stelt zij – zonder daaraan een deugdelijke onderbouwing ten grondslag te leggen – voor haar vaste lasten een alimentatie nodig te hebben tussen de € 90.000,00 en € 120.000,00 bruto per jaar. Voorts stelt de vrouw - zonder verdere onderbouwing - nog geld nodig te hebben voor eten, drinken, ontspanning en sport. Vervolgens concludeert de vrouw dat haar behoefte vaststaat op € 12.050,00 per maand.

6. Bij de vaststelling van de aan de welstand gerelateerde behoefte houdt het hof rekening met alle feiten en omstandigheden van het geval. Dit betekent dat het hof zowel in aanmerking zal nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in diezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken. De behoefte zal daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

7. Het hof acht het in het onderhavige geval redelijk om voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw uit te gaan van de gezinsinkomsten ten tijde van de feitelijke samenleving. Voorts brengt de redelijkheid met zich dat bij de vaststelling van de behoefte in beginsel geen rekening wordt gehouden met incidentele inkomsten zoals een gouden handdruk. Onder meer zijn in het geding gebracht de aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting van de man over de jaren 1997, 1998 en 1999. Uit de aangifte IB 1997 volgt dat de man een belastbaar inkomen had van € 58.944,26. Uit de aangifte IB 1998 volgt dat de man een belastbaar inkomen had van € 80.904,93. Uit de aangifte IB 1999 volgt dat het belastbaar inkomen van de man was € 20.536,28. Uit de aanslag IB 1997 volgt dat het belastbaar inkomen van de man is vastgesteld op € 58.949,23. Uit de aanslag IB 1998 volgt dat het belastbaar inkomen van de man is vastgesteld op € 80.904,93. Uit de aanslag IB 1999 volgt dat het belastbaar inkomen van de man is vastgesteld op € 20.536,28. Voorts volgt uit de aanslag vermogensbelasting 2000 van de man dat zijn vermogen op fiscale grondslag is vastgesteld op € 427.914,74 negatief.

8. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof niet aannemelijk gemaakt dan de man nog andere inkomsten heeft genoten dan opgegeven in zijn aangiften IB.

9. Gezien de hiervoor genoemde fiscale gegevens acht het hof de stelling van de man aannemelijk dat de netto bestedingen van partijen - exclusief wonen - per jaar € 45.378,02 bedroegen.

10. In het incidentele verweerschrift wordt onder punt 2 door de vrouw erkend dat er tussen partijen afspraken zijn gemaakt over de door de man aan de vrouw te betalen kosten van levensonderhoud. Deze kosten hebben partijen begroot op € 1.815,12 per maand exclusief wonen en exclusief bijzondere uitgaven. In voornoemd bedrag was eveneens een bedrag opgenomen voor de zoon van partijen.

11. Door de vrouw is geen begroting in het geding gebracht aan de hand waarvan zij op een inzichtelijke wijze een onderbouwing geeft voor haar toekomstige kosten van levensonderhoud. Het uitgaven-overzicht van 1 mei 2000 tot 1 juni 2001 geeft naar het oordeel van het hof geen inzicht in de behoefte van de vrouw. In haar appèlschrift, incidenteel verweerschrift en pleitaantekeningen heeft de vrouw evenmin een deugdelijke onderbouwing gegeven voor haar behoefte. Een goede procesorde brengt naar het oordeel van het hof met zich mede dat van de vrouw mag worden verlangd – mede bezien de door haar gestelde behoefte van € 12.500,00 per maand – dat zij een gedegen en onderbouwde begroting had opgesteld van haar behoefte. De vrouw geeft naar het oordeel van het hof onvoldoende inzicht in de werkelijk door haar te maken kosten van levensonderhoud. De vrouw stelt slechts dat buiten haar uitgaven zoals vermeld in de bijlage bij haar brief van 14 juni 2001 nog rekening moet worden gehouden met kleding, vakanties, ziektekosten en een reservering voor een pensioenvoorziening.

12. De man is onder meer in zijn brief van 21 augustus 2001 gericht aan de rechtbank in punt 4 zeer gedetailleerd in gegaan op de behoefte van de vrouw. De man begroot de behoefte van de vrouw op € 1.676,27 (ƒ 3.750,00) netto, exclusief wonen.

13. Uit de pleitaantekeningen van de vrouw volgt dat zij inmiddels een woonhuis heeft aangekocht en dat de hypothecaire geldlening bedraagt € 375.000,00 tegen een rente van 3% ‘s jaars. Het vorenstaande resulteert in een rente van € 11.250,00 per jaar of wel € 938,00 per maand. De vrouw stelt dat haar rentelasten € 12.736,00 per maand bedragen. Gezien het hiervoor vermelde rentepercentage acht het hof de door de vrouw gestelde maandelijkse hypotheeklasten ad € 12.736,00 onbegrijpelijk. De overige maandelijkse woonlasten heeft de vrouw begroot op € 124,00 wegens premie levensverzekering, en € 33,00 wegens bijdrage vereniging van eigenaren. Voorts heeft de vrouw gesteld dat zij tijdelijk een vakantiewoning huurt voor € 850,00 per maand. Het hof acht het redelijk om met de overige maandelijkse woonlasten van de vrouw rekening te houden zoals hiervoor vermeld. Het hof kan het exacte bedrag van de woonlasten niet vaststellen aangezien partijen het hof onvoldoende informatie hebben verstrekt over de mogelijke fiscale gevolgen. Partijen dienen zich uit te laten over de vraag of het bedrag aan woonlasten dient te worden gebruteerd en zo ja met welk bedrag.

14. De vrouw heeft gesteld dat een pensioenvoorziening € 26.335,00 of € 14.043,00 per jaar kost. De man heeft de noodzaak van deze kosten bestreden. Uit de gewisselde stukken is het hof gebleken dat partijen gedurende het huwelijk nagenoeg geen pensioenrechten hebben opgebouwd. Het hof is van oordeel dat nu partijen in het verleden nagenoeg niets hebben gedaan aan enige pensioenopbouw het onder die omstandigheden niet redelijk is dat de vrouw nu ineens een zeer aanzienlijke post als pensioenpremie opvoert. Het hof is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden een pensioenpremie niet tot de behoefte van de vrouw dient te worden gerekend, voorzover deze ten laste zou dienen te komen van de man.

15. Het hof acht het redelijk om rekening te houden met de post premie overlijdensrisico- verzekeringen die de vrouw inmiddels op het leven van de man heeft afgesloten en welk bedrag bedraagt € 226,00 per maand. Partijen dienen zich uit te laten of voormeld bedrag in fiscale zin gebruteerd dient te worden.

16. Voorts acht het hof het redelijk om met de post ziektekostenverzekering van € 156,00 per maand rekening te houden. Partijen dienen zich uit te laten of vermeld bedrag in fiscale zin gebruteerd dient te worden.

17. Gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, rekening houdend met het gezinsinkomen tijdens de samenleving van partijen, rekening houdend met de door de man gestelde netto jaarlijkse bestedingen van € 44.700,72 - exclusief de kosten van wonen -, rekening houdend met de door de man gegeven begroting terzake van de behoefte van de vrouw, begroot het hof de behoefte van de vrouw in redelijkheid op € 1.676.23 per maand wegens kosten van levensonderhoud exclusief de hier na te noemen bedragen: ziektekosten € 156,00, overlijdensrisico-verzekeringen € € 226,00, woonkosten € 1.190,00. Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen dienen partijen zich nader uit te laten over de fiscale gevolgen en wel in die zin aan welk bruto bedrag de vrouw behoefte heeft.

18. In grief 3 van het incidentele appèl heeft de man gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat thans niet van de vrouw kan worden verwacht dat zij deels in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw stelt dat zij vanaf 1993 niet meer aan het arbeidsproces heeft deelgenomen en dat zij door ernstige ziektes sinds 1995 niet meer in staat is om te werken. Voorts stelt de vrouw – zonder enige nadere motivering – dat ook overigens thans niet van haar mag worden verwacht dat zij zich een baan verwerft. Het hof is van oordeel dat van de alimentatiegerechtigde in redelijkheid kan worden verlangd dat zij een deugdelijke onderbouwing geeft waarom zij niet, althans niet gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De man heeft in punt 43 van zijn incidentele appèl gesteld dat de vrouw een HBS-B opleiding heeft en dat zij de school voor toeristische vorming heeft gedaan. Verder heeft de man aangevoerd dat de vrouw tot 1993 administratief werk heeft gedaan. Voorts heeft de man aangevoerd dat de vrouw geen zorgtaken meer heeft voor hun zoon. Tot slot heeft de man gesteld dat partijen al 4 jaar uit elkaar zijn en de vrouw wel van hem verlangt dat hij een volledige baan heeft en dat er geen reden is waarom hij dit niet van de vrouw kan verlangen. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw niet door middel van een deugdelijke medische verklaring aannemelijk gemaakt dat zij niet in staat is om te werken. De vrouw heeft niet weersproken dat zij een gedegen opleiding heeft genoten alsmede het feit dat zij tot 1993 werkzaamheden heeft verricht. De vrouw heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zij niet een baan heeft kunnen vinden. Uit hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen is het hof van oordeel dat van de vrouw in redelijkheid had mogen worden verlangd dat zij evenals de man een volledige baan heeft aangezien er naar het oordeel van het hof geen rechtens relevante gronden aanwezig zijn waarom de vrouw niet, althans niet gedeeltelijk in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Rekening houdend met een periode waarin de vrouw weer haar werkzaamheden opstart, rekent het hof aan haar een verdiencapaciteit toe van het minimumloon.

FINANCIELE GEGEVENS

19. De man en de vrouw hebben beiden een grief gericht tegen de overweging van de rechtbank in de beschikking van 3 oktober 2003 dat voor het salaris van de man uitgegaan wordt van het inkomen dat hij in 2001 bij zijn voormalige werkgever verdiende.

20. Naar het oordeel van het hof brengt de aard van het onderhavige geschil met zich dat de rechter met de meest recente gegevens rekening dient te houden. Tegen deze achtergrond bezien is het hof met partijen van oordeel dat voor de vaststelling van de draagkracht van de man uitgegaan dient te worden van de meest recente financiële gegevens. Deze grieven van partijen zijn terecht aangevoerd.

OMVANG INKOMEN

21. In de tweede grief heeft de vrouw gesteld, dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de huurinkomsten van de man. In de derde grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte aan Y. BV.. geen enkele waarde heeft toegekend. In de vierde grief heeft de vrouw gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de afkoopsom van de voorlaatste werkgever van de man ten bedrage van € 226.890,00. In grief 5 heeft de vrouw gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met gewijzigde aanvullende vermogensbestanddelen. In grief 4 van het incidentele appèl heeft de man gesteld, dat de rechtbank ten onrechte het redelijk acht om bij de bepaling van de draagkracht van de man uit te gaan van een fictief rendement van 4% over diverse bestanddelen die geen inkomsten genereren.

22. Het hof is van oordeel dat bij de vaststelling van het inkomen van de alimentatieplichtige in beginsel uitgegaan dient te worden van het inkomen dat de alimentatieplichtige feitelijk geniet. Het hof acht het bij de vaststelling van de draagkracht van de alimentatieplichtige in beginsel onjuist om voor wat betreft de inkomsten uit vermogen uit te gaan van de fictie zoals vastgelegd in artikel 5.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001. Wanneer van een fictief rendement wordt uitgegaan kan dit onder omstandigheden met zich brengen dat de alimentatieplichtige op zijn vermogen dient in te teren, zoals in het geval dat het vermogen waarop de rendementsgrondslag wordt gebaseerd geen rendement oplevert of het vermogen in waarde vermindert (negatief rendement). De hiervoor genoemde fiscale grondslag voor de berekening van de draagkracht acht het hof in beginsel onjuist. Voorts is het hof van oordeel dat slechts onder bijzondere omstandigheden van de alimentatieplichtige kan worden verlangd, dat hij op zijn vermogen ten behoeve van de alimentatiegerechtigde inteert. Deze omstandigheden kunnen onder meer zijn: de duur van het huwelijk, de mate waarop de alimentatiegerechtigde als gevolg van het huwelijk in haar carrière-mogelijkheden is geschaad, de omstandigheid dat de alimentatiegerechtigde nog zorgtaken heeft voor uit het huwelijk geboren minderjarige kinderen, de omvang van het vermogen, of vermogensbestanddelen op een relatief eenvoudige wijze zijn te liquideren zonder een noemenswaardig vermogensverlies, de omvang van het vermogen van de alimentatiegerechtigde en of zij op haar vermogen kan interen, de wijze waarop mogelijk de alimentatieplichtige op zijn vermogen inteert.

23. Van het in overweging 22 aangegeven uitgangspunt dat het feitelijke inkomen (mede) bepalend is dient te worden afgeweken indien aannemelijk is dat de alimentatieplichtige zijn inkomen bewust direkt of indirect beïnvloedt of heeft beïnvloed om aldus zijn draagkracht te verminderen. In het onderhavige geschil is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de man een onjuiste voorstelling geeft van zijn financiële gegevens en/of dat hij zijn inkomen in negatieve zin beïnvloedt of heeft beïnvloed ten nadele van de alimentatiegerechtigde.

24. Partijen zijn onder het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Uit de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden volgt dat partijen zijn gehuwd met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen zonder enig verrekenbeding. Bij het beoordelen en vaststellen van de gevolgen daarvan zal het hof onderscheid maken tussen vermogen en inkomen.

25. In het kader van de beëindigingen van een aantal arbeidsovereenkomsten heeft de man een aantal gouden handdrukken gekregen. Het hof acht het aannemelijk dat de bedragen:

€ 207.150,66 ( Z) € 226.890,00 (V) zijn gestort op een rekening van Y. BV.. Onweersproken is gesteld dat de aandelen in deze vennootschap worden gehouden door de man. Het hof is van oordeel dat in vermogensrechtelijke zin de waarde van de aandelen uitsluitend aan de man toekomt en de vrouw daar geen aanspraak op heeft. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw geen relevante feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan zij aanspraak kan maken op: de hiervoor genoemde onroerende zaken die als belegging worden aangehouden, de aandelen in Y. BV., de gelden die door de man zijn of waren belegd bij een andere bank, de aandelen in X. BV., de onroerende zaken A. en B. te Wassenaar of de opbrengst daarvan. Naar het oordeel van het hof is voor de berekening van de draagkracht van de man relevant het inkomen dat hij feitelijk geniet uit arbeid, vermogen en aanmerkelijk belang. Voorts is het hof van oordeel dat bij de vaststelling van het rendement rekening dient te worden gehouden met de kosten die in redelijkheid moeten worden gemaakt om de inkomstenbron in stand te houden alsmede met mogelijke belastingverplichtingen.

26. Waardevermeerdering van vermogensbestanddelen die in eigendom toebehoren of toebehoorden aan de man komen uitsluitend aan hem toe. Waardevermeerdering van activa kan winst uit onderneming opleveren, indien het actief behoort tot het ondernemingsvermogen. Uit de toelichting die de vrouw op grief 2 heeft gegeven, volgt dat de huuropbrengsten van de onroerende zaken te Rotterdam en te Ridderkerk aangemerkt dienen te worden als inkomsten uit vermogen en niet als de exploitatie van een onderneming. De door de man gerealiseerde meerwaarde van de onroerende zaak te Ridderkerk van € 82.164,00 dient naar het oordeel van het hof in het onderhavige geval niet aangemerkt te worden als inkomen, doch als bronvermogen dat in beginsel de basis vormt voor het genereren van inkomen.

WONING A TE WASSENAAR.

27. In grief 5 van het incidentele appèl stelt de man dat de rechtbank ten onrechte de financieringslasten van de door de man bewoonde woning, in combinatie met het toegerekende fictief rendement over de waarde van dit pand, voorzover meer waard dan

€ 771.426,36 (ƒ1.700.000,00), halveert. Door partijen is geen grief gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de man in een huis mag wonen van € 771.426,36

(ƒ 1.700.000). Voor de woonlasten van de man dient uitgegaan te worden van de lasten die bij een huis behoren van € 771.426,36. Onweersproken is gesteld dat de woning in 1992 door de man is aangekocht voor ƒ 2.200.000,00 (€ 998.316.47). Onweersproken is voorts gesteld dat de waarde van de hiervoor genoemde onroerende zaak aanzienlijk is gestegen. Het hof heeft hiervoor reeds overwogen dat waardestijging geen inkomen is. Voorts heeft het hof hiervoor geoordeeld dat bij de berekening van de draagkracht van de man uitgegaan dient te worden van het inkomen dat hij feitelijke geniet en niet van een fictief rendement. Het hof is met de man van oordeel dat bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening mag worden gehouden met een fictief rendement over de meerwaarde van de onroerende zaak. Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, houdt het hof rekening met de gehalveerde woonlast van € 3.946,00 (ƒ 8.695,00), aangezien tegen het bedrag als zodanig geen grief is gericht.

HUIDIGE PARTNER VAN DE MAN

28. De vrouw heeft in grief 6 gesteld, dat de rechtbank ten onrechte het door de partner van de man ontvangen inkomen heeft berekend op € 850,00 per maand. In het verlengde van deze grief heeft zij in grief 7 gesteld dat de rechtbank ten onrechte de bijstandsnorm voor een echtpaar in aanmerking heeft genomen en het voor alimentatie beschikbare percentage van de draagkrachtvrije ruimte op 45% heeft bepaald. In grief 7 van het incidentele appèl heeft ook de man gesteld, dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een inkomen van € 850,00 per maand van zijn huidige partner.

29. Bij de beoordeling van de draagkracht van de man houdt het hof in beginsel rekening met alle redelijke uitgaven die ten laste van de man komen. Tot die uitgaven behoren in beginsel ook de uitgaven voor een nieuwe partner. Beslissend is welke kosten redelijk zijn. Bij deze afweging dient naar het oordeel van het hof eveneens rekening worden gehouden met de belangen van de vrouw die gedurende een groot aantal jaren met de man gehuwd is geweest.

30. Het hof zal voorts bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening houden met de kinderalimentatie en kinderbijslag die de huidige partner van de man voor de kinderen verkrijgt. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat deze inkomsten dienen ter dekking van de kosten van de kinderen van de partner.

31. Door de man is in het geding gebracht een vermogensoverzicht van zijn huidige partner. Uit het vermogensoverzicht volgt dat de huidige partner van de man per 30 juni 2004 over een vermogen beschikt van € 91.781,00. Uit een vorige relatie heeft de huidige partner van de man drie nog minderjarige kinderen van de leeftijd 17, 15 en 12. In punt 57 van het incidentele appèl stelt de man dat de rechtbank miskend heeft dat de vrouw zich niet op de arbeidsmarkt kan begeven vanwege het feit dat zij nog de zorg heeft voor drie opgroeiende kinderen. Niet is door de man gesteld dat er zich bijzondere omstandigheden voordoen inzake de opvoeding van de kinderen van de huidige partner. Voorts heeft het hof vastgesteld dat de huidige partner van de man in 1999 heeft gewerkt. De kinderen waren toen 5 jaar jonger en toen was de zorg kennelijk geen grond om niet te werken. Het inkomen van de partner bedroeg in dat jaar € 6.822,58. De man heeft naar het oordeel van het hof op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt waarom zijn huidige partner dit inkomen niet meer kan verwerven, rekening houdend met een gedeeltelijke zorgtaak voor de kinderen. Gezien de bij de huidige partner van de man aanwezige verdiencapaciteit alsmede haar vermogen is het hof van oordeel dat de huidige partner van de man in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het hof is van oordeel dat wanneer haar inkomen op enig moment te laag is, van haar in redelijkheid kan worden verlangd op haar vermogen in te teren. Terzake van de kinderen van de huidige partner van de man heeft de man geen onderhoudsverplichting. Bovendien is het hof gebleken dat de huidige partner van de man kinderalimentatie ontvangt, althans daartoe gerechtigd is. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen is het hof van oordeel dat het in dit geval niet redelijk is dat de kosten van de huidige partner van de man ten laste van zijn draagkracht worden gebracht. Bij de vaststelling van de draagkracht gaat het hof uit van de alleenstaande-norm.

DIVERSEN

32. In grief 10 gaat de vrouw nog in op een klein aantal kleine financiële posten. Uit de pleitaantekeningen van de man volgt dat de man tot 30 april 2005 gebruik kan maken van de ziektekostenverzekering van de X. BV. Het hof wenst van de man een specificatie te verkrijgen van de ziektekosten die uitsluitend op hem betrekking hebben vanaf de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking tot 30 april 2005 en de premie die hij daarna verschuldigd is. Tevens dient door hem te worden aangegeven, of hij thans nog een bijdrage verkrijgt in de premie ziektekosten en hoe dat zal gaan met ingang van 30 april 2005. Inmiddels is komen vast te staan dat de onroerende zaak B. te Wassenaar is verkocht per 1 oktober 2004. Tot die datum houdt het hof rekening met de kosten die betrekking hebben op deze woning. Tevens houdt het hof rekening met de eigenaarslasten van de onroerende zaken zoals vermeld in de brief van de gemeente Wassenaar van 29 februari 2004.

DESKUNDIGE

33. Uit de gewisselde processtukken is het hof gebleken dat partijen al enige jaren procederen over de behoefte en de draagkracht. Door partijen wordt een jarenlange strijd gevoerd over onder meer de omvang van het vermogen van de man en de inkomsten die hij ontvangt uit dit vermogen. Het hof is van oordeel dat voorkomen moet worden dat mogelijk als gevolg van wantrouwen en of onvoldoende inzicht in de financiële positie van de man en de aan de man gelieerde vennootschappen er een groot aantal, mogelijk langdurige procedures door partijen wordt gevoerd. Daarom acht het hof het noodzakelijk dat een deskundige wordt benoemd, zijnde een register-accountant, die te samen met partijen en mogelijk hun adviseurs alle relevante financiële gegevens doorneemt, waarna de deskundige zijn bevindingen aan het hof rapporteert. Partijen zijn ter zitting in de gelegenheid gesteld zich over de te benoemen deskundige uit te laten. Partijen konden zich erin vinden dat het hof één deskundige zal benoemen. Het hof zal aldus beslissen. Gezien de zeer hevige strijd die tussen partijen wordt gevoerd acht het hof het tevens noodzakelijk dat het deskundige-onderzoek onder leiding staat van een raadsheer-commissaris. De raadsheer-commissaris waakt voor een onredelijke vertraging bij de totstandkoming van het deskundigenbericht en bepaald de voortgang van het onderzoek. Het hof gaat ervan uit dat partijen en hun adviseurs de instructies van de deskundige en de raadsheer-commissaris stipt zullen nakomen en dat zij op eerste verzoek van de deskundige en/of de raadsheer-commissaris voor de deskundige en/of de raadsheer-commissaris zullen verschijnen.

34. Uit proces-economisch oogpunt acht het hof het zinvol dat partijen de door het hof hierboven gevraagde informatie – behalve aan het hof – onmiddellijk aan de deskundige verstrekken – mede gezien het feit dat de informatie van financiële aard is – en dat die deskundige dit in zijn rapport verwerkt.

35. De deskundige dient bij de uitvoering van zijn werkzaamheden voorts antwoord te geven op de hierna geformuleerde vragen. Om een duidelijk inzicht te verkrijgen in het verloop van het inkomen van de man acht het hof het noodzakelijk dat het hof vergelijkende cijfers verkrijgt over verschillende jaren. De vragen die de deskundige dient te beantwoorden zijn:

1. Wat is het inkomen van de man uit hoofde van wonen en werk, aanmerkelijk belang en vermogen geweest, in de jaren 2001, 2002, 2003 en 2004? Het inkomen betreffende het jaar 2004 dient berekend te worden tot 1 oktober 2004;

2. Komen de aangiften inkomstenbelasting van het inkomen overeen met de desbetreffende aanslagen?;

3. Wat is het verloop van het vermogen van de man betreffende de jaren 2001, 2002, 2003 en 2004?;

4. Wat is de omvang van het vermogen van de man per 1 oktober 2004?

5. Bij de bepaling van de omvang van het vermogen dient voor wat betreft de waarde van de onroerende zaak A. te Wassenaar uitgegaan te worden van

€ 2.722.681,00, zijnde de waarde waarover partijen overeenstemming hebben bereikt. Bij de bepaling van de waarde van de met de man gelieerde vennootschappen dient in beginsel uitgegaan te worden van een going-concernwaarde, tenzij de deskundige dit niet juist acht;

6. Wat is het verloop geweest van de rekening-courant tussen Y. BV. en de man in de jaren 2001, 2002, 2003 en 2004?

7. Is aan de hand van het rekening-courant verloop aan te geven waaraan de man de gelden heeft besteed?

8. Zijn door de met de man gelieerde vennootschappen dividenden aan hem uitgekeerd? Zijn er door de hiervoor genoemde vennootschappen één of meer leningen verstrekt? Zo ja wat is het doel van de verstrekte lening(en) geweest?

9. Is de man in dienst van Y. BV.? Zo ja, krijgt hij een vergoeding voor deze werkzaamheden? Zo ja, wat is de omvang daarvan; zo neen, waarom niet?

10. Welke bedragen heeft Y. BV. aan gouden handdrukken ontvangen? Waaraan zij de ontvangen bedragen besteed?

11. Welke leningen heeft de man per 1 oktober 2004 en wat zijn daarvan de lasten?

12. Zijn er verder nog onderwerpen die naar het oordeel van de deskundige van belang zijn voor de financiële afwikkeling van deze zaak?

PLAN VAN AANPAK

36. Conform artikel 198 lid 2 Rv staat het onderzoek onder leiding van een raadsheer-commissaris. De door het hof benoemde raadsheer-commissaris controleert de voortvarendheid van het deskundige-onderzoek en geeft leiding hieraan. In dit kader geeft het hof de navolgende instructies:

? de deskundige stelt in overleg met de raadsheer-commissaris zijn plan van aanpak op. Zo mogelijk maakt de deskundige reeds een begroting van de door hem te maken kosten;

? de raadsheer-commissaris bespreekt met partijen en hun adviseurs in aanwezigheid van de deskundige het plan van aanpak;

? de raadsheer-commissaris stelt het plan van aanpak vast, rekening houdend met de voor de deskundige geldende gedrags- en beroepsregels;

? om wantrouwen en mede op dit wantrouwen gebaseerde procedures te voorkomen acht het hof het noodzakelijk dat de deskundige zoveel mogelijk met de man en de vrouw ten kantore van de deskundige de feiten inventariseert en uitleg geeft aan partijen inzake de financiën;

? indien de hiervoor genoemde vraagstelling in het kader van het onderzoek tot hoge kosten zal leiden staat het de deskundige vrij in overleg met partijen en de raadsheer-commissaris de vraag of vragen te herformuleren;

? indien partijen niet tot een herformulering van een vraag of vragen wensen te komen en de deskundige dit gezien zijn gedrags- en beroepsregels noodzakelijk acht, zal de raadsheer-commissaris een beslissing geven inzake de te formuleren vraag of vragen, nadat hij partijen en hun adviseurs heeft gehoord, althans hun daartoe in de gelegenheid heeft gesteld;

? nadat de deskundige zijn onderzoek heeft afgerond bespreekt hij het resultaat met partijen en de raadsheer-commissaris;

? het staat de deskundige vrij om met partijen te trachten een financiële regeling tussen de man en de vrouw te bewerkstellingen;

? indien de deskundige niet binnen het hierna te noemen voorschot zijn werkzaamheden kan afronden, dient hij de raadsheer-commissaris en partijen hierover tijdig te informeren. Voorts dient hij dan een begroting op te stellen voor de werkzaamheden die hij nog zal moeten verrichten. De begroting wordt door de raadsheer-commissaris vastgesteld nadat hij partijen hieromtrent heeft gehoord, althans hen daartoe in de gelegenheid heeft gesteld. Vervolgens kan de raadsheer-commissaris een aanvullend voorschot bepalen. De deskundige dient bij de afronding van zijn werkzaamheden aan de raadsheer-commissaris een specificatie te verstrekken van de door hem verrichte werkzaamheden. De raadsheer-commissaris hoort partijen inzake de specificatie en stelt daarna de einddeclaratie van de deskundige vast;

? zo nodig beveelt het hof een comparitie van partijen ten overstaan van de raadsheer-commissaris op een door hem te bepalen plaats en tijdstip;

? verstaat dat de raadsheer-commissaris bevoegd is conform de wet de nodige maatregelen of bevelen te geven om de voortgang van het deskundigenonderzoek te bewaken en de medewerking van partijen te verzekeren terzake van het verstrekken van informatie waarbij de raadsheer-commissaris partijen kan bevelen op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen;

? verstaat dat de raadsheer-commissaris bevoegd is om aan partijen of aan één van hen de openlegging te bevelen van de boeken, bescheiden en geschriften, die zij ingevolge de wet moeten houden, maken of bewaren.

BETALING VOORSCHOT

37. Het hof acht het redelijk dat de man het voorschot van de deskundige zal voldoen alvorens hieromtrent een definitieve beslissing te geven.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

benoemt tot deskundige, ter beantwoording van de hiervoor opgenomen vragen:

R. Kooger RA

Larixlaan 19, 5248 BP Rosmalen

Telefoon 073-52225792 of (06)53607699;

bepaalt dat de deskundige niet met zijn werkzaamheden behoeft aan te vangen, dan nadat door de man een voorschot aan de deskundige is betaald van € 12.000,00, door overmaking van het bedrag op een door de deskundige aan te wijzen bank- of girorekening, en wel binnen vier weken na de datum dezer uitspraak;

verzoekt de deskundige het deskundigenbericht, met redenen omkleed en ondertekend en voorzover mogelijk vergezeld van relevante en schriftelijke bescheiden aan de civiele administratie van het gerechtshof te ’s-Gravenhage, postbus 20302, 2500 EH ’s-Gravenhage toe te zenden vóór 20 januari 2005;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat partijen door de deskundige in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken;

draagt de griffier op een kopie van deze beschikking met een begeleidend schrijven aan de deskundige toe te zenden;

benoemt tot raadsheer-commissaris de raadsheer in dit hof mr. C.A.R.M. van Leuven;

beveelt voor zoveel nodig een comparitie van partijen en openlegging van stukken, zoals hiervoor overwogen;

houdt de behandeling pro forma aan tot zaterdag 29 januari 2005;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stille en Ydema, bijge-staan door mr. Arnbak-d’Aulnis de Bourouill als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 13 oktober 2004.