Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AP0102

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-04-2004
Datum publicatie
26-05-2004
Zaaknummer
BK-03/02076
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overdrachtsbelasting - vrijstelling bij voortzetting onderneming door naaste verwanten - waardering landbouwgrond

Wetsverwijzingen
Wet op belastingen van rechtsverkeer 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0984
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

twaalfde enkelvoudige belastingkamer

22 april 2004

nummer BK-03/02076

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Y tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst P, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de hem opgelegde naheffingsaanslag overdrachtsbelasting.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 8 april 2004, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Op 6 maart 1963 is tussen de vader van belanghebbende en een oom van belanghebbende een maatschap opgericht. Belanghebbende is op 15 oktober 1990 tot deze maatschap toegetreden. Bij die gelegenheid is de economische eigendom van de boerderij met schuren, tuin en percelen landbouwgrond (vader) respectievelijk een woonhuis met toebehoren, erf, tuin en landbouwgrond (oom), in de maatschap ingebracht.

2. De maatschapsvoorwaarden zijn op 27 november 1992 in een notariële akte vastgelegd. Deze akte behoort in kopie tot de gedingstukken. In die akte is ten aanzien van de onroerende zaken bepaald dat de stille reserves in de onder 1 vermelde onroerende zaken tot 15 oktober 1990 aan de inbrengers blijft voorbehouden.

3. Per 27 november 2001 is de onder 1 vermelde maatschap ontbonden. Tot het vermogen van de maatschap behoorde percelen landbouwgrond van in totaal 9,85 hectare (hierna: het perceel), welke in juridische eigendom aan [de oom] toebehoorde, en bij de voormelde akte aan belanghebbende is toegescheiden. Voorts is in deze akte, welke in kopie tot de gedingstukken behoort - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:

"Anti Speculatiebepaling

Met betrekking tot de overdracht door de comparant sub 1 aan comparant sub 3 wordt de regeling als bedoeld in artikel 561 van de Pachtwet van toepassing verklaard. De basis voor verrekening zal zijn de waarde in het economische verkeer. Aan deze akte wordt vasthecht een taxatierapport, waaruit de waarde in het economische verkeer per 18 januari tweeduizendéén blijkt."

Comparant sub 1 is de vader van belanghebbende, comparant sub 3 is belanghebbende. In de akte is een beroep gedaan op de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: WBR).

4. De waarde van het perceel in niet-verpachte staat bedraagt ƒ 700.000. In verpachte staat bedraagt de waarde ƒ 250.000.

De maatschap heeft geen pachtovereenkomst van de eigenaar gevorderd, wel wordt er ten laste van het resultaat van de maatschap een periodieke vergoeding aan de juridisch eigenaar betaald.

5. De Inspecteur heeft naheffingsaanslag overdrachtsbelasting naar een te betalen bedrag van € 9.509, zonder verhoging, opgelegd, ter zake van de verkrijging van onder meer het onder 3 vermelde perceel. Op het bezwaar van belanghebbende heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de aanslag gehandhaafd voor zover deze betrekking heeft op het perceel.

6. In geschil is primair of de verkrijging van het perceel vrijgesteld is voor de heffing van overdrachtsbelasting. Subsidiair is in geschil of de waarde van het perceel in verpachte staat in aanmerking moet worden genomen. Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

7. Belanghebbende heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat op de verkrijging van de percelen landbouwgrond de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel b, WBR van toepassing is. De verkrijging van het perceel landbouwgrond van zijn oom moet voor de heffing van overdrachtsbelasting op gelijke wijze worden behandeld worden behandeld als betrof het een verkrijging van het perceel van de vader van belanghebbende. Subsidiair is hij van mening dat de waarde van het bouwland moet worden bepaald naar de waarde in verpachte staat welke alsdan ƒ 250.000 bedraagt in plaats van de waarde in onverpachte staat ten bedrage van ƒ 700.000. Belanghebbende is immers tegen vergoeding ten laste van de maatschap mede-exploitant van de landbouwgrond, zodat sprake is van een mondelinge pachtovereenkomst.

8. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd bestreden en houdt de juistheid van de bestreden uitspraak staande.

9.1. Anders dan belanghebbende verdedigt mist de vrijstelling ex artikel 15, eerste lid, onderdeel b, WBR ter zake van de verkrijging van het perceel te dezen toepassing. Het Hof volstaat met een verwijzing naar het oordeel van de Hoge Raad zoals dat kan worden gekend uit het arrest HR 6 juni 2003, nr. 37.755, BNB 2004/5. De vervreemder en de verkrijger staan niet in de door de wetgever gestipuleerde kring van bloed- en aanverwanten. Daarbij komt aan de wetgever een ruime mate van beoordelingsvrijheid zodat te dezen niet kan worden gesproken van gelijke gevallen die voor de toepassing van de WBR ongelijk worden behandeld.

9.2. Het hiervoor onder 9.1 gegeven oordeel sluit in dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel, ook voor zover dat moet worden verstaan als een beroep op Europeesrechtelijke of internationaalrechtelijke bepalingen, moet worden verworpen.

10.1. Blijkens de tot de gedingstukken behorende akten, zoals vermeld onder 2 en 3 hiervoor, is geen sprake van een pachtovereenkomst. Naar 's Hofs oordeel dient een eventuele pachtovereenkomst schriftelijk te worden vastgelegd teneinde te bewerkstelligen dat de maatschap en in het bijzonder belanghebbende de uit de Pachtwet voortvloeiende bijzondere positie van pachter en de daaraan verbonden (voor)rechten toekomt. Niet is gesteld noch is anderszins gebleken dat er beletselen waren om een in overeenstemming met de Pachtwet strokende overeenkomst te sluiten dan wel voor zover nodig te vorderen. Nu een pachtovereenkomst niet tot stand is gekomen bestaat er uit dien hoofde geen aanleiding een waardedruk in aanmerking te nemen. De Inspecteur heeft het desbetreffende perceel dan ook terecht gewaardeerd naar de warde in het economische verkeer in vrij opleverbare staat.

10.2. Ook het feit dat een zogenoemd antispeculatiebepaling in de onder 3 vermelde akte is opgenomen leidt niet tot een andersluidend oordeel, nu deze bepaling betrekking heeft op hetgeen belanghebbende van zijn vader heeft verkregen. Voorts scherpt deze bepaling in dat belanghebbende en de overige leden van de maatschap zich terdege bewust zijn geweest van de omstandigheid dat de maatschap en belanghebbende in het bijzonder, geen reguliere pachtovereenkomst zijn overeengekomen.

10.3. Tevens heeft belanghebbende, op wiens weg zulks ligt, geen feiten of omstandigheden gesteld die anderszins een lagere waardering dan die in onverpachte staat kunnen schragen.

10.4. Nu de waarde in onverpachte staat van het perceel tussen partijen niet in geschil is faalt ook de subsidiaire stelling van belanghebbende.

11. Ook hetgeen belanghebbende overigens of anderszins heeft aangevoerd kan naar 's Hofs oordeel niet tot een andersluidend oordeel leiden.

12. Gelet op het vorenoverwogene moet het beroep, zowel ten aanzien van het primaire als ten aanzien van het subsidiaire standpunt, ongegrond worden verklaard.

13. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is vastgesteld op 22 april 2004 door mr. Van Walderveen en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Lingen.

(Van Lingen) (Van Walderveen)

Aangetekend aan

Partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.