Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AP1288

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-01-2004
Datum publicatie
10-06-2004
Zaaknummer
BK-02/04384
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft geen recht op een aftrek van het reiskostenforfait ad € 930,25. Belanghebbende kan aan het door de Inspecteur ter zake van de voorafgaande aangiften inkomstenbelasting ingenomen standpunt geen rechtens te beschermen vertrouwen ontlenen, nu echter de gevraagde afrek zo apert in strijd is met wet en jurisprudentie. Beroep op gelijkheidsbeginsel faalt reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 1039
FutD 2004-1075

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste enkelvoudige belastingkamer

27 januari 2004

nummer BK-02/04384

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst P, (. . .) (hierna: de Inspecteur), op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2000.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 13 januari 2004, gehouden te Dordrecht. Aldaar zijn verschenen belanghebbende, tot haar bijstand vergezeld door haar echtgenoot, alsmede namens de Inspecteur (. . .).

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1.1. Belanghebbende heeft een dienstbetrekking bij de Nederlandse Spoorwegen N.V. (hierna: NS) vervuld. Gedurende haar dienstbetrekking bij de NS genoot belanghebbende een vervoers-faciliteit van de NS in de vorm van gratis treinvervoer van en naar haar werkplek. Sedert 199. is zij gedetacheerd bij European Rail Research Institute (hierna: ERRI) in Utrecht. Nadien is de detachering omgezet in een vast dienstverband bij ERRI onder behoud van de secondaire voorwaarden van de NS waaronder de vervoersfaciliteit. Van deze faciliteit maakt zij echter feitelijk geen gebruik. Belanghebbende betaalt per maand een eigen bijdrage van € 13,61 in verband met het ook voor privé-doeleinden mogen gebruiken van de vervoersfaciliteit. Zij reist samen met haar echtgenoot, die ook een dienstbetrekking in Utrecht heeft, per auto naar haar werkplek. Zij heeft variabele werktijden van acht uur 's morgens tot vijf uur 's middags; zij heeft geen avonddiensten noch weekenddiensten.

1.2. Belanghebbende doet sedert ongeveer twintig jaar aangifte voor de inkomstenbelasting. In deze aangiften heeft zij immer om toepassing van de aftrek reiskostenforfait gevraagd welke aftrek ook is verleend. Het vorenstaande heeft slechts uitzondering geleden voor de jaren 1990 en 1994. Bij het vaststellen van de aanslagen over die jaren heeft de (ambtsvoorganger van de) Inspecteur aanvankelijk de aftrek geweigerd maar na gemaakt bezwaar alsnog de aftrek verleend. Een kopie van de toewijzende uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1994 behoort tot de gedingstukken.

1.3. Ook in de aangifte inkomstenbelasting en premie volksver-zekeringen voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende om aftrek van het reiskostenforfait gevraagd.

1.4. Desgevraagd heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat haar collegae die ook met eigen vervoer naar hun de werkplek reizen de aftrek van reiskostenforfait wel is verleend. Deze vallen echter onder een andere eenheid van de Belastingdienst dan belanghebbende, namelijk Q.

1.5. De echtgenoot van belanghebbende is sedert meer dan (. . .) jaar werkzaam bij de Belastingdienst in de rang van zogenoemde (. . .). Hij heeft ter zitting verklaard ook een gratis vervoersfaciliteit te genieten en eveneens om aftrek van het reiskostenforfait in de aangifte te hebben verzocht, zonder dat zulks tot een correctie van het aangegeven belastbare inkomen heeft geleid.

2. Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het onderhavige jaar heeft de Inspecteur de aftrek van het reiskostenforfait geweigerd en het aangegeven belastbare inkomen ad € 22.340,96 met een bedrag van € 930,25 verhoogd.

3. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt. Bij de bestreden uitspraak is het bezwaar afgewezen.

4. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft een aftrek van het reiskostenforfait ad € 930,25, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontken-nend beantwoordt.

5. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van haar standpunt - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat zij sedert twintig jaar de in geschil zijnde aftrekpost in haar aangiften heeft opgenomen, dat zij de aftrek juist acht nu geen gebruik wordt gemaakt van de vervoersfaciliteit. Voorts is sprake van gewekt vertrouwen door de jarenlange wijze waarop en omstandigheden waaronder de Inspecteur de aftrekpost in aftrek heeft aanvaard. Er is geen sprake van een wijziging in de persoonlijke omstandigheid vanaf 1990.

6. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

7.1. Naar 's Hofs oordeel laten de feiten geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende in beginsel (nagenoeg) gratis vervoer door haar werkgever heeft aangeboden gekregen. De enkele omstandigheid dat belanghebbende een eigen bijdrage van € 13,61 per maand dient te voldoen, naar de Inspecteur onweer-sproken heeft gesteld in verband met mogelijk privé-gebruik van de vervoersfaciliteit, leidt niet tot een andersluidend oordeel. Het Hof wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad 4 maart 1992, nr. 28 104, BNB 1992/168, en de aldaar door de Hoge Raad gegeven uitleg van het begrip vervoer vanwege de inhoudingsplichtige.

7.2. Nu belanghebbende echter van de vervoersfaciliteit geen gebruik heeft gemaakt zal het Hof onderzoeken of de redenen daarvoor in de dienstbetrekking zijn gelegen dan wel voortvloeien uit persoonlijke overwegingen. De door belanghebbende aangevoerde redenen acht het Hof louter gelegen in de persoonlijke sfeer. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat het reizen per trein beduidend langer duurt en daardoor minder efficiënt is dan het reizen met eigen vervoer, maar het Hof acht deze omstandigheid, zo al juist, niet van voldoende gewicht. Dit mede in het licht van de werktijden van belangheb-bende en het feit dat door belanghebbende, op wie te dezen de last rust zulks aannemelijk te maken, de gestelde tijdsbespa-ring niet nader met kwantitatieve gegevens heeft ondersteund. Ook acht het Hof aannemelijk dat het samen reizen met haar echtgenoot ten minste mede redengevend is geweest om van de vervoersfaciliteit van de werkgever geen gebruik te maken. Het vorenstaande leidt ertoe dat de gevraagde reiskostenaftrek, nu sprake is van persoonlijke overwegingen om van de vervoersfaciliteit van de werkgever af te zien, toepassing mist. Onder deze omstandigheden kan in redelijkheid niet worden gezegd dat de gemaakte reiskosten op de inkomsten uit de door haar vervulde dienstbetrekking drukken.

7.3. Belanghebbende heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat te dezer zake sprake is van een in rechte te beschermen vertrouwen door de wijze waarop de (ambtsvoorganger van de) Inspecteur gedurende een reeks van jaren, waaronder voor twee jaren eerst na bezwaar, de in geschil zijnde aftrek heeft aanvaard. Met belanghebbende is het Hof in beginsel van oordeel dat aan de handelwijze van de Inspecteur vertrouwen kan worden ontleend. Nu echter de gevraagde aftrek zo apert in strijd met wet en jurisprudentie is kan belanghebbende aan het door de Inspecteur ter zake van de voorafgaande aangiften inkomsten-belasting ingenomen standpunt geen rechtens te beschermen vertrouwen ontlenen. Daartoe verwijst het Hof naar hetgeen hiervoor onder 7.1 en 7.2 is overwogen. Ter staving daarvan wijst het Hof op het arrest HR 14 februari 1990, nr. 26 402, BNB 1990/219*.

7.4. Ook overigens heeft belanghebbende, gelet op de betwisting daarvan door de Inspecteur, niet dan wel onvoldoende aanneme-lijk gemaakt dat zij in het verleden, in het bijzonder ten aanzien van de wijze waarop uiteindelijk de aanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1990 en 1994 zijn opgelegd, de (ambtsvoorganger van de) Inspec-teur heeft geïnformeerd dat belanghebbende uit hoofde van persoonlijk overwegingen heeft afgezien van de vervoersfaciliteit en de Inspecteur desondanks de aftrek van het reiskostenforfait heeft verleend.

7.5. Ter nadere ondersteuning van de afwijzing van het beroep op het vertrouwensbeginsel merkt het Hof nog op dat de echt-genoot van belanghebbende als fiscaal deskundig moet worden aangemerkt, zodat deze en mitsdien belanghebbende wist dan wel redelijkerwijs heeft moeten weten dat het in de aangiften ingenomen standpunt onjuist was. De fiscale deskundigheid van belanghebbendes echtgenoot moet haar worden toegerekend.

7.6. Voor zover het beroep van belanghebbende strekt tot toepassing van het gelijkheidsbeginsel faalt dat reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag. Belanghebbende heeft tijdens de mondelinge behandeling uitdrukkelijk erkend dat de collegae van haar, hoewel deze ook een gratis vervoersfaciliteit van de werkgever ter beschikking staan, daarvan geen gebruik maken en met eigen vervoer naar hun werkplaats reizen en de aftrek van het reiskostenforfait wel door de Inspecteur is aanvaard, onder een andere organisatorische eenheid van de Belastingdienst ressorteren. Ook overigens zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die een dergelijk beroep zouden kunnen schragen, in het bijzonder dat de Inspecteur in een meerderheid van gevallen de - naar het oordeel van het Hof aperte onjuiste - handelwijze bij de beoordeling van ingediende aangiften op dit specifieke onderdeel heeft toegepast.

7.7. Hetgeen belanghebbende nog overigens of anderszins heeft aangevoerd kan niet leiden tot een andersluidend oordeel.

8. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is vastgesteld op 27 januari 2004 door mr. Van Walderveen en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Van Duijvendijk.

(Van Duijvendijk)

(Van Walderveen)

Aangetekend aan

Partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.