Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AP9488

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-05-2004
Datum publicatie
09-07-2004
Zaaknummer
02/526
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst of bruikleenovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2004, 6266

Uitspraak

Uitspraak: 7 mei 2004

Rolnummer: 02/526

Rolnr. rechtbank: 01/1054

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[Appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. A.H.M. van den Steenhoven,

tegen

de erven van [erflater],

woonplaats gekozen hebbende te [plaatsnaam],

geïntimeerden,

hierna te noemen: de erven,

procureur: mr. D.J. Bosboom.

Het geding

Bij exploot van 19 maart 2002 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 19 december 2001, door de rechtbank te 's-Gravenhage gewezen tussen [erflater], als eiseres en [appellant] als gedaagde.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] onder overlegging van producties één grief tegen het vonnis aangevoerd.

Bij memorie van antwoord hebben de erven de grief bestreden.

Tenslotte hebben de erven de processtukken gefourneerd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat kort samengevat om het volgende. [erflater] was eigenares van een boerderijcomplex bestaande uit een hoeve met een tweetal zelfstandige woonheden en een kleine separate woning. Het adres van deze kleine separate woning is [adres]. Tussen [erflater] en [appellant] bestond een mondelinge overeenkomst tot gebruik van deze woning door [appellant]. Volgens [erflater] was er sprake van een bruikleenovereenkomst en volgens [appellant] was er sprake van een huurovereenkomst. Op 17 december 2000 heeft [erflater] de overeenkomst opgezegd en [appellant] aangezegd de woning per 1 juni 2000 te ontruimen. De rechtbank heeft de vordering van [erflater] tot ontruiming met een langere ontruimingstermijn toegewezen. Hiertegen is [appellant] in hoger beroep gekomen.

2. Vast staat dat [appellant] de woning vanaf begin 1986 gebruikte, tot 1995 samen met zijn toenmalige echtgenote [naam]. Het geschil tussen partijen is toegespitst op de vraag of dit gebruik van de woning geschiedde krachtens een bruikleenovereenkomst danwel krachtens een huurovereenkomst. [appellant] heeft in zijn toelichting op de grief, die klaagt over de overwegingen 2.3 tot en met 3.4 van het bestreden vonnis, een aantal argumenten gegeven waarom er sprake zou zijn van een huurovereenkomst. Het hof zal die argumenten hieronder bespreken.

3. [appellant] heeft in de eerste plaats aangevoerd dat hij de gebruikerslasten voor de onroerende zaakbelasting heeft betaald. Hieromtrent overweegt het hof dat deze stelling zowel past bij een bruikleenovereenkomst als bij een huurovereenkomst. Deze stelling vormt dan ook geen argument voor het bestaan van een huurovereenkomst.

4. Verder heeft [appellant] gewezen op een maandelijkse betaling van ƒ 185,- door [appellant] en zijn echtgenote aan de bank. Hieromtrent overweegt het hof dat het blijkens een als productie 3 bij conclusie van antwoord overgelegde akte van schuldbekentenis gaat om termijnen van rente en aflossing op een schuld van [echtgenote] aan Coöperatieve Rabobank "Wateringen-Kwintsheul" B.A. Uit geen van de stellingen van [appellant] volgt dat de betalingen van ƒ 185,- per maand aan [erflater] ten goede zijn gekomen. Ook als [erflater] tot zekerheid van deze lening een tweede hypotheek zou hebben verstrekt, volgt daaruit niet dat betalingen op de lening van [echtgenote] aan [erflater] ten goede zijn gekomen. De betalingen van ƒ 185,- per maand vormen dan ook geen argument voor het bestaan van een huurovereenkomst.

5. Verder heeft [appellant] gesteld dat hij en zijn toenmalige echtgenote hun aanspraken op het hen toekomende deel van de nalatenschap van de [vader van echtgenote], die op 22 december 1985 overleed, hebben laten varen in het kader van een afspraak tussen hen en [erflater], waarbij is overeengekomen dat zij hun intrek mochten nemen in de kleine separate woning op het complex. Verder heeft hij gesteld dat onderdeel van de afspraak voorts was dat [appellant] en zijn toenmalige echtgenote de woning zelf zouden opknappen en onderhouden, en dat zulks is geschied. Hij heeft erop gewezen dat hij in die periode gasleidingen heeft laten aanleggen, een badkamer heeft aangelegd, de woning heeft voorzien van gaskachels, ervoor heeft gezorgd dat de woning werd aangesloten op het gemeentelijk gasleidingnet, en haar overigens geheel heeft gerenoveerd. Hij heeft ten bewijze facturen en bonnen overgelegd, die alle stammen uit begin 1986. [appellant] heeft verder gesteld dat hij en zijn toenmalige echtgenote de woning goed zouden hebben onderhouden.

6. Naar het oordeel van het hof is het hier door [appellant] als tegenprestatie tegenover het verschaffen van woongenot gestelde onvoldoende om deze als huurbetaling aan te merken. In de eerste plaats blijkt uit de overgelegde verklaring van erfrecht, dat noch [appellant], noch [erflater] erfgenaam was van de op 22 december 1985 overleden [vader van echtgenote]. Dit betekent dat als de toenmalige echtgenote van [appellant] - zij en haar zuster waren de erfgenamen van [vader van echtgenote] - aanspraken op de nalatenschap van de [vader van echtgenote] zou hebben laten varen, dit onmogelijk aan [erflater] ten goede kan zijn gekomen. Verder past het maken van een afspraak dat toekomstige bewoners een woning zelf opknappen en geschikt maken voor bewoning door henzelf zowel bij een huurovereenkomst als bij een bruikleenovereenkomst. Tenslotte heeft [appellant], nadat [erflater] heeft betwist dat [appellant] en zijn toenmalige echtgenote de woning nadien hebben onderhouden, niet gesteld, waarin dit onderhoud zou hebben bestaan. Daarom leiden de stellingen van [appellant] over de met [erflater] gemaakte afspraak niet tot de conclusie dat er sprake is van een huurovereenkomst.

7. Nu alle door [appellant] genoemde argumenten niet leiden tot het bestaan van een huurovereenkomst, moet ervan worden uitgegaan, dat de tussen partijen bestaan hebbende overeenkomst moet worden gekarakteriseerd als een bruikleenovereenkomst.

8. Verder maakt [appellant] bezwaar tegen de door de rechtbank toegepaste belangenafweging. Volgens hem is de overeenkomst slechts op zwaarwegende gronden opzegbaar en zijn dergelijke gronden niet aanwezig. Hij wijst op de volgende omstandigheden. Na het vertrek van zijn gewezen echtgenote bewoonde [appellant] de woning met zijn minderjarige zoon en zijn partner. De overeenkomst heeft vijftien jaar geduurd. [erflater] kon haar eigen woning betreden zonder dat zij daarbij last zou hebben of geconfronteerd zou worden met [appellant], indien zij dat niet wilde. [appellant] heeft geld geïnvesteerd in het opknappen en het onderhoud van de woning, waarbij [erflater] nadat de overeenkomst is geëindigd, zeer gebaat is geweest.

9. Hieromtrent overweegt het hof het volgende. Niet is betwist dat [erflater] gebrouilleerd was met [appellant] en op korte afstand van hem woonde en dat zij haar kleinzoon, die zij wel zag, niet kon of mocht spreken. Naar het oordeel van het hof had [erflater] daarmee een zwaarwegend belang om de bruikleenovereenkomst te beëindigen. De door [appellant] genoemde belangen zijn daartegenover onvoldoende. Ten aanzien van de stelling van [appellant] over onderhoud van de woning overweegt het hof dat [appellant] na betwisting door [erflater] niet heeft gesteld waaruit dit onderhoud zou hebben bestaan, zodat het hof ervan uitgaat, dat dit onderhoud niet heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van de financiële investeringen van [appellant] in het opknappen van de woning overweegt het hof dat [appellant] vijftien jaar van deze investeringen heeft geprofiteerd. Naar het oordeel van het hof is aan de belangen van [appellant] voldoende tegemoet gekomen door de door de rechtbank inachtgenomen lange ontruimingstermijn van bijna vijf en een halve maand. Het hof acht de door de rechtbank gemaakte belangenafweging een juiste.

10. Het door [appellant] gedane bewijsaanbod is niet relevant, aangezien [appellant] geen feiten heeft gesteld die bewijs behoeven en van belang zijn voor de afloop van deze procedure.

11. Uit het bovenstaande volgt, dat de grief faalt. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en [appellant] in de proceskosten in hoger beroep veroordelen.

De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 19 december 2001;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de erven begroot op € 1.001,-, waarvan € 230,- aan verschotten en € 771,- aan salaris van de procureur;

verklaart dit arrest voorzover betreffende de proceskostenveroordeling in hoger beroep uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Wild, Schuering en Beyer-Lazonder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2004 in aanwezigheid van de griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter wordt dit arrest door de oudste raadsheer ondertekend.