Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO9376

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-04-2004
Datum publicatie
13-05-2004
Zaaknummer
2200175403
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2003:AF6136
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. De raadsman van de verdachte heeft hiertoe ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie door de auto waarin het strafbare feit heeft plaatsgevonden in een zeer vroeg stadium te laten vernietigen, waardoor de verdediging geen onderzoekshandelingen heeft kunnen verrichten, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat op deze wijze een door de verdediging als cruciaal betiteld bewijsstuk verloren is gegaan alsmede dat de waarheidsvinding in deze zaak zodoende onherstelbaar is belemmerd.

Het hof heeft het verweer verworpen en verdachte wegen medeplegen van moord veroordeeld tot 4 jaar gevangenisstraf

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 289
Wetboek van Strafvordering 359a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 0975739601

datum uitspraak 23 april 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tege[naam] vonnis van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 21 maart 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 12 december 2003, 6 februari 2004, 12 maart 2004 en 9 april 2004.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht , met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis en met beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader in het vonnis omschreven.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

4.1 Van de zijde van de verdediging is een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. De raadsman van de verdachte heeft hiertoe ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het openbaar ministerie door de auto waarin het strafbare feit heeft plaatsgevonden in een zeer vroeg stadium te laten vernietigen, waardoor de verdediging geen onderzoekshandelingen heeft kunnen verrichten, de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat op deze wijze een door de verdediging als cruciaal betiteld bewijsstuk verloren is gegaan alsmede dat de waarheidsvinding in deze zaak zodoende onherstelbaar is belemmerd. Dat er afstand van de bedoelde auto is gedaan, doet hier volgens de raadsman van de verdachte niet aan af. Volgens de raadsman is de verdachte door deze gang van zaken in zijn verdedigingsbelangen geschaad en dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk in de vervolging te worden verklaard.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat er om dezelfde redenen strijd is met het beginsel van een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 EVRM, aangezien er voor de verdachte sprake is van een belemmering in de uitoefening van zijn verdedigingsrechten - in casu het recht op een tegenonderzoek. Het gevolg hiervan moet zijn dat - nu deze strijd met het EVRM geheel te wijten is aan het openbaar ministerie - het openbaar ministerie primair niet-ontvankelijk wordt verklaard in de tegen de verdachte ingestelde vervolging. Subsidiair dient al het materiaal dat is verzameld of vergaard uit het betreffende voertuig van het bewijs uitgesloten te worden.

4.2. Bij de beoordeling van de verweren van de raadsman dient vooropgesteld te worden dat de desbetreffende auto, een Ford Escort, kenteken [kenteken], nadat deze in uitgebrande staat was aangetroffen door de technische recherche aan een uitgebreid onderzoek is onderworpen. Uit het door de technische rechercheurs [namen] op 23 december 2001 opgemaakt proces-verbaal blijkt dat een aantal onderdelen van die auto als stuk van overtuiging ( SVO) is veiliggesteld en onderzocht en dat enkele SVO's voor nader onderzoek zijn doorgezonden naar het NFI. Ook van het door het NFI verrichte onderzoek is een rapport opgesteld dat onderdeel uitmaakt van het proces-dossier.

De SVO's die niet voor nader onderzoek zijn aangeboden aan het Nederlands Forensisch Instituut zijn ter beschikking gebleven van justitie.

Op verzoek van de verdediging is tijdens de procedure in hoger beroep een aanvullend technisch onderzoek ingesteld aan de hand van foto's van het SVO 30, de stelspiraal van de bijrijdersstoel van de auto. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft hierover nader gerapporteerd in een op 19 januari 2004 gedateerd proces-verbaal.

4.3. De verweren worden overigens door het hof op de navolgende gronden verworpen.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering alsmede uit het arrest van de Hoge Raad dd. 30 maart 2004, LJN AM2533 volgt dat onder vormverzuimen wordt verstaan het niet naleven van strafprocesrechtelijke geschreven en ongeschreven vormvoorschriften.

Waar de bewuste auto, de aan de verdachte toebehorende Ford Escort, op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering in beslag was genomen had het openbaar ministerie op grond van het bepaalde in artikel 116 van het Wetboek van Strafvordering dit inbeslaggenomen voorwerp behoren terug te geven aan degene bij wie het was inbeslaggenomen, op het moment dat het van oordeel was dat het belang van strafvordering zich niet meer verzette tegen de teruggave. Vast staat dat het openbaar ministerie de auto niet heeft doen teruggeven aan de verdachte, maar dat de politie deze auto heeft laten vernietigen nadat eerst op 1 november 2001 de tenaamgestelde was aangeschreven. Voorts is gebleken dat klaarblijkelijk naar aanleiding van deze aanschrijving een mevrouw [naam] op 15 november 2001 telefonisch heeft verklaard afstand te doen van de auto. Nog daargelaten dat deze verklaring niet schriftelijk is gegeven mag er niet zonder meer van uit worden gegaan dat deze mevrouw [naam] daartoe door de - zich in de beperkingen bevindende - verdachte was gemachtigd.

Aangezien deze auto niet is teruggegeven aan degene bij wie deze inbeslaggenomen was dan wel aan de tenaamgestelde, doch de politie de auto heeft laten vernietigen zonder dat daartoe schriftelijk afstand was gedaan door een daartoe bevoegd persoon oordeelt het hof dat aldus sprake is van een vormverzuim.

4.4. Het staat vast dat het hier een onherstelbaar vormverzuim betreft en dat de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken.

Bij de beoordeling of aan dit vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt, heeft het hof rekening gehouden met de in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren. Voor wat betreft de eerste factor, het belang dat het geschonden voorschrift dient, moet naar het oordeel van het hof worden aangenomen dat met dit voorschrift met name de belangen van de verdachte als beslagene worden gewaarborgd.

Bij de beoordeling van de tweede factor, de ernst van het verzuim, neemt het hof in aanmerking dat op het moment van vernietiging van de auto zowel de verdachte als zijn medeverdachte reeds uitgebreid hadden verklaard over de exacte toedracht van de schietpartij in de bewuste auto, zodat het openbaar ministerie, als verantwoordelijke voor het ingestelde opsporingsonderzoek, redelijkerwijs niet behoefde te verwachten dat nadien alsnog door de verdachte om (nader) onderzoek aan of in de auto zou worden verzocht. Tevens betrekt het hof in zijn overwegingen dat zoals hiervoor reeds is overwogen, de voor te verrichten onderzoek relevante onderdelen uit de auto daadwerkelijk zijn veiliggesteld en nog steeds voor onderzoek beschikbaar zijn, alsmede dat de auto door toedoen van de verdachte en zijn medeverdachte [naam] zelf korte tijd na het schietincident in brand was gestoken waardoor de mogelijkheden voor onderzoek naar eventuele sporen al uit dien hoofde ernstig waren beperkt. Dientengevolge kan naar het oordeel van het hof het openbaar ministerie slechts in zeer beperkte mate een verwijt worden gemaakt van het begane verzuim. Bij de beoordeling van de derde factor, het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. In dat verband merkt het hof op dat de raadsman van de verdachte slechts in algemene bewoordingen heeft gesteld dat hij nader onderzoek aan de auto wenste om aan de hand daarvan wellicht ontlastend materiaal te vergaren. Welke nader onderzoek de verdediging nu precies op het oog heeft gehad is onvoldoende geconcretiseerd. Voorts neemt het hof in dit verband in aanmerking dat niet gezegd kan worden dat uit het door de politie verrichte onderzoek aan de auto enig voor de verdachte direct belastend gegeven naar voren is gekomen.

4.5. Na weging en waardering van de hiervoor genoemde wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval komt het hof tot het oordeel dat volstaan kan worden met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan zonder hieraan een van de in artikel 359a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering genoemde rechtsgevolgen te verbinden.

4.6. De door de raadsman van de verdachte bepleite niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering voorzien rechtsgevolg immers, zo volgt uit voormeld arrest van de Hoge Raad, slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Naar het oordeel van het hof is niet aannemelijk geworden dat door de vernietiging van de nagenoeg geheel uitgebrande auto met de opsporing belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

4.7. Voor zover de raadsman van de verdachte op dezelfde gronden heeft betoogd dat er sprake is van strijd met het in artikel 6 van het EVRM neergelegde beginsel van een eerlijk proces, overweegt het hof in aansluiting op het voorgaande als volgt. Uit de rechtspraak van zowel het EHRM als de Hoge Raad volgt dat de eis van een eerlijke procesvoering kan meebrengen dat aan een verzoek van een verdachte tot het verrichten van een contra-expertise gevolg behoort te worden gegeven, indien dit verzoek wordt gedaan op een tijdstip waarop zodanige contra-expertise (nog) mogelijk is. Nu is komen vast te staan dat namens de verdediging eerst bij de behandeling van de zaak in hoger beroep om een dergelijk onderzoek is verzocht en de onderhavige auto op dat moment niet meer voor onderzoek beschikbaar was, kan reeds op die grond niet worden gezegd dat tekort is gedaan aan het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 van het EVRM. Een en ander geldt temeer nu de verdachte en zijn medeverdachte er zelf voor hebben gezorgd dat de auto in een nagenoeg geheel uitgebrande staat was geraakt.

4.8. Slotsom uit al het vorengaande is dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de tegen de verdachte ingestelde vervolging.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, als medeplegen van moord, heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

8. Nadere bewijsoverweging

8.1. Aan zijn oordeel dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord, legt het hof de volgende overwegingen ten grondslag.

8.2. Het hof gaat op grond van de inhoud van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 27 oktober 2001 heeft de verdachte op diens verzoek zijn medeverdachte [naam] en diens vriendin Ana [achternaam] opgehaald om naar het latere slachtoffer Stephan [slachtoffer] te rijden. Deze [slachtoffer] had enige dagen daarvoor en op de dag van het schietincident zelf tegenover de medeverdachte [naam] bedreigingen geuit in verband met een uit cocaïnegebruik voortvloeiende schuld van de medeverdachte [naam] aan [slachtoffer]. De medeverdachte [naam] was enorm kwaad, omdat het slachtoffer weer dreigde Ana iets aan te doen. Op dat moment sloegen bij hem, zoals hij zelf heeft verklaard, de stoppen door. De medeverdachte [naam] heeft daarop een afspraak gemaakt met het latere slachtoffer. Hij deed dit omdat hij het met hem wilde uitpraten dan wel met hem op de vuist wilde gaan.

De verdachte wist van de bedreigingen. De verdachte was er ook mee bekend dat de medeverdachte altijd een vuurwapen bij zich droeg. Het was de verdachte tot slot duidelijk dat de medeverdachte [naam] op die dag onder invloed was van medicijnen en/of cocaïne. In dit verband merkt het hof op dat de verdachte blijkens zijn verklaring niet alleen wist dat de combinatie van cocaïne en medicijnen gevaarlijk is omdat je dan - om in de woorden van de verdachte te blijven - kunt doordraven maar kennelijk vanuit eerdere ervaringen er bovendien van op de hoogte was dat de medeverdachte [naam] rare dingen deed als hij gesnoven had. Toen hij de medeverdachte [naam] ophaalde, vertelde deze dat Stephan had gebeld en dat hij dreigde Ana wat aan te doen. De verdachte heeft tegen de medeverdachte [naam] gezegd dat hij dat niet moest pikken en er wat aan moest doen. Onderweg zat de medeverdachte [naam] te malen over de bedreigingen die het slachtoffer geuit had en heeft daarover gepraat met verdachte. Ook de verdachte ging door het lint en riep "vieze bloedende kankerlijer". Nadat het schietincident zich had voorgedaan, heeft de verdachte aan zijn vriendin verteld dat hij die middag door de medeverdachte [naam] was gebeld omdat deze problemen had met het slachtoffer. Hij moest [naam] helpen bij die problemen. De verdachte heeft daarbij aangegeven dat hij er rekening mee hield dat er klappen zouden vallen.

Uit de bewijsmiddelen is voorts gebleken dat het slachtoffer vrijwel onmiddellijk na het instappen in de door de verdachte bestuurde auto door vier kogels onder in de rug is getroffen en dat deze schoten door de op de achterbank van de auto gezeten medeverdachte [naam] zijn gelost. Het slachtoffer was niet meteen dood, waarop de medeverdachte [naam] het slachtoffer met zijn armen heeft proberen te wurgen, terwijl het slachtoffer rochelende geluiden maakte. Daarna is door de verdachte aan de medeverdachte op diens verzoek een snoer aangereikt. De dood van [slachtoffer] is veroorzaakt door bij sectie gebleken ernstige schotletsels met ernstige letsels van onder meer vitale organen als lever en grote bloedvaten en met perforatie van de wervelkolom.

De verdachte heeft nog geruime tijd met de medeverdachte, diens vriendin en het slachtoffer in de auto rondgereden. Enkele uren na het schietincident heeft de verdachte de medeverdachte geholpen bij het wegmaken van sporen door het in brand steken van zijn auto en kleding. Voorts zijn de verdachte en zijn medeverdachte de nacht na het incident nog naar de woning van het slachtoffer gegaan, alwaar zij nog naar cocaïne hebben gevraagd en bij de vriendin van het slachtoffer de indruk hebben gewekt dat er met het slachtoffer niets aan de hand was.

8.3. De verdachte is volgens vaste rechtspraak voor deze levensberoving strafrechtelijke medeaansprakelijk indien hij bewust, in nauwe en volledige samenwerking met zijn medeverdachte aan die levensberoving heeft meegewerkt (zie o.m. HR 12 november 1996, NJ 1997, 190).

8.4. Voor een bewezenverklaring van voorbedachte raad is volgens vaste rechtspraak voldoende dat komt vast te staan dat de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven (zie HR 27 juni 2000, NJ 2000, 605 en HR 11 juni 2002, AE 1743).

8.5. Voorbedachte raad kan samengaan met alle vormen van opzet, inclusief voorwaardelijk opzet (HR 18 oktober 1983, NJ 1984, 351).

8.6. Voor een bewezenverklaring van opzet in de zin van voorwaardelijk opzet gericht op de dood van [slachtoffer] dient uit de bewijsmiddelen te volgen dat de verdachte, als medepleger, zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat de dood van [slachtoffer] zou intreden. In het bijzonder zal het hof de vraag onder ogen moeten zien of het vervoer door de verdachte van [naam] naar de plaats delict - gelet op de houding en handelwijze van [naam] en de overige omstandigheden waaronder dat vervoer heeft plaatsgevonden - naar algemene ervaringsregelen de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] in het leven heeft geroepen. (Zie HR 24 juni 2003, NJ 2003/555.)

In zoverre acht het hof de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Uit het beschikbare bewijsmateriaal blijkt dat op het moment dat de verdachte de medeverdachte [naam] naar het slachtoffer vervoerde hem bekend was dat de medeverdachte [naam] altijd een vuurwapen bij zich had, hij onderkend had dat de medeverdachte zich onder invloed van medicijnen en/of cocaïne in een ontremde, agressieve gemoedstoestand bevond, waardoor het risico van een gewelddadige uitbarsting met mogelijk gebruik van het bij de medeverdachte altijd aanwezige vuurwapen extra groot was, dat de medeverdachte [naam] een afspraak had gemaakt met [slachtoffer] om een ruzie uit te praten en dat er bedreigingen waren geuit door het slachtoffer, hetgeen eveneens kan leiden tot een escalatie van geweld. De verdachte heeft dan ook onder deze omstandigheden welbewust de aanmerkelijke kans genomen, dat [slachtoffer] na het instappen in de door hem bestuurde auto door de medeverdachte [naam], die op de achterbank achter [slachtoffer] gezeten de handen vrij had om ten opzichte van die [slachtoffer] iedere vorm van geweld te gebruiken, zou worden doodgeschoten. Hij heeft voorts voldoende gelegenheid gehad om na te denken over de betekenis en de (mogelijke)gevolgen van zijn besluit om de medeverdachte naar het slachtoffer te rijden en het slachtoffer en de medeverdachte te vervoeren, nu tijdens de rit naar het slachtoffer toe, die ongeveer 15 minuten duurde, over de bedreigingen door het slachtoffer is gesproken en de sfeer in de auto, gelet op de uitlatingen agressiever werd. Derhalve was bij de verdachte sprake van een op mogelijk vuurwapengebruik gericht voorwaardelijk opzet én voorbedachte raad.

8.7. Nadat de medeverdachte [naam] de dodelijke schoten had gelost, heeft de verdachte zich niet alleen op geen enkele wijze van het gewelddadig handelen van de medeverdachte gedistantieerd maar daarentegen de medeverdachte [naam] op diens verzoek een snoer aangereikt om het slachtoffer te wurgen. Het slachtoffer was op dat moment nog in leven. Dit wijst er zonder meer op dat de verdachte de in het kader van de voorwaardelijke opzet aangenomen stilzwijgende samenwerking actief heeft voortgezet. Bovendien volgt uit zijn in zijn tegenover de politie afgelegde verklaring opgegeven reden voor het aanreiken van dit snoer aan de medeverdachte dat de verdachte op dat moment zich bewust was dat zijn medeverdachte de intentie had om het slachtoffer met het snoer te stranguleren. Dat uit de verklaring van de patholoog-anatoom dr. Visser ter zitting in hoger beroep afgelegd, blijkt dat er geen tekenen bij het slachtoffer zijn gevonden van strangulatie en dat de dood zonder meer veroorzaakt is door de schoten, doet niet af aan het feit dat de verdachte door het aanreiken van het snoer zich actief bij de geweldshandelingen is gaan aansluiten op een moment dat het slachtoffer nog in leven was.

8.8. Ten slotte is de verdachte nadien mee gegaan met de medeverdachte om de Ford Escort in brand te steken

teneinde sporen van het daarin plaatsgevonden hebbende misdrijf uit te wissen.

8.9. Gelet op al het vorengaande is naar het oordeel van het hof sprake geweest van een zo nauwe en volledige samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte [naam] dat niet terzake doet dat de verdachte zelf geen op het beëindigen van het leven van het slachtoffer gericht geweld heeft aangewend.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van moord.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Van der Horst heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde, als medeplegen van moord, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Ten aanzien van de in beslaggenomen voorwerpen vordert de advocaat-generaal de teruggave aan de verdachte.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte en zijn medeverdachte [naam] hebben zich schuldig gemaakt aan een moord, waarbij Stefan [slachtoffer], een jonge man van pas 25 jaar oud, om het leven is gebracht. Het slachtoffer is vrijwel onmiddellijk nadat hij in de door de verdachte bestuurde auto was ingestapt door de medeverdachte op een lafhartige manier een aantal malen in de rug geschoten. Deze wijze van gewelddadig handelen heeft het karakter van een koelbloedige liquidatie.

Met dit misdrijf is op brute wijze aan een mens zijn kostbaarste bezit, het leven, ontnomen en is aan de nabestaanden van het slachtoffer onherstelbaar leed toegebracht.

Een dergelijk feit draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en veroorzaakt daarnaast gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

In het nadeel van de verdachte heeft het hof voorts in aanmerking genomen dat door de verdachte en zijn medeverdachte een rookgordijn rond de daadwerkelijke toedracht van het stafbare feit is opgeworpen door steeds wisselende verklaringen af te leggen. Door het aannemen van een dergelijke proceshouding heeft de verdachte zijn verantwoordelijkheid als mededader niet willen erkennen en aldus het hof weinig aanknopingspunten gegeven om, voor zover al aanwezig, eventuele strafverzachtende omstandigheden in zijn voordeel mee te laten wegen. Bovendien rekent het hof het de verdachte zeer zwaar aan dat hij, in navolging van de medeverdachte, heeft gepoogd de schuld van dit zeer ernstige feit in de schoenen van de ex-vriendin van zijn medeverdachte te schuiven.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur recht doet aan de ernst van het genoemde feit.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 8 september 2003, al eens eerder is veroordeeld voor het plegen van een geweldsdelict, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof heeft acht geslagen op de omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d. 16 september 2002, opgemaakt en ondertekend door F.A.M.M. Koenraadt, psycholoog en J. H. Scheffer, zenuwarts.

Deze gedragsdeskundigen komen in hun rapport tot de conclusie dat de verdachte ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch in mindere mate dan de

gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid -overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen. Ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde feit was de verdachte lijdende aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit -indien bewezen- hem in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend.

Het hof neemt deze conclusie over en maakt deze tot de zijne.

Het hof neemt bij de bepaling van de duur van de straf ten voordele van de verdachte in aanmerking dat de verdachte niet zelf op het slachtoffer heeft geschoten. Voorts geeft het feit dat bij de verdachte tot het moment waarop door de medeverdachte op het slachtoffer werd geschoten sprake is geweest van voorwaardelijk opzet het hof aanleiding de op te leggen straf te matigen. Weliswaar heeft de verdachte, zoals het hof hiervoor heeft uiteengezet, bewust en met voorbedachte raad de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn medeverdachte het slachtoffer zou doodschieten, de beslissing om zulks te doen lag uiteindelijk in handen van die medeverdachte.

Ook heeft het hof, gelet op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep en blijkens het rapport van het Pieter Baan Centrum, de overtuiging gekregen dat de verdachte in een sterk afhankelijke relatie tot zijn medeverdachte staat, hetgeen een rol heeft gespeeld bij de houding die de verdachte zowel ten tijde van het plegen van het strafbaar feit als tijdens het latere deel van het proces heeft ingenomen.

Alles overwegend acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een sanctie die passend en geboden is.

12. Beslag

Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen, op de aan dit arrest gehechte beslaglijst genummerd onder 1, 2a, 2b, 2c, 2d, 2e, 2f, 2g, 2h, 2i en 2j, zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

13. Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft E.J. [slachtoffer], [adres], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte primair tenlastegelegde tot een bedrag van € 6.032,36.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het - in eerste aanleg toegewezen - bedrag van € 6.032,36.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 6.032,36 met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte primair bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

14. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3016,18 zijnde de helft van het totale bedrag ten behoeve van de benadeelde partij E.J. [slachtoffer], [adres].

15. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 47 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen, op de aan dit arrest gehechte beslaglijst genummerd onder 1, 2a, 2b, 2c, 2d, 2e, 2f, 2g, 2h, 2i en 2j, aan de verdachte.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij E.J. [slachtoffer], [adres], tot het gevorderde bedrag van ZESDUIZENDTWEEËNDERTIG EURO EN ZESENDERTIG EUROCENT en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt -welke

kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3016,18 ten behoeve van de benadeelde partij E.J. [slachtoffer], [adres], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van ZESTIG DAGEN.

Bepaalt dat voor zover wordt voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij E.J. [slachtoffer], [adres], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen, alsmede dat voor zover wordt betaald aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij van het bedrag van € 6.032,36 komt te vervallen voor zover door de medeverdachte een bedrag bij wege van schadevergoeding aan deze benadeelde partij is betaald.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Bruijn-Lückers, Filippini en Van Kempen, in bijzijn van de griffier mr. Berkepeis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 23 april 2004.