Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO9411

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-04-2004
Datum publicatie
13-05-2004
Zaaknummer
2200409903
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2003:AH9330
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 14 jaar gevangenisstraf wegens moord, poging tot doodslag en poging tot moord, openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 1005001703

datum uitspraak 27 april 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 7 juli 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 16 december 2003 en 13 april 2004.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 6 primair en 6 subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1 impliciet primair, 2 impliciet primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren met aftrek van voorarrest.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 impliciet primair ten aanzien van [naam] [naam], onder 6 primair en onder 6 subsidiair is tenlastegelegd. De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

Het hof overweegt dienaangaande ten aanzien van de onder 2 impliciet primair tenlastegelegde poging tot moord op [naam] [naam] meer in het bijzonder nog het navolgende.

Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad dient vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Naar het oordeel van het hof vindt de in de appelmemorie door de officier van justitie verwoorde en ook door de advocaat-generaal bij requisitoir ingenomen stelling, inhoudende dat de verdachte en zijn broers in hun Mercedes op "jacht" waren naar leden van "de groep [naam]" en de voorbedachte raad om onder meer [naam] [naam] van het leven te beroven zich reeds tijdens deze "jacht" heeft gevormd - hetgeen door de verdachte wordt ontkend -, onvoldoende steun in de voorhanden bewijsmiddelen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de verdachte - nadat zijn broer [naam] diverse auto's op de Bergweg te Rotterdam had ingehaald en, volgens hem door de verkeerssituatie daartoe gedwongen, ter hoogte van "Correct" rechts was ingevoegd en gestopt op het moment dat hij de eveneens op die Bergweg rijdende en door [naam] [naam] bestuurde Volkswagen Golf was gepasseerd - uit de Mercedes is gestapt en vrijwel direct op de voorruit van de Volkswagen Golf heeft geschoten, daarbij de nog achter het stuur zittende [naam] [naam] in diens linkerhand treffend. Dat de verdachte alstoen na kalm beraad en rustig overleg - en dus anders dan in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling - heeft gehandeld is niet gebleken.

6. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, onder 2 impliciet subsidiair ten aanzien van [naam] [naam], onder 2 impliciet primair ten aanzien van Yassine [naam], onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

hij op 20 februari 2003 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd F. [naam] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen kogels op die [naam] afgevuurd, tengevolge waarvan voornoemde [naam] is overleden;

2.

hij op 20 februari 2003 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd O. [naam] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen kogels op die [naam] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

hij op 20 februari 2003 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd Y. [naam] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met een vuurwapen kogels op die [naam] heeft afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 20 februari 2003 te Rotterdam op de openbare weg, de Bergweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen Y. [naam], welk geweld bestond uit het meermalen schoppen en/of trappen van die [naam] en het slaan met een vuurwapen op het hoofd van die [naam];

4.

hij op 20 februari 2003 te Rotterdam munitie van categorie III, te weten 13 patronen van het kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad;

5.

hij op 20 februari 2003 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een revolver van het merk Perfecta, kaliber 4 mm, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en

omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

8. Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 en onder 2 impliciet primair ten aanzien van Yassine [naam] bewezenverklaarde

Uit verklaringen van diverse ooggetuigen blijkt, evenals uit de op 22 februari 2003 door [naam] tegenover de politie afgelegde verklaring, dat de verdachte, nadat hij meerdere kogels op [naam] [naam] had afgevuurd, zowel achter Fouad [naam] als achter Yassine [naam] is aangegaan en daarbij ook meerdere kogels op hen heeft afgevuurd, ten gevolge waarvan Fouad [naam] is overleden en Yassine [naam] zwaar gewond is geraakt.

Gegeven het feit dat de verdachte zich reeds schuldig had gemaakt aan een poging tot doodslag op [naam] [naam] en gegeven de omstandigheid dat hij vervolgens successievelijk Fouad [naam] en Yassine [naam] heeft achtervolgd, staat naar het oordeel van het hof vast dat de verdachte de tijd had zich te beraden op de door hem te nemen en metterdaad genomen besluiten zijn vuurwapen ook tegen beide laatstgenoemden te gebruiken, zodat voor hem de gelegenheid heeft bestaan over de betekenis en de gevolgen van deze voorgenomen daden na te denken en zich daarvan rekenschap te geven, reden waarom het hof bewezen acht dat de verdachte in zoverre met voorbedachte raad heeft gehandeld.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1. moord;

2. poging tot doodslag;

en

poging tot moord;

3. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

4. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

5. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

10. Strafbaarheid van de verdachte

De raadsman van de verdachte heeft, voor het geval het hof tot een bewezenverklaring zou komen ter zake van de tenlastegelegde poging tot doodslag op [naam] [naam], ter terechtzitting van 13 april 2004 een beroep gedaan op putatief noodweer, stellende - kort gezegd - dat de verdachte op [naam] [naam] heeft geschoten omdat hij een vuurwapen in diens hand meende te zien.

Dit verweer wordt door het hof verworpen, aangezien geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat [naam] [naam] een vuurwapen in zijn hand had, ook niet indien rekening wordt gehouden met de gebeurtenissen zoals deze zich vanaf medio september 2002 volgens de verdachte tussen hem en zijn broers enerzijds en "de groep [naam]" anderzijds hebben afgespeeld, aangezien uit geen van de ter zake door de verdachte en zijn broers afgelegde verklaringen naar voren komt dat [naam] [naam] ooit gewelddadig jegens de verdachte en/of zijn broers is opgetreden.

De verdachte is mitsdien, nu ook overigens geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die tot een andere conclusie dienen te leiden, strafbaar.

11. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Van der Horst heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 impliciet primair, 2 impliciet primair, 3, 4, 5 en 6 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft, na een eerdere onenigheid met een rivaliserende groep, zonder enige noodzaak bewust de confrontatie met leden van die groep gezocht door met een geladen vuurwapen uit een auto te stappen en dit vuurwapen direct daarop op drie personen van die groep te richten en vanaf korte tot betrekkelijk korte afstand te schieten. Hij heeft, door aldus te handelen, welbewust een medemens van het leven beroofd en getracht twee anderen eveneens van het leven te beroven. Het is slechts aan het toeval te danken dat laatstbedoelde slachtoffers niet evenzeer tengevolge van verdachtes handelen zijn overleden.

De verdachte heeft aldus op brute wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en de nabestaanden van het overleden slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht. Daarenboven heeft de verdachte niet geschroomd om, tezamen met twee mededaders, één van de slachtoffers, nadat deze reeds door de verdachte was neergeschoten en weerloos op de grond lag, nog te schoppen en/of te trappen en met het door hem eerder gebruikte vuurwapen op het hoofd te slaan. De verdachte heeft door zijn handelwijze bovendien de veiligheid van het ter plekke aanwezige publiek - het schietincident vond immers plaats op klaarlichte dag in een drukke winkelstraat - op grove wijze in gevaar gebracht. Dergelijke geweldsdelicten schokken de rechtsorde zeer en dragen in hoge mate bij aan gevoelens van onveiligheid en angst bij de burgers, met name bij hen die van het vuurwapengeweld getuige zijn geweest. Het hof rekent een en ander de verdachte zwaar aan.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 3 februari 2004, eerder is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten, terwijl de verdachte ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten bovendien in een proeftijd liep van een eerdere veroordeling, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is dan ook, al het vorenstaande in aanmerking nemend en mede rekening houdend met de onder 4 en 5 bewezenverklaarde feiten, van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 57, 141, 287 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 impliciet primair ten aanzien van O. [naam], het onder 6 primair en het onder 6 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, het onder 2 impliciet primair ten aanzien van Y. [naam], het onder 2 impliciet subsidiair ten aanzien van O. [naam] en het onder 3, 4 en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VEERTIEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs. E. Fockema Andreae-Hartsuiker, L.A.J.M. van Dijk en C.M.P. Flint-van Noort,

in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 april 2004.