Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO9403

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
13-05-2004
Zaaknummer
2200194003
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van buiten het grondgebied van Nederland brengen van aanzienlijke hoeveelheden heroïne, alsmede aan het plegen van voorbereidingshandelingen strekkende tot een dergelijk feit en het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid heroïne.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2004-05-04
Opiumwet 10, geldigheid: 2004-05-04
Wetboek van Strafvordering 126ff, geldigheid: 2004-05-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer 0900403002

datum uitspraak 4 mei 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 12 december 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 28 januari 2004 en 21 april 2004.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat en zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de inleidende dagvaarding, de vordering nadere omschrijving tenlastelegging en de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Bespreking van de verweren en verzoeken

4.1. De raadsvrouw heeft bij pleidooi aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging nu, zakelijk weergegeven, het onderzoek tegen [naam] en de medeverdachte [naam] op onrechtmatige wijze is aangevangen. De raadsvrouw heeft daartoe in de punten 1 tot en met 4 van haar pleitnota de gronden uiteengezet waarop zij deze stelling baseert. Onder andere heeft zij aangevoerd dat ten tijde van de aanvang van het opsporingsonderzoek tegen [naam] onderscheidenlijk [naam] geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld tegen dezen, terwijl uit afgeluisterde telefoongesprekken tussen hen beiden gegevens naar voren zijn gekomen die uiteindelijk bewijsmateriaal opleverden tegen de verdachte, welke onrechtmatigheid -aldus de raadsvrouw- doorwerkt in de zaak tegen de verdachte.

4.2 Het hof overweegt omtrent het gevoerde verweer dat de verdachte - nu hij door de gestelde onrechtmatigheid van de jegens de medeverdachte [naam] ingezette opsporingsmethoden niet in zijn (grond)rechten is bekort - geen beroep op die gestelde onrechtmatigheid toekomt. Het hof verwerpt het gevoerde verweer.

4.3 Voorts heeft de raadsvrouw onder punt 5 van haar pleitnota aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging vanwege het handelen in strijd met artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering.

4.4 Het hof verwerpt ook dit verweer, reeds omdat het hof niet vermag in te zien in welk rechtens te respecteren belang de verdachte door de gestelde verzuimen zou zijn getroffen.

4.5 Op grond van het hiervoor onder 4.3 en 4.4 overwogene is het hof van oordeel dat van de door de raadsvrouw tevens gestelde schending van artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest.

Het hof is dan ook van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

4.6 De raadsvrouw heeft ter terechtzitting kenbaar gemaakt haar d.d. 28 januari 2004 gedane verzoeken met betrekking tot het onderzoek in het Verenigd Koninkrijk te handhaven, maar heeft daarvoor geen nieuwe gronden aangevoerd. Het hof handhaaft derhalve zijn op genoemde datum ter zake genomen beslissing.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 5 is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

7. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

8. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 primair en 2 primair: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

3 primair: Om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

4: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Renckens heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene zoals vermeld in het vonnis.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van buiten het grondgebied van Nederland brengen van aanzienlijke hoeveelheden heroïne, alsmede aan het plegen van voorbereidingshandelingen strekkende tot een dergelijk feit en het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid heroïne. Deze delicten leiden tot de verspreiding en het gebruik van heroïne, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en waardoor het plegen van vermogensdelicten door de gebruikers, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen, wordt bevorderd. Dit is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Ook vanuit internationaal perspectief verdient de handel in drugs een strenge aanpak.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

12. Beslag

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de nummers 1, 5, 14 en 15 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het feit is begaan, dan wel zijn aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek en kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke feiten terwijl de voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de nummers 2, 3, 6, 7, 8 en 9 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, dienen eveneens te worden

onttrokken aan het verkeer, aangezien deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met betrekking tot deze voorwerpen, naar het hof bij deze vaststelt, strafbare feiten, te weten verboden bezit van wapens en munitie, zijn begaan.

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de nummers 10 t/m 13 en 16 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zullen worden verbeurdverklaard, aangezien het hierbij om voorwerpen gaat met betrekking waartoe het onder 3 bewezenverklaarde feit is begaan, dan wel met behulp van deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn voorbereid en/of begaan.

Bij de vaststelling van de bijkomende straf van verbeurdverklaring is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Ten aanzien van nummer 4 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 (oud), 10 (oud), 10a en 13a van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 5 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de nummers 1 t/m 3, 5 t/m 9, 14 en 15 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Verklaart verbeurd de nummers 10 t/m 13 en 16 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave van nummer 4 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen aan de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mrs. Oosterhof, Aler en Heemskerk, in bijzijn van de griffier mr. Van den Broek.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 mei 2004.

Mr. Heemskerk is buiten staat dit arrest te ondertekenen.