Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO9517

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-03-2004
Datum publicatie
14-05-2004
Zaaknummer
BK-03/01754
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 234
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2004/756
FutD 2004-0921
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

achtste enkelvoudige belastingkamer

23 maart 2004

nummer BK-03/01754

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de heffingsambtenaar van de gemeente P (hierna: de Inspecteur), op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen 2003.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 9 maart 2004, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen belanghebbende tot zijn bijstand vergezeld door A, alsmede B namens de Inspecteur.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep, alsmede de naheffingsaanslag;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 10 onder aanwijzing van de gemeente P als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de gemeente P aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht ad € 31 te vergoeden.

Gronden

1. Op 12 april 2003, omstreeks 16.21 uur, stond de auto van belanghebbende geparkeerd op een parkeerplaats in de a-straat te P. Deze locatie is door burgemeester en wethouders van de gemeente P aangewezen als een parkeerplaats voor betaald parkeren van maandag tot en met zaterdag van 9.00 uur tot 18.00 uur en op donderdag van 18.00 uur tot 21.00 uur.

2. De maximuminworp voor de betreffende automaat bedraagt € 1,80 waarmee twee uur (het maximum van de parkeertijd) kan worden geparkeerd. De automaat heeft geen mogelijkheid tot het teruggeven van wisselgeld. Op de automaat staan de muntstukken aangegeven waarmee betaald kan worden te weten, € 0,10, € 0,20, € 0,50, € 1,0 en € 2,0. De afbeelding van het muntstuk van € 2,0 is met stift zwart ingekleurd. De sleuf van de automaat is zodanig groot dat ook een muntstuk van € 2 kan worden ingeworpen.

3. Tijdens een controle op voormelde datum en voornoemd tijdstip heeft een parkeercontroleur geconstateerd dat er in het voertuig geen geldig betaalbewijs aanwezig was. Naar aanleiding hiervan is aan belanghebbende een naheffingsaanslag ten bedrage van € 41,90 opgelegd bestaande uit € 0,90 parkeerbelasting en € 41 kosten van de naheffingsaanslag.

4. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

5. Belanghebbende heeft aangevoerd dat hij een muntstuk van € 2 in de parkeerautomaat heeft geworpen, dat de parkeerautomaat geen ticket vervaardigde waarop hij vervolgens herhaaldelijk en tevergeefs pogingen heeft gedaan het muntstuk uit de automaat terug te krijgen. Toen een andere parkeerder vervolgens een muntstuk van € 1 in de automaat wierp kwam er wel een kaartje uit. Vervolgens heeft belanghebbende wederom tevergeefs geprobeerd zijn geld uit de automaat terug te krijgen waarbij hij opmerkte dat het afgebeelde muntstuk van € 2 op de automaat zwart was gemaakt. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij de parkeerbelasting heeft voldaan en dat de naheffingsaanslag derhalve ten onrechte aan hem is opgelegd.

6. De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd bestreden. Hij voegt daaraan nog toe dat indien een muntstuk van € 2 in de automaat wordt geworpen, op de display wordt aangegeven dat de maximale inworp is overschreden. Vervolgens valt het muntstuk, zonder dat dit een verdere handeling vereist, in het retourbakje. Er was overigens geen sprake van een storing van de betreffende automaat.

7. De bij wege van voldoening op aangifte te heffen belastingen kunnen uitsluitend worden nageheven, indien en voor zover deze niet zijn betaald.

8. De stelling van belanghebbende dat hij direct na het parkeren van zijn auto een muntstuk van € 2 in de parkeerautomaat heeft geworpen, dat zulks niet leidde tot uitgifte van een parkeerkaartje en dat dit muntstuk vervolgens niet door de automaat is geretourneerd, acht het Hof geloofwaardig. Daaraan verbindt het Hof de conclusie dat belanghebbende parkeerbelasting heeft betaald.

9. De stelling van de Inspecteur, dat belanghebbende niet met een muntstuk van € 2 had mogen betalen nu in artikel 8 van de Parkeerverordening P 1997 staat vermeld dat men alleen met munten die in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan vermeld het apparaat in werking mag stellen, zal het Hof in dit geval niet volgen. Het € 2 muntstuk stond immers wel op de automaat aangegeven. Het enkel met donkere stift inkleuren van deze afbeelding is naar 's Hofs oordeel onvoldoende om aan parkeerders duidelijk kenbaar te maken dat met dit muntstuk niet kan worden betaald.

10. Nu aannemelijk is geworden dat de belasting op het voormelde tijdstip was betaald, kan de bestreden naheffingsaanslag niet in stand blijven (vgl. Hoge Raad, 8 januari 1997,

BNB 1997/68c*).

11. Mitsdien is het beroep gegrond.

12. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 10 wegens reiskosten. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

Deze uitspraak is vastgesteld op 23 maart 2004 door mr. Savelbergh en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier

mr. De Fouw.

(De Fouw)

(Savelbergh)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.