Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO9367

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-05-2004
Datum publicatie
13-05-2004
Zaaknummer
2200020603
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Negen jaar gevangenisstraf voor leidende rol bij het meermalen exporteren van verdovende middelen.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 2, geldigheid: 2004-05-04
Opiumwet 10, geldigheid: 2004-05-04
Wetboek van Strafvordering 126ff, geldigheid: 2004-05-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

parketnummer 0975403002

datum uitspraak 4 mei 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 12 december 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 28 januari 2004 en 21 april 2004.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen bij inleidende dagvaarding, zoals op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering nader omschreven, vermeld staat en zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de inleidende dagvaarding, de vordering nadere omschrijving tenlastelegging en de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair en subsidiair en 4 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 primair, 3 primair en 4 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene als vermeld in het vonnis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Bespreking van de verweren en verzoeken

4.1. Door de raadsman is bij pleidooi gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vervolging op de gronden die zijn weergegeven op pagina 2 en 3 van de op de zitting in hoger beroep van 21 april 2004 overgelegde pleitnota. De raadsman heeft daartoe onder meer, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het openbaar ministerie in het dossier een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven met betrekking tot het opsporingsonderzoek in de zaak tegen de verdachte. De raadsman heeft zich daarbij in het bijzonder beroepen op de raakvlakken die de zaak tegen de verdachte zou hebben met onderzoek in het Verenigd Koninkrijk ("Engeland") in de zaak tegen de afnemers van de heroïne aldaar. Nu de politie daaromtrent herhaaldelijk onjuiste en onvolledige mededelingen heeft gedaan heeft er een ernstige schending van de goede procesorde plaatsgevonden waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming tekort is gedaan aan de belangen van de verdachte en aan diens recht op een behoorlijke behandeling van zijn zaak.

4.2 Subsidiair verzoekt de raadsman het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging te verklaren wegens schending van artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering, in het bijzonder ten aanzien van zaak 5, nu onder regie van politie en justitie de onderwerpelijke partij heroïne bewust op de markt is gebracht en daarvoor geen schriftelijke toestemming aan het College van procureurs-generaal was gevraagd.

4.3 Meer subsidiair verzoekt de raadsman de verdachte vrij te spreken en al het bewijs uit te sluiten nu reeds bij start van het onderzoek de taps onrechtmatig waren, zo ook al het bewijs dat uit die taps voortvloeit. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat in de zaak tegen Mas (het hof begrijpt: de medeverdachte [naam]) telefoongesprekken (tussen [naam] en [naam]) zijn afgeluisterd, op grond van een daartoe strekkend bevel afgegeven op de naam van [naam], zonder dat die [naam] kon worden aangemerkt als verdachte (in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering).

4.4 Het hof overweegt omtrent het primair gevoerde verweer als volgt. Door de raadsman is geen enkele aanwijzing naar voren gebracht dat in het kader van wat wordt omschreven als het Engelse onderzoek sprake is of kan zijn geweest van optreden waardoor de verdachte in rechtens te respecteren (strafprocessuele) belangen is geschaad. Die aanwijzingen heeft het hof ook niet anderszins gevonden; als zodanig beschouwt het hof niet dat pas bij proces-verbaal d.d.

27 november 2002 verslag is gedaan van de contacten met de Engelse autoriteiten.

Het hof overweegt in dit verband voorts dat, afgezien van de inbeslagneming van een partij heroïne op 30 maart 2002, het dossier geen aanknopingspunten biedt voor de veronderstelling dat informatie uit het Engelse onderzoek in het Nederlandse onderzoek (tegen de verdachte) is ingebracht dan wel bewust is weggelaten. Noch ook biedt het onderzoek enig ander reëel aanknopingspunt voor enig concreet vermoeden dat sprake is van een onregelmatigheid in het opsporingsonderzoek die van betekenis zou kunnen zijn voor de zaak tegen de verdachte. Uit het dossier is het hof zelfs niet gebleken van enig mogelijk relevant contact tussen de verdachte en eventuele afnemers in het Verenigd Koninkrijk. Er is derhalve geen sprake van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte diens recht op een eerlijk proces is geschonden dat zou dienen te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. Het hof verwerpt dit verweer.

4.5 Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging dient te worden verklaard nu het in strijd met artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering heeft gehandeld.

Het hof verwerpt ook dit verweer, reeds omdat het hof niet vermag in te zien in welk rechtens te respecteren belang de verdachte door de gestelde verzuimen zou zijn getroffen.

Het hof is dan ook van oordeel dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging en verwerpt het subsidiair aangevoerde verweer.

4.6 Het hof overweegt omtrent het meer subsidiair gevoerde verweer dat de verdachte - nu hij door de gestelde onrechtmatigheid van de jegens de medeverdachte [naam] ingezette opsporingsmethoden niet in zijn (grond)rechten is

bekort - geen beroep op die gestelde onrechtmatigheid toekomt. Het hof verwerpt het meer subsidiair gevoerde verweer.

4.7 De raadsman heeft bij brief van 9 april 2004 verzocht een aantal getuigen te (doen) horen, welk verzoek door de advocaat-generaal bij brief van 14 april 2004 is afgewezen, met uitzondering van de getuige [naam], die ook ter terechtzitting van 21 april 2004 is gehoord. De raadsman heeft aangegeven zijn overige verzoeken te handhaven. Het hof wijst deze verzoeken af, nu die een herhaling zijn van eerdere verzoeken waarop het hof ter terechtzitting van 28 januari 2004 afwijzend heeft beslist en de raadsman ten aanzien van de onder 2, 3 en 4 verzochte getuigen geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd, waarom de verdachte toch in zijn verdediging zou zijn geschaad. Nu de getuige [naam] - op verzoek van de verdediging - door de rechter-commissaris op 15 april 2003 gehoord is kunnen worden is het hof van oordeel dat de verdachte redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad indien zijn verhoor ter terechtzitting (onder ede) achterwege blijft, aangezien het hof ook zonder een dergelijk verhoor in staat is de verklaring van deze getuige (kritisch) op waarde te schatten. Het verzoek de getuige alsnog ter terechtzitting op te roepen, wordt derhalve afgewezen, evenals het verzoek inlichtingen te doen verschaffen om de justitiële antecedenten van de broer van deze getuige.

5. Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is kennelijk niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

6. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

7. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4 primair is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

8. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 3 primair en 4 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

9. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

10. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

2 primair en 3 primair: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

4 subsidiair: Om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen of gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

11. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

12. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Renckens heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 4 primair tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 2 primair, 3 primair

en 4 subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene zoals vermeld in het vonnis.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan het medeplegen van buiten het grondgebied van Nederland brengen van aanzienlijke hoeveelheden heroïne, alsmede aan het plegen van voorbereidingshandelingen strekkende tot een dergelijk feit. De verdachte vervulde hierbij een centrale rol doordat alle informatie betreffende de logistiek van die heroïnehandel en de mogelijk te leveren hoeveelheden werd teruggekoppeld naar dan wel besproken met de verdachte. Juist deze coördinerende functie geeft de belangrijke rol van de verdachte ten aanzien van deze feiten weer, hetgeen het hof hem zwaar aanrekent. Voorts heeft de verdachte op geen enkele wijze blijk gegeven van inzicht in het verwerpelijke van zijn handelen.

Deze delicten leiden tot de verspreiding en het gebruik van heroïne, waardoor de volksgezondheid ernstig wordt bedreigd en waardoor het plegen van vermogensdelicten door de gebruikers, teneinde de voor het gebruik benodigde gelden te verkrijgen, wordt bevorderd. Dit is maatschappelijk gezien onaanvaardbaar. Ook vanuit internationaal perspectief verdient de handel in drugs een strenge aanpak.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

13. Beslag

De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de nummers 1 tot en met 7 en 10 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zullen worden verbeurdverklaard, aangezien met behulp van de gezamenlijkheid van deze aan de verdachte toebehorende voorwerpen de bewezenverklaarde feiten zijn voorbereid en/of begaan.

Bij de vaststelling van de bijkomende straf van verbeurdverklaring is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Ten aanzien van overige inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de nummers 9, 11 tot en met 14 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, zal het hof de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten nu niet kan worden vastgesteld aan wie deze voorwerpen toebehoren.

14. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 (oud), 10 (oud) en 10a van de Opiumwet.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 primair, 3 primair en 4 subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van NEGEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de nummers 1 tot en met 7 en 10 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de bewaring van de nummers 9, 11 tot en met 14 van de aan dit arrest gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende.

Dit arrest is gewezen door mrs. Oosterhof, Aler en Heemskerk, in bijzijn van de griffier mr. Van den Broek.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 mei 2004.

Mr. Heemskerk is buiten staat dit arrest te ondertekenen.