Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AP1221

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
09-06-2004
Zaaknummer
BK-03/01975
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van belanghebbende is een beschikking genomen op de voet van artikel 36p, derde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag. Belanghebbende heeft een opdracht gegeven tot en een bestelling geplaatst voor een EnergiePrestatieAdvies en zonnepanelen. Belanghebbende heeft ter zake van het EPA en het nadien aan hem geleverde PV-systeem een energiepremie aangevraagd, inclusief de bonuspremie van 25 percent. De energiepremie voor het EPA en het PV-systeem is verleend. De bonuspremie van 25 percent is evenwel geweigerd. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of belanghebbende recht heeft op de vorengenoemde bonuspremie, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt. Het Hof heeft geoordeeld dat de aanschaf van het PV-systeem is geschied op basis van het EPA. Het gelijk is aan belanghebbende. Het verzoek om toekenning van de bonuspremie moet alsnog worden toegewezen. Het Hof verklaart het beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Wet belastingen op milieugrondslag 36p, geldigheid: 2004-05-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-1031 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N 2004/39.29

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

6 mei 2004

nummer BK-03/01975

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van het onderdeel P van de Belastingdienst, betreffende na te noemen beschikking.

1. Beschikking en bezwaar

1.1. Ten aanzien van belanghebbende is met dagtekening 24 maart 2003 een beschikking genomen op de voet van artikel 36p, derde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag (tekst 2002, hierna: de Wet).

1.2. Het tegen de beschikking gerichte bezwaar van belanghebbende is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de vorenbedoelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van € 116. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 24 maart 2004, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende heeft op 28 november 2002 bij de vereniging A een opdracht gegeven tot en een bestelling geplaatst voor een EnergiePrestatieAdvies (hierna: EPA) en zonnepanelen (hierna: het PV-systeem) als bedoeld onder nummer 2024 respectievelijk 3010 van bijlage I bij de Uitvoeringsregeling energiepremies, zoals laatstelijk gewijzigd bij ministeriële regeling van 20 december 2001, WV2001/682M, Stcrt. 2001, 250 (hierna: de Uitvoeringsregeling).

3.2. De opdracht en de bestelling zijn gedaan door middel van één formulier dat in kopie tot de gedingstukken behoort. Het formulier vermeldt onder meer de volgende voorwaarde:

"6. Indien u ook een EPA aanvraagt, dient dit koopcontract als opdrachtbevestiging hiervoor. De eventueel bestelde zonnepaneelset wordt pas als opdracht aanvaard, nadat het EPA is uitgebracht en zonnepanelen adviseert als maatregel."

3.3. Het EPA is aan belanghebbende uitgebracht door middel van een rapport de dato 6 december 2002, waarin de aanschaf van een PV-systeem werd geadviseerd.

3.4. Belanghebbende heeft ter zake van het EPA en het nadien aan hem geleverde PV-systeem een energiepremie aan-gevraagd, inclusief de bonuspremie van 25 percent als genoemd in voetnoot 1 onder bijlage II bij de Uitvoeringsregeling en in de Toelichting op de Regeling EPA van 24 maart 2000, gepubliceerd in onder meer de Staatscourant van 4 april 2000, nummer 67, pagina 10 en volgende. De energiepremie voor het EPA en het PV-systeem is verleend. De bonuspremie van 25 percent ofwel € 385 is evenwel geweigerd.

4. Omschrijving geschil

Tussen partijen is uitsluitend in geschil of belanghebbende recht heeft op de vorengenoemde bonuspremie, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot toekenning van de bonuspremie van € 385.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Beoordeling van het beroep

6.1. Voetnoot 1 bij bijlage II van de Uitvoeringsregeling luidt voor zover hier van belang als volgt:

"Wanneer op basis van een EPA een of meerdere voorzieningen worden getroffen die behoren tot de nummers (…) 3010 t/m 3080 (…) dan wordt de premie voor die voorziening(en) vermeerderd met een bonus van 25%, mits de EPA voor toekenning van een energiepremie in aanmerking komt."

Deze bepaling is als volgt toegelicht (Stcrt. 1999, 250, blz. 45):

"Omdat het EPA een nog relatief nieuw instrument is wordt aan deze voorziening een extra stimulans gegeven in de vorm van een bonus van 25% op de energiepremie voor de voorzieningen onder de nummers (…) in bijlage II die op grond van het advies worden toegepast."

6.2. Centraal in dit geding staat de stelling of het verweer van de Inspecteur dat de beslissing of de opdracht tot aanschaf van het PV-systeem moet hebben plaatsgevonden op of na de datum van het EPA-rapport. Een dergelijke stringente eis vindt evenwel geen steun in de tekst van artikel 36p van de Wet of in de tekst van de artikelen 8m en 8n van de Uitvoerings-regeling en evenmin in de totstandkomingsgeschiedenis van die artikelen. De hiervoor aangehaalde toelichting op de nieuwe regeling wijst er veeleer op dat deze naar haar aard ruim dient te worden toegepast.

6.3. De onder 3.2 aangehaalde voorwaarde laat geen andere conclusie toe dan dat de bestelling voor het PV-systeem is geschied onder de opschortende voorwaarde van een positief EPA.

Door deze opschortende voorwaarde krijgt de koopovereenkomst eerst werking op het moment waarop het positieve EPA is uitgebracht. Alleen een positief EPA kon leiden tot definitieve aanschaf van het PV-systeem.

6.4. Gelet op het vorenoverwogene en op de inrichting van het bestelformulier acht het Hof voorts aannemelijk dat, zoals in belanghebbendes stellingen ligt besloten, belanghebbendes intentie erop was gericht om slechts over te gaan tot aanschaf van het PV-systeem indien een positief EPA zou volgen.

6.5. Bij deze oordelen neemt het Hof mede het volgende in aanmerking. De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet op grond van alleen de tekst van dat contract worden beantwoord. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op hetgeen partijen te

dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn welke rechtskennis van hen kan worden verwacht (NJ 1981,635).

6.6. Op grond van het vorenoverwogene moet worden geoordeeld dat de aanschaf van het PV-systeem is geschied op basis van het EPA. Het gelijk is mitsdien aan belanghebbende. Het verzoek om toekenning van de bonuspremie van € 385 moet alsnog worden toegewezen.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaak en de zaken met de nummers BK-03/01763 en BK-03/01862 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 966 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan te dezen een derde deel, derhalve € 322 in aanmerking wordt genomen.

7.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

8. Beslissing

Het Gerechtshof

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep en de beschikking,

- wijst het verzoek om toekenning van de bonuspremie van € 385 toe,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 322,

- gelast de Staat der Nederlanden deze kosten en het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 116 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Vierhout, Visser en Van Rijn. De beslissing is op 6 mei 2004 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van den Bogerd) (Vierhout)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.