Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO9425

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
13-05-2004
Zaaknummer
BK-03/01579
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting/Vermogensbelasting. Mede gelet op de voorafgaande correspondentie tussen partijen en de inhoud van de brief van de Inspecteur kan de brief van de Inspecteur niet worden aangemerkt als een uitspraak waartegen ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Awr, beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:2, geldigheid: 2004-05-06
Algemene wet inzake rijksbelastingen 25, geldigheid: 2004-05-06
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26, geldigheid: 2004-05-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 899
FutD 2004-0915
V-N 2004/44.2

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

vierde meervoudige belastingkamer

6 mei 2004

nummer BK-03/01579

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de in een brief van 18 april 2003 vervatte beslissing van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de regio P van de Belastingdienst, om niet tegemoet te komen aan een verzoek, strekkende tot vernietiging van na te noemen navorderingsaanslagen en beschikkingen.

1. Navorderingsaanslagen, beschikkingen en bezwaar

1.1 Blijkens twee aanslagbiljetten, gedagtekend 31 december 2002, zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen opgelegd, onderscheidenlijk in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1990 en in de vermogensbelasting voor het jaar 1991. Deze navorderingsaanslagen hebben een beloop van respectievelijk € 32.258 en € 5.297.

1.2 Daarbij heeft de Inspecteur, bij beschikkingen in de zin van artikel 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), telkens een boete aan belanghebbende opgelegd ten belope van 100 percent van de nagevorderde belasting.

1.3 Voorts heeft de Inspecteur in elk van beide gevallen een bedrag aan heffingsrente aan belanghebbende in rekening gebracht en het beloop daarvan bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld.

1.4 Bij brief van 21 januari 2003 heeft de gemachtigde van belanghebbende tegen de voornoemde navorderingsaanslagen, de daarbij opgelegde boeten en de daarbij in rekening gebrachte bedragen aan heffingsrente bezwaar gemaakt.

1.5 Bij brief van 10 april 2003 heeft de gemachtigde, onder verwijzing naar een bijgevoegd afschrift van een uitspraak van de belastingrechter te 's-Gravenhage, de Inspecteur verzocht de aan belanghebbende opgelegde aanslagen en boeten te vernietigen.

1.6 Bij brief van 18 april 2003 heeft de Inspecteur afwijzend op dat verzoek gereageerd en is hij daaraan niet tegemoet gekomen.

2. Loop van het geding

2.1 Op 27 mei 2003 is belanghebbende is van de bovenvermelde afwijzende reactie in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 31. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 26 maart 2004, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1 Het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslagen, de daarbij opgelegde boeten en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente, is gedateerd 21 januari 2003 en strekt gemotiveerd tot vernietiging van de navorderingsaanslagen, de boeten en de heffingsrente, althans tot vermindering daarvan tot op nihil. Voorts wordt verzocht om toekenning van een vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

3.2 Hierna heeft zich tussen partijen de volgende briefwisseling voorgedaan.

3.3 Twee gelijkluidende brieven van 31 januari 2003 van de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende, welke - voor zover thans van belang - luiden:

" Betreft

Ontvangstbevestiging bezwaarschrift

(...)

Op 22 januari 2003 heb ik uw brief van 21 januari 2003 ontvangen waarin u namens uw cliënt X (...) bezwaar maakt tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1990, [vermogensbelasting 1991].

(...)

Uw bezwaarschrift is tijdig ingediend.

Motivering

Uw bezwaar is voldoende gemotiveerd om het in behandeling te kunnen nemen. Ik breng echter het volgende onder uw aandacht.

Behandeling

De Belastingdienst is zich bewust van het bestaan van een aantal verschillen van inzicht tussen Inspecteur en belanghebbenden in het kader van het rekeningenproject. In de meeste gevallen gaat het daarbij om vragen over de volgende fiscaal juridische onderwerpen;

- de (on)rechtmatigheid van het gebruik van informatie door de Inspecteur;

- het al dan niet handelen door de Inspecteur in strijd met de algemene beginselen van bestuur;

- het recht van de Inspecteur om een boete op te leggen en de hoogte van die boete

- de toepasselijkheid van de inkeerbepaling

Momenteel voeren Belastingdienst en A N.V. vanuit een oogpunt van proceseconomie overleg teneinde op een zo kort mogelijke termijn de bovengenoemde geschilpunten voor te leggen aan de fiscale rechter.

Voor meer informatie met betrekking tot dat overleg en die procedures kunt u terecht op de volgende websites:

(...)

Ik verzoek u mij te berichten of u instemt met het aanhouden van uw bezwaar totdat op deze procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan.

Indien u instemt met het aanhouden van uw bezwaar zal ik u na het onherroepelijk worden van de uitspraken van voornoemde procedures in de gelegenheid stellen om te worden gehoord. In dat kader kunt u dan uw bezwaar nader toelichten.

(...)

Ik verzoek u mij binnen twee weken na dagtekening van deze brief uw reactie op het bovenstaande te laten weten."

3.4 Daarop heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 11 februari 2003 gereageerd. De tekst van deze brief luidt - voor zover thans van belang -:

" Inzake: X/Fiscus

(...)

In uw brieven d.d. 31 januari jl. verzoekt U mij in te stemmen met een aanhouding van het bezwaar totdat in een aantal geselecteerde zaken onherroepelijk uitspraak is gedaan.

Nu een aanslag met een boete is opgelegd, heeft belanghebbende recht op een spoedige afwikkeling van het ingediende bezwaar. Daarbij rijst de vraag welk concreet belang bestaat aan de zijde van de Belastingdienst bij het verzoek om instemming door de belastingplichtige. In afwijking van de Awb hebt U al het recht de uitspraak op bezwaar een jaar aan te houden (art. 25 AWR). Daarenboven zal in het kader van het rekeningenproject de afdoeningsperiode ingevolge art. 25, lid 2 AWR waarschijnlijk nogmaals met een jaar (kunnen) worden verlengd. Uw verzoek om instemming lijkt daarmee eerst opportuun over twee jaren, als op dat moment de in uw brief genoemde procedures nog niet zijn afgerond.

Gaarne verneem ik nog welke concreet belang bestaat bij instemming, zodat ik Uw verzoek met mijn cliënt kan bespreken.

(...)"

3.5 De hiervoor in 1.5 genoemde brief van 10 april 2003 van de gemachtigden van belanghebbende aan de Inspecteur welke - voor zover thans van belang - luidt:

" Inzake: X/Fiscus

(...)

In het kader van het namens cliënt, de heer X, ingediende bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vermogensbelasting over 1990 respectievelijk 1991 doen wij U bijgaand een afschrift van het arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 12 maart jl. toekomen. Hierin is in een vergelijkbare zaak geoordeeld dat de Belastingdienst niet voldoet aan zijn bewijslast, hetgeen dient te leiden tot een vernietiging van de aanslagen en boeten.

Mede op grond daarvan verzoeken wij U de opgelegde aanslagen en boeten in opgemelde zaak te vernietigen."

3.6 De hiervoor in 1.6 genoemde brief van 18 april 2003 van de Inspecteur aan de gemachtigden van belanghebbende welke - voor zover thans van belang - luidt:

" Betreft:

Buitenlandse rekeningen / X

(...)

Naar aanleiding van uw schrijven van 10 april 2003 deel ik het volgende mede.

U verzoekt de aan uw cliënt(e) opgelegde navorderingsaanslag(en) en boeten te vernietigen.

In deze brief reageer ik op uw verzoek, maar deze reactie is geen uitspraak op bezwaar

Aanleiding voor uw verzoek is uw beroep op het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 12 maart 2003. U stelt dat het Hof heeft "geoordeeld dat de Belastingdienst niet voldoet aan zijn bewijslast, hetgeen dient te leiden tot een vernietiging van de aanslagen en boeten.

beslissing op uw verzoek

Ik kom aan uw verzoek niet tegemoet.

motivering

De door u genoemde uitspraak is er een in een individueel geval. Deze zaak wordt door de Belastingdienst niet als uitgangspunt genomen. De Belastingdienst heeft er vertrouwen in dat een volgende vergelijkbare zaak een andere uitspraak zal opleveren.

Overigens heeft het Gerechtshof geenszins uitgesproken dat de aanslagen en boeten moeten worden vernietigd."

3.7 In een brief van 23 april 2003 hebben de gemachtigden van belanghebbende aan de Inspecteur te kennen gegeven "behoudens een overtuigende reactie van de Inspecteur" de brief van 18 april 2003 op te vatten als een uitspraak op het bezwaar. Hierop heeft de Inspecteur bij brief van 19 mei 2003 gereageerd.

3.8 Naar de Inspecteur ter zitting heeft meegedeeld, is de termijn voor het doen van uitspraak op het bezwaarschrift niet verdaagd.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 In geschil is primair of - zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur bestrijdt - belanghebbende in het beroep kan worden ontvangen.

4.2 Hiertoe heeft belanghebbende zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat in de brief van 18 april 2003 van de Inspecteur een of meer uitspraken zijn vervat waartegen beroep openstaat bij de belastingrechter. Volgens de Inspecteur is zulks niet het geval.

4.3 Voor het geval dat standpunt van belanghebbende wordt verworpen, neemt hij het standpunt in dat het beroep moet worden geacht te zijn gericht tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het in 1.4 genoemde bezwaarschrift, welk standpunt door de Inspecteur wordt bestreden met het argument dat ten tijde dat het beroepschrift is ingediend de termijn voor het doen van uitspraak nog niet was verstreken.

4.4 Voor het geval ook dat standpunt van belanghebbende wordt verworpen, stelt hij zich op het standpunt dat artikel 6 van het EVRM hem een zelfstandig recht op toegang tot de rechter garandeert, zonder dat het nationale recht daaraan in de weg kan staan. De Inspecteur is in dit verband van mening dat genoemd verdragsartikel niet wordt geschonden als belanghebbende in dit beroep niet wordt ontvangen.

4.5 Indien het beroep ontvankelijk is, is in geschil of de navorderingsaanslagen en de beschikkingen inzake de boeten en inzake de in rekening gebrachte bedragen aan heffingsrente in stand kunnen blijven, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.6 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

5. Beoordeling van het beroep

5.1 Mede gelet op de voorafgaande correspondentie tussen partijen blijkt uit de inhoud van de brief van 18 april 2003 van de Inspecteur duidelijk dat die uitsluitend een reactie is op de brief van belanghebbende van 10 april 2003, dit om deze laatstgenoemde brief niet onbeantwoord te laten. Redelijkerwijs is er echter niet in te lezen dat de Inspecteur daarmee zijn standpunt omtrent de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen en de beschikkingen definitief had bepaald.

5.2 Mitsdien is in de brief van 18 april 2003 van de Inspecteur geen uitspraak vervat waartegen ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Awr, beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof. Evenmin is sprake van een geval als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, of van een geval als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, van de Awb.

5.3 Ten tijde dat het beroep is ingesteld (op 27 mei 2003), was de termijn van een jaar na 22 januari 2003 (de datum van ontvangst van het bezwaarschrift) waarbinnen de Inspecteur daarop ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Awr, uitspraak moest doen nog niet verstreken, zodat ook artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, geen toepassing vindt.

5.4 De omstandigheid, dat de termijn waarbinnen de Inspecteur uitspraak moest doen op 22 januari 2004 was verstreken zonder dat aan die verplichting was voldaan, brengt niet mee dat sedertdien het op 27 mei 2003 ingestelde beroep - bijvoorbeeld om redenen van proceseconomie - moet worden geacht te zijn gericht tegen het niet tijdig doen van uitspraak door de Inspecteur.

5.5 Het vorenoverwogene betekent dat belanghebbende niet in het beroep kan worden ontvangen.

5.6 Dit oordeel houdt niet in dat belanghebbende van de rechter wordt afgehouden, aangezien daarmee het in de wet verankerde recht om beroep in te stellen in geen enkel opzicht wordt beperkt of aan belanghebbende wordt ontzegd. Het in 4.3 genoemde standpunt van belanghebbende is derhalve niet concludent.

5.7 Aan de behandeling van de materiële geschilpunten kan in dit geding niet worden toegekomen.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 7:15, 8:73 of 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in het beroep.

Deze uitspraak is vastgesteld op 6 mei 2004 door mrs. Sanders, Tromp en Beelen. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Riel.

(Van Riel)

(Sanders)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Als deze uitspraak onherroepelijk vaststaat zal het voor deze zaak gestorte griffierecht door de griffier van het gerechtshof worden teruggegeven.

??

nummer BK-03/01579 blz. 8/8