Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO9422

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-05-2004
Datum publicatie
13-05-2004
Zaaknummer
BK-03/01578
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting/Vermogensbelasting. Mede gelet op de voorafgaande correspondentie tussen partijen en de inhoud van de brief van de Inspecteur kan de brief van de Inspecteur niet worden aangemerkt als een uitspraak waartegen ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Awr, beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:2, geldigheid: 2004-05-06
Algemene wet inzake rijksbelastingen 25, geldigheid: 2004-05-06
Algemene wet inzake rijksbelastingen 26, geldigheid: 2004-05-06
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0915

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

vierde meervoudige belastingkamer

6 mei 2004

nummer BK-03/01578

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de in een brief van 22 april 2003 vervatte beslissing van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de regio P van de Belastingdienst, om niet tegemoet te komen aan een verzoek, strekkende tot vernietiging van na te noemen navorderingsaanslagen en beschikkingen.

1. Navorderingsaanslagen, beschikkingen en bezwaar

1.1 Blijkens twee aanslagbiljetten, gedagtekend 31 december 2002, zijn aan belanghebbende navorderingsaanslagen opgelegd, onderscheidenlijk in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1990 en in de vermogensbelasting voor het jaar 1991. Deze navorderingsaanslagen hebben een beloop van respectievelijk € 12.848 en € 3.664.

1.2 Daarbij heeft de Inspecteur, bij beschikkingen in de zin van artikel 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), telkens een boete aan belanghebbende opgelegd ten belope van 50 percent van de nagevorderde belasting.

1.3 Voorts heeft de Inspecteur in elk van beide gevallen een bedrag aan heffingsrente aan belanghebbende in rekening gebracht en het beloop daarvan bij voor bezwaar vatbare beschikking vastgesteld.

1.4 Bij brief van 30 december 2002 heeft de gemachtigde van belanghebbende tegen de voornoemde navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1990, de daarbij opgelegde boete en het daarbij in rekening gebrachte bedrag aan heffingsrente bezwaar gemaakt.

1.5 Bij brief van 10 april 2003 heeft de gemachtigde, onder verwijzing naar een bijgevoegd afschrift van een uitspraak van de belastingrechter te 's-Gravenhage, de Inspecteur verzocht de aan belanghebbende opgelegde aanslagen en boeten te vernietigen.

1.6 Bij brief van 22 april 2003 heeft de Inspecteur wat betreft de in 1.1 genoemde navorderingsaanslagen en boeten afwijzend op dat verzoek gereageerd en is hij daaraan niet tegemoet gekomen.

2. Loop van het geding

2.1 Op 27 mei 2003 is belanghebbende is van de bovenvermelde afwijzende reactie in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 31. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 26 maart 2004, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1 Het bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1990, de daarbij opgelegde boete en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente, is gedateerd 30 december 2002 en strekt gemotiveerd tot vernietiging van de navorderingsaanslag, de boete en de heffingsrente, althans tot vermindering daarvan tot op nihil. Voorts wordt verzocht om toekenning van een vergoeding van proceskosten als bedoeld in artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

3.2 Hierna heeft zich tussen partijen de volgende briefwisseling voorgedaan.

3.3 Een brief van 31 januari 2003 van de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende, welke - voor zover thans van belang - luidt:

" Betreft

Ontvangstbevestiging bezwaarschrift

(...)

Op 31 december 2002 heb ik uw brief van 30 december 2002 ontvangen waarin u namens uw cliënt X (...) bezwaar maakt tegen de aanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1990.

(...)

Uw bezwaarschrift is tijdig ingediend.

Uw bezwaar is voldoende gemotiveerd om het in behandeling te kunnen nemen. Ik breng echter het volgende onder uw aandacht.

De Belastingdienst is zich bewust van het bestaan van een aantal verschillen van inzicht tussen de inspecteur en belanghebbenden in het kader van het rekeningenproject. In de meeste gevallen gaat het daarbij om vragen over de volgende fiscaal juridische onderwerpen;

- de (on)rechtmatigheid van het gebruik van informatie door de inspecteur;

- het al dan niet handelen door de inspecteur in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;

- het recht van de inspecteur om een boete op te leggen en de hoogte van die boete

- de toepasselijkheid van de inkeerbepaling

Momenteel voeren Belastingdienst en A N.V. vanuit een oogpunt van proceseconomie overleg teneinde op een zo kort mogelijke termijn de bovengenoemde geschilpunten voor te leggen aan de fiscale rechter.

Voor meer informatie met betrekking tot dat overleg en die procedures kunt u terecht op de volgende websites:

(...)

Ik verzoek u mij te berichten of u instemt met het aanhouden van uw bezwaar totdat op deze procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan.

Indien u instemt met het aanhouden van uw bezwaar zal ik u na het onherroepelijk worden van de uitspraken van voornoemde procedures in de gelegenheid stellen om te worden gehoord. In dat kader kunt u dan uw bezwaar nader toelichten.

(...)

Ik verzoek u mij binnen twee weken na dagtekening van deze brief uw reactie op het bovenstaande te laten weten."

3.4 Daarop (en kennelijk tevens op een gelijkluidende brief van de Inspecteur betreffende de vermogensbelasting voor het jaar 1991) heeft de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 11 februari 2003 in afwijzende zin gereageerd. De tekst van deze brief luidt - voor zover thans van belang -:

" Inzake: X/Fiscus

(...)

In uw brieven d.d. 31 januari jl. verzoekt U cliënt in te stemmen met een aanhouding van de bezwaarschriften tegen de aanslagen inkomsten- en vermogensbelasting 1990/1991 totdat in een aantal geselecteerde zaken onherroepelijk uitspraak is gedaan.

In afwijking van de Awb heeft U een jaar de tijd op de bezwaren te beslissen (art. 25 AWR). Deswege ziet cliënt de noodzaak niet met Uw voorstel in te stemmen. Nu een aanslag met een boete is opgelegd, heeft belanghebbende juist recht op een spoedige afwikkeling van het ingediende bezwaar.

(...)"

3.5 Een brief van 12 febuari 2003 van de Inspecteur aan de gemachtigde van belanghebbende welke - voor zover thans van belang - luidt:

" Betreft

Inroepen 1-jaarstermijn

(...)

Op 11 februari 2003 ontving ik uw reactie.

U geeft geen toestemming tot het aanhouden van uw bezwaarschrift (...).

Ik deel u mee dat op grond van artikel 25, lid 1 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) de termijn voor de afdoening van een bezwaar een jaar na de ontvangst van het bezwaar is.

Ik zal voorlopig nog geen uitspraak doen op uw bezwaar. De reden hiervoor is dat ik wil wachten op de uitkomsten van andere procedures welke gevoerd zullen worden over een aantal belangrijke, en voor uw bezwaar relevante, rechtsvragen welke spelen binnen het rekeningenproject.

Zodra ik de uitkomsten van die procedures ken neem ik contact met u op.

Voor de volledigheid merk ik op dat de termijn van 1 jaar eventueel nog verlengd kan worden."

3.6 De hiervoor in 1.5 genoemde brief van 10 april 2003 van de gemachtigden van belanghebbende aan de Inspecteur welke - voor zover thans van belang - luidt:

" Inzake: X/Fiscus

(...)

In goede orde ontvingen wij uw brief waarin u het vezoek om aanhouding toelicht.

Hieruit maken wij op dat U in ieder geval voornemens bent de namens cliënt ingediende bezwaarschriften aan te houden tot er in de proefprocedure op een aantal hoofdvragen is beslist. Terecht constateert U dat cliënt niet wenst in te stemmen met een aanhouding. Nu aanslagen met boeten zijn opgelegd, heeft belanghebbende juist recht op een spoedige afwikkeling van het ingediende bezwaar.

Voorts leidt cliënt uit Uw brief af dat ook door U aan de rechtmatig- en juistheid van de aanslagen ernstig getwijfeld wordt. Dat deze (deels) in stand zullen blijven, staat dus geenszins vast. Bijgaand ontvangt U een afschrift van een uitspraak van de belastingrechter te 's-Gravenhage. Deze oordeelt in een vergelijkbare zaak dat de Belastingdienst niet voldoet aan zijn bewijslast, hetgeen dient te leiden tot een vernietiging van de aanslagen en boeten.

Mede op grond daarvan verzoeken wij U de opgelegde aanslag(en) en boeten in opgemelde zaak te vernietigen.

Tenslotte gaan wij er voorshands van uit dat cliënt gedurende de aanhouding - behoudens ingeval van verstrijken van termijnen - niet (opnieuw) wordt geconfronteerd met (navorderings)aanslagen (en boeten)."

3.7 De hiervoor in 1.6 genoemde brief van 22 april 2003 van de Inspecteur aan de gemachtigden van belanghebbende welke - voor zover thans van belang - luidt:

" Betreft:

Uw brief van 10 april 2003

(...)

In antwoord op uw brief van 10 april 2003 deel ik u het volgende mede.

U verzoekt de aan uw cliënt X (...) opgelegde navorderingsaanslag(en) inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 1990 en vermogensbelasting 1991 en boeten te vernietigen.

In deze brief reageer ik op uw verzoek, maar deze reactie is geen uitspraak op bezwaar

Aanleiding voor uw verzoek is uw beroep op het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 12 maart 2003. U stelt dat het Hof heeft "geoordeeld dat de Belastingdienst niet voldoet aan zijn bewijslast, hetgeen dient te leiden tot een vernietiging van de aanslagen en de boeten.

beslissing op uw verzoek

Ik kom niet aan uw verzoek tegemoet.

motivering

De door u genoemde uitspraak is er een in een individueel geval. Deze zaak wordt door de Belastingdienst niet als uitgangspunt genomen. De Belastingdienst heeft er vertrouwen in dat een volgende vergelijkbare zaak een andere uitspraak zal opleveren.

Overigens heeft het Gerechtshof geenszins uitgesproken dat de aanslagen en boeten moeten worden vernietigd."

3.8 In een brief van 23 april 2003 hebben de gemachtigden van belanghebbende aan de Inspecteur te kennen gegeven "behoudens een overtuigende reactie van de Inspecteur" de brief van 22 april 2003 op te vatten als een uitspraak op het bezwaar. Hierop heeft de Inspecteur bij brief van 11 juni 2003 gereageerd.

3.9 Naar de Inspecteur ter zitting heeft meegedeeld, heeft de Staatssecretaris van Financiën hem bij brief van 6 januari 2004 toestemming gegeven de - inmiddels verstreken - termijn voor het doen van uitspraak op het bezwaarschrift te verdagen tot uiterlijk 31 december 2004.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 In geschil is primair of - zoals belanghebbende stelt en de Inspecteur bestrijdt - belanghebbende in het beroep kan worden ontvangen.

4.2 Hiertoe heeft belanghebbende zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat in de brief van 22 april 2003 van de Inspecteur een of meer uitspraken zijn vervat waartegen beroep openstaat bij de belastingrechter. Volgens de Inspecteur is zulks niet het geval.

4.3 Voor het geval dat standpunt van belanghebbende wordt verworpen, neemt hij het standpunt in dat het beroep moet worden geacht te zijn gericht tegen het niet tijdig doen van uitspraak op de in 1.4 genoemde bezwaarschriften, welk standpunt door de Inspecteur wordt bestreden met het argument dat ten tijde dat het beroepschrift is ingediend de termijn voor het doen van uitspraak nog niet was verstreken.

4.4 Voor het geval ook dat standpunt van belanghebbende wordt verworpen, stelt hij zich op het standpunt dat artikel 6 van het EVRM hem een zelfstandig recht op toegang tot de rechter garandeert, zonder dat het nationale recht daaraan in de weg kan staan. De Inspecteur is in dit verband van mening dat genoemd verdragsartikel niet wordt geschonden als belanghebbende in dit beroep niet wordt ontvangen.

4.5 Indien het beroep ontvankelijk is, is in geschil of de navorderingsaanslagen en de beschikkingen inzake de boeten en inzake de in rekening gebrachte bedragen aan heffingsrente in stand kunnen blijven, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

4.6 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

4.7 Op grond van de inhoud van de gedingstukken en het ter zitting verhandelde gaat het Hof ervan uit dat de feiten die hiervoor onder 3 zijn vermeld ook gelden aangaande de navorderingsaanslag in de dividendbelasting voor het jaar 1991, de daarbij opgelegde boete en de daarbij in rekening gebrachte heffingsrente.

5. Beoordeling van het beroep

5.1 Mede gelet op de voorafgaande correspondentie tussen partijen blijkt uit de inhoud van de brief van 22 april 2003 van de Inspecteur duidelijk dat die uitsluitend een reactie is op de brief van belanghebbende van 10 april 2003, dit om deze laatstgenoemde brief niet onbeantwoord te laten. Redelijkerwijs is er echter niet in te lezen dat de Inspecteur daarmee zijn standpunt omtrent de bezwaren tegen de navorderingsaanslagen en de beschikkingen definitief had bepaald.

5.2 Mitsdien is in de brief van 22 april 2003 van de Inspecteur geen uitspraak vervat waartegen ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Awr, beroep kan worden ingesteld bij het gerechtshof. Evenmin is sprake van een geval als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en onder a, of van een geval als bedoeld in artikel 6:10, eerste lid, van de Awb.

5.3 Ten tijde dat het beroep is ingesteld (op 27 mei 2003), was de termijn van een jaar na 31 december 2002 (de datum van ontvangst van de bezwaarschriften) waarbinnen de Inspecteur daarop ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Awr, uitspraak moest doen nog niet verstreken, zodat ook artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, geen toepassing vindt.

5.4 De omstandigheid, dat de termijn waarbinnen de Inspecteur uitspraak moest doen op 31 december 2003 was verstreken zonder dat aan die verplichting was voldaan, brengt niet mee dat sedertdien het op 27 mei 2003 ingestelde beroep - bijvoorbeeld om redenen van proceseconomie - moet worden geacht te zijn gericht tegen het niet tijdig doen van uitspraak door de Inspecteur.

5.5 Het vorenoverwogene betekent dat belanghebbende niet in het beroep kan worden ontvangen.

5.6 Dit oordeel houdt niet in dat belanghebbende van de rechter wordt afgehouden, aangezien daarmee het in de wet verankerde recht om beroep in te stellen in geen enkel opzicht wordt beperkt of aan belanghebbende wordt ontzegd. Het in 4.3 genoemde standpunt van belanghebbende is derhalve niet concludent.

5.7 Aan de behandeling van de materiële geschilpunten kan in dit geding niet worden toegekomen.

6. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 7:15, 8:73 of 8:75 van de Awb.

7. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in het beroep.

Deze uitspraak is vastgesteld op 6 mei 2004 door mrs. Sanders, Tromp en Beelen. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Riel.

(Van Riel)

(Sanders)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Als deze uitspraak onherroepelijk vaststaat zal het voor deze zaak gestorte griffierecht door de griffier van het gerechtshof worden teruggegeven.

??

nummer BK-03/01578 blz. 9/9