Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO7668

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-03-2004
Datum publicatie
15-04-2004
Zaaknummer
BK-02/02737
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Er is geen sprake van een zakelijke winstverdeling tussen beide firmanten van de V.O.F. Belanghebbende heeft niet aannemeiljk gemaakt dat een onafhankelijke derde onder vergelijkbare omstandigheden bereid zou zijn geweest een winstverdeling te accepteren zoals belanghebbende heeft gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0715
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

vierde meervoudige belastingkamer

12 maart 2004

nummer BK-02/02737

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de Belastingdienst, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.

1. Aanslag en bezwaar

1.1 Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 83.042.

1.2 Het tegen de aanslag gerichte bezwaar van belanghebbende is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1 Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 29. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek

ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.3 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van de negende enkelvoudige belastingkamer van het Gerechtshof van 18 april 2003, gehouden te Middelburg. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4 Belanghebbende heeft ingevolge een door het Hof ter zitting tot hem gericht verzoek als aanvulling op het aldaar verhandelde bij een brief, gedagtekend 23 april 2003, nog enkele gegevens van feitelijke aard ingezonden, zulks met kopie aan de Inspecteur, die ter zitting bij voorbaat heeft verklaard tegen de inzending van deze gegevens geen bezwaar te zullen maken en naar aanleiding hiervan geen nadere zitting te zullen verlangen.

2.5 Vervolgens is de zaak verwezen naar de vierde meervoudige belastingkamer.

2.6 De nadere mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 30 januari 2004, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het ter zitting verhandelde is een proces-verbaal opgemaakt.

2.7 Ter beide zittingen is tevens behandeld de zaak, bekend onder ´s Hofs kenmerk BK-02/02152, betreffende de door de Inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 1999 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Hetgeen is aangevoerd en overgelegd in die zaak geldt voor zover van belang voor de onderhavige zaak, tevens als aangevoerd en overgelegd in de onderhavige zaak.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1 Belanghebbende is geboren op 25 februari 1958. Hij is

gehuwd met Y, geboren op 5 maart 1965. Hij is reeds geruime tijd als operator in dienstbetrekking werkzaam bij A BV te Q. Over het jaar 2000 bedroeg zijn uit die dienstbetrekking genoten brutoloon ƒ 120.211.

3.2 Bij overeenkomst van 27 mei 1999, schriftelijk vastgelegd en ondertekend op 24 september 1999, is belanghebbende met zijn echtgenote, een gekwalificeerd schoonheidsspecialiste, een vennootschap onder firma aangegaan, handelende onder de naam "B" (hierna: de v.o.f.). De v.o.f.-overeenkomst behoort tot de gedingstukken. Zij vermeldt, voorzover hier van belang, het volgende:

".......

In aanmerking nemende:

Dat partijen met ingang van 27 mei 1999 een vennootschap onder firma zijn aangegaan teneinde voor gezamenlijke rekening en onder gemeenschappelijke naam een bedrijf uit te oefenen.

.....

Artikel 1

Naam en zetel

1. Partijen gaan met elkaar een vennootschap onder firma aan welke ten doel heeft het voor

gemeenschappelijke rekening en risico exploiteren van een huidverzorgingsbedrijf met al

hetgeen daartoe behoort en daarmee in verband staat in de ruimste zin van het woord. De

vennootschap wordt gedreven onder de naam "B" en wordt gevestigd te Z aan de

a-straat 1.

.....

Artikel 3

Inbreng

1. De vennoten brengen hun volledige kennis, arbeid, vlijt en relaties in.

......

3. De vennoot sub 2 (i.e. Y) heeft bovendien in de vennootschap ingebracht de activa van de tot de datum van oprichting door haar voor eigen rekening en risico uitgeoefende onderneming,....., alsmede de tot die onderneming behorende vergunningen, voor zover die voor overdracht vatbaar zijn, de administratie, correspondentie en archieven, onder de verplichting voor de vennoten om de tot de genoemde onderneming behorende passiva voor hun rekening te nemen. De samenstelling en de waarde van het ondernemingsvermogen blijken uit de per 1 januari 1999 door de accountant opgemaakte of op te maken openings-balans, die door beide vennoten voor akkoord is (zal worden) getekend.

4. Er zijn geen stille reserves aanwezig. Er worden door vennoot sub 2 dan ook geen stille reserves voorbehouden.

.......

Artikel 4

Kapitaalrekening, privé-rekening en rentevergoeding

1. De vennoot sub 2 krijgt voor haar inbreng in geld en/of goederen een vordering op de vennootschap ter grootte van de waarde van het door ingebrachte. Hiervoor wordt zij op een te voeren kapitaalrekening gecrediteerd.

2. Op een te voeren privé-rekening wordt elke vennoot gecrediteerd of gedebiteerd voor zijn/haar aandeel in de winst of het verlies van de vennootschap over het afgelopen boekjaar, zodra dit aandeel is vastgesteld.

.....

5. Over het saldo van de privé-rekening wordt geen rente vergoed.

6. Over het saldo van de kapitaalrekening wordt jaarlijks een rente berekend over het saldo bij het begin van het boekjaar. De rente is gelijk aan de gemiddelde wettelijke rente over het betreffende boekjaar.

.............

Artikel 6

Verboden nevenwerkzaamheden

1. Geen van de vennoten mag tijdens het bestaan van de vennootschap, alsmede gedurende de eerste vijf jaren na haar beëindiging, zonder schriftelijke toestemming van zijn/haar medevennoot alleen of met anderen een soortgelijk bedrijf uitoefenen in de regio R, daarbij rechtstreeks of zijdelings betrokken zijn, elders al dan niet in dienstbetrekking werkzaam zijn, een verbintenis als borg aangaan of de naam als (onderdeel van een) handelsnaam gebruiken.

................

Artikel 13

Verdeling bedrijfsresultaten

1. Het jaarlijks resultaat wordt berekend volgens artikel 12 met inachtneming van de bepalingen die gelden voor de berekening van de fiscale winst, voorzover deze bepalingen een redelijke winstbepaling en winstverdeling tussen de vennoten niet in de weg staan.

2. De winst of het verlies van de vennootschap wordt door de vennoten gelijkelijk genoten, respectievelijk gedragen.

Alvorens deze verdeling wordt toegepast, zullen onderstaande vergoedingen aan de vennoten worden toegekend.

a. Een arbeidsvergoeding welke jaarlijks in onderling overleg zal worden vastgesteld op basis van de globaal door de vennoten aan de vennootschap bestede tijd en arbeid.

b. de in artikel 4 genoemde rentevergoeding.

....................

Artikel 18

Eindigen vennootschap

Naast het in de artikelen 16 en 17 daaromtrent bepaalde, eindigt de vennootschap verder door:

1. a. het overlijden van een vennoot;

b. het bereiken van de vijfenzestig-jarige leeftijd van een vennoot;

2. Wanneer een vennoot het vrije beheer over zijn/haar vermogen verliest als gevolg van:

a. een door hem/haar in privé gedane aanvraag tot surséance van betaling;

b. faillissement of onder curatelestelling;

c. de benoeming van een bewindvoerder te zijnen/haren behoeve, krachtens enige wetsbepaling;

d. indien de enige vennoten van de vennootschap echtelieden zijn, door de inschrijving van een vonnis van een echtscheiding inzake het huwelijk van deze vennoten in de registers van de Burgerlijke Stand alsmede door het in kracht van gewijsde gaan van een vonnis van scheiding van tafel en bed.

.......................

Artikel 21

Gerechtigdheid bij het einde van de vennootschap

1. Bij het eindigen van de vennootschap is ieder van de in het vermogen van de vennootschap gerechtigd voor het bedrag waarvoor hij/zij ingevolge het in artikel 4 bepaalde in de boeken van de vennootschap is gecrediteerd, vermeerderd of verminderd met zijn/haar aandeel in de winst of het verlies, gemaakt of geleden blijkens de jaarstukken, opgemaakt overeenkomstig het in artikel 13 en 14 bepaalde naar de dag waarop de vennootschap is beëindigd.

2. Op deze, na het eindigen van de vennootschap op te maken balans, zullen de bestanddelen, waaronder de goodwill is begrepen, worden gewaardeerd in onderling overleg indien daaromtrent geen overeenstemming wordt bereikt overeenkomstig het bepaalde in artikel 679 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, waarbij als waardegrondslag moet worden uitgegaan van de waarde bij voortgezette bedrijfsuitoefening.

..................."

3.3 Vanaf medio 1996 tot het moment van inbreng in de v.o.f. is de onderneming door de echtgenote van belanghebbende gedreven in de vorm van een eenmanszaak. De daaruit behaalde resultaten bedroegen voor de jaren 1996 (half) tot en met 1998 onderscheidenlijk -/- ƒ 17.898, -/- ƒ 25.471 en -/- ƒ 20.140 bij een omzet van respectievelijk ƒ 2.004, ƒ 12.661 en

ƒ 16.029. Eind 1998 had de echtgenote van belanghebbende aanspraak op voorwaarts te verrekenen verliezen tot een bedrag van ƒ 117.223, waarvan ƒ 28.235 beperkt en ƒ 88.988 onbeperkt verrekenbaar. Voor de werkzaamheden die door belanghebbende in de jaren 1996 tot en met 1998 werden verricht in de onderneming van zijn echtgenote, is geen meewerkaftrek of reële arbeidsbeloning geclaimd.

3.4 De bedrijfsactiviteiten in 1999 en 2000 bestonden uit de exploitatie van een huidverzorgingssalon, de verkoop van huidverzorgingsmiddelen en lingerie alsmede de exploitatie van een zonnebank. Met uitzondering van een incidenteel ingezette uitzendkracht heeft de firma geen werknemers in dienst. De salon is het gehele jaar gedurende 4 dagen per week geopend, met uitzondering van de maanden juli en augustus, in welke maanden de salon de gehele week, uitgezonderd de zondag, geopend is. In juni 2000 is het bedrijf verplaatst van de praktijkruimte behorende tot de eigen woning van belanghebbende en zijn echtgenote naar een winkelpand in S. Het daartoe aangekochte winkelpand, de aanpassingen ervan alsmede in dat verband gepleegde overige investeringen zijn gefinancierd met een lening, groot ruim ƒ 200.000.

3.5 De werkzaamheden van belanghebbende bestaan in het verzorgen van de administratie en enkele incidentele, bijkomende werkzaamheden zoals beursbezoek. De omvang van de administratie is beperkt. De in totaal hierdoor in beslag genomen tijd bedraagt structureel 400 uren (in het onderhavige jaar incidenteel hoger in verband met de bedrijfsverplaatsing: 600 uren). De overige ten behoeve van de onderneming te verrichten werkzaamheden worden door belanghebbendes echtgenote verricht. De daarmee gemoeide tijd is voor het jaar 1999 te stellen op 1400 uren en in het onderhavige jaar op 1800 uren (waarvan 100 uren in beslag zijn genomen door bedrijfsverplaatsing).

3.6 Gerekend over het gehele jaar 1999 is met de onderneming een resultaat behaald van -/- ƒ 23.861 bij een bruto-omzet van ƒ 14.708 (netto : ƒ 7.807). Over het jaar 2000 bedroeg het resultaat -/- ƒ 34.592 bij een bruto-omzet van ƒ 30.652 (netto : ƒ 19.705).

3.7 Het resultaat behaald uit de v.o.f. bedroeg voor belanghebbende en zijn echtgenote op basis van de aangiften:

1999: -/- 29.431 (belanghebbende); ƒ 5.570 (echtgenote)

2000: -/- 34.796 (belanghebbende); f 204 (echtgenote).

De toedeling van het resultaat is daarbij als volgt berekend:

1999:

winst volgens V&W-rekening: -/- ƒ 23.861

af:

arbeidsbeloning belanghebbende: nihil

arbeidsbeloning echtgenote: ƒ 35.000

-/- ƒ 35.000

Totaal -/- ƒ 58.861

Belanghebbende : 50% van -/- ƒ 58.861 = -/- ƒ 29.431

Echtgenote : ƒ 35.000 -/- 29.430 (=50% van -/- ƒ 58.861) = ƒ 5.570

2000:

winst volgens V&W-rekening -/- ƒ 34.592

af:

arbeidsbeloning belanghebbende: nihil

arbeidsbeloning echtgenote : ƒ 35.000

-/- ƒ 35.000

Totaal -/- ƒ 69.592

Belanghebbende : 50% van -/- 69.592 = -/- ƒ 34.796

Echtgenote : ƒ 35.000 -/- ƒ 34.796 = ƒ 204

3.8 Het aangegeven belastbaar inkomen over 2000 van belanghebbende ad ƒ 56.894 is door de Inspecteur gecorrigeerd met een bedrag groot ƒ 26.148 wegens minder verlies uit onderneming en vastgesteld en na bezwaar gehandhaafd op

ƒ 83.042. De correctie is als volgt berekend:

Bedrijfsresultaat 2000 volgens V&W-rekening -/- ƒ 34.592

Af:

Arbeidsbeloning belanghebbende:

600/1900 x ƒ 50.000 = ƒ 15.789

Arbeidsbeloning echtgenote:

1800/1900 x ƒ 50.000= ƒ 47.368

-/- ƒ 63.157

Overwinst/verlies -/- ƒ 97.749

Arbeidsbeloning belanghebbende ƒ 15.789

Aandeel in overwinst/verlies: 600/2400 x -/- ƒ 97.749 -/- ƒ 24.437

Aan belanghebbende toerekenbaar winstaandeel -/- f 8.648

Aangegeven was: -/- f 34.796

Correctie f 26.148

De Inspecteur heeft daarbij de volgende uitgangspunten in aanmerking genomen:

a. de gebruikelijke beloning voor een full-time schoonheidsspecialiste (volledig gediplomeerd) in loondienst is gesteld op ƒ 50.000 bruto per jaar (bij 1900 uren);

b. de beloning voor een full-time administratieve kracht met enige boekhoudkundige ervaring in loondienst is eveneens gesteld op ƒ 50.000 bruto per jaar (bij 1900 uren);

c. het aantal arbeidsuren van belanghebbende is te stellen op 600;

d. het aantal arbeidsuren voor de echtgenote van belanghebbende is voor 2000 in overleg vastgesteld op 1800;

e. toerekening overwinst/verlies naar rato van ieders (arbeids)inbreng, zowel kwantitatief (tijdsbeslag) als kwalitatief (waarde van de arbeid).

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de winstverdeling zoals vastgelegd in de v.o.f.-overeenkomst gebruikelijk en zakelijk is, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4.2 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en vermindering van de aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van:

Primair : ƒ 56.236;

Subsidiair : ƒ 65.537;

Meer subsidiair: ƒ 78.305.

De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de bestreden uitspraak.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1 Tussen partijen is niet langer in geschil dat:

a. de in het kader van de winstverdeling in aanmerking te nemen arbeidsvergoeding voor belanghebbende is te stellen op 600/1900 x ƒ 35.000 = ƒ 11.052; en

b. de in het kader van de winstverdeling bij de echtgenote van belanghebbende in aanmerking te nemen arbeidsvergoeding is te stellen op 1800/1900 x ƒ 50.000 = ƒ 47.368.

Het geschil beperkt zich mitsdien tot de vraag of de tussen belanghebbende en zijn echtgenote met het aangaan van de v.o.f. overeengekomen (over)winst/verlies-verdeling er een is die onder de gegeven omstandigheden ook tussen van elkaar onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen, en zo niet, welke winstverdeling wel als zakelijk heeft te gelden.

6.2 Op grond van de vastgestelde feiten, in onderlinge

samenhang bezien, gevoegd bij hetgeen overigens uit de gedingstukken naar voren komt, is het Hof van oordeel dat er sprake is van een onzakelijke winstverdeling tussen beide firmanten. Het Hof heeft daarbij het volgende overwogen.

6.3.1 De door de echtgenote van belanghebbende in de firma

ingebrachte onderneming steunt voor wat betreft haar winstpotentie nagenoeg geheel op de kennis en vaardigheden van de echtgenote van belanghebbende als gediplomeerd schoonheidsspecialiste. De werkzaamheden van belanghebbende zijn slechts ondersteunend van aard.

6.3.2 In de aan de inbreng voorafgaande periode heeft de

onderneming, waarbinnen belanghebbende naar het Hof begrijpt dezelfde werkzaamheden heeft verricht als ná de inbreng, slechts negatieve resultaten laten zien. Na de inbreng is deze situatie gecontinueerd, ook na de verplaatsing van het bedrijf naar een betere locatie medio 2000.

6.3.3 Bij een dergelijke voortdurende verliessituatie komt de door belanghebbende en zijn echtgenote overeengekomen wijze van winstverdeling er de facto op neer dat belanghebbende - niettegenstaande zijn inbreng in de firma beperkt blijft tot het verrichten van enkel ondersteunende werkzaamheden - een verlies wordt toegerekend, terwijl zijn echtgenote een positief resultaat wordt toebedeeld. Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende uitzicht heeft op een positieve bate, in tegenstelling tot zijn echtgenote.

6.3.4 Het is aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat een onafhankelijke derde onder vergelijkbare omstandigheden bereid zou zijn geweest met zijn echtgenote een firma aan te gaan en een winstverdeling te accepteren zoals belanghebbende heeft gedaan. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende hierin niet geslaagd.

6.4 Het Hof heeft verder in zijn oordeel betrokken dat belanghebbende naast zijn werkzaamheden in firmaverband een volledige dienstbetrekking vervult ter zake waarvan hij een salaris geniet van ruim ƒ 110.000 (1999) en dat anderzijds zijn echtgenote per ultimo 1998 beschikte over een bedrag van ruim ƒ 115.000 aan compensabele verliezen. Deze constatering gevoegd bij het feit dat de door belanghebbende voorgestane winstverdeling onder de gegeven omstandigheden bij belanghebbende leidt tot een negatief inkomensbestanddeel en bij zijn echtgenote tot een positief inkomensbestanddeel, doet bij het Hof het sterke vermoeden rijzen dat de winstverdeling is gekozen niet uit zakelijke doch uit persoonlijke motieven. Naar het oordeel van het Hof is belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, er niet in geslaagd dit vermoeden te ontzenuwen.

6.5 Subsidiair bepleit belanghebbende een overwinst/verlies-verdeling van 60% (echtgenote) : 40% (belanghebbende). Naar het oordeel van het Hof neemt een dergelijke winstverdeling de hiervoor genoemde bezwaren tegen de 50:50-verdeling weliswaar enigszins weg doch niet in die mate dat daarmee kan worden gesteld dat een onafhankelijke derde onder vergelijkbare omstandigheden bereid zou zijn onder deze voorwaarde met zijn echtgenote een firma aan te gaan.

6.6 Gelet op het hiervoor overwogene komt het Hof tot de conclusie dat belanghebbende - op wie te dezen de bewijslast rust - tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aandeel in de

(over-)winst/verlies van de firma voor het onderhavige jaar meer zou moeten bedragen dan het door de Inspecteur gemotiveerd gestelde percentage van 19.

6.7 Meer subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat, voor het geval het gelijk aan de Inspecteur is voor wat betreft de verdeling van de (over)winst-verlies, bij de bepaling hiervan uitgegaan dient te worden van een arbeidsvergoeding voor belanghebbende van ƒ 35.000 op jaarbasis bij een voltijds dienstbetrekking en verbindt hieraan de conclusie dat het belastbaar inkomen dient te worden gesteld op ƒ 78.305. De Inspecteur heeft in zijn verweerschrift aangegeven in dit standpunt van belanghebbende mee te gaan. Het verschil in uitkomst tussen hetgeen belanghebbende met inachtneming van dit standpunt concludeert (belastbaar inkomen: ƒ 78.305) en hetgeen de Inspecteur dienaangaande concludeert (belastbaar inkomen: ƒ 85.070) laat zich naar het oordeel van Hof grotendeels verklaren door een rekenfout van de zijde van belanghebbende: bij de bepaling van de (over)winst-verlies gaat hij uit van een tijdsevenredige arbeidsvergoeding op basis van ƒ 50.000 (= ƒ 15.789) terwijl hij bij de bepaling van het aan belanghebbende toekomende winstaandeel ná verdeling van de (over)winst-verlies uitgaat van een tijdsevenredige arbeidsvergoeding op basis van ƒ 35.000 (= ƒ 11.052). Naar het oordeel van het Hof dienen beide bedragen gelijk te zijn en wel, zoals belanghebbende verdedigt, ƒ 11.052. Overeenkomstig de berekening van de Inspecteur in zijn verweerschrift ziet de winstverdeling er dan als volgt uit:

Bedrijfsresultaat volgens de V & W - rekening -/- ƒ 34.592

Af:

Arbeidsvergoeding belanghebbende 600/1900 x ƒ 35.000 = ƒ 11.052

Arbeidsvergoeding echtgenote 1800/1900 x ƒ 50.000 = ƒ 47.368

-/- ƒ 58.420

Overwinst/verlies -/- ƒ 93.012

Uitgaande van een verdeling van de overwinst/verlies op basis van de verhouding van de persoonlijke arbeidsvergoeding ten opzicht van de totale arbeidsvergoeding, wordt de verdeling ƒ 11.052/ ƒ 58.420 = 19% voor belanghebbende en 81% voor zijn echtgenote.

Arbeidsvergoeding ƒ 11.052

Aandeel in overwinst/verlies: 19% van -/- ƒ 93.012 -/- ƒ 17.672

Saldo winstaandeel -/- ƒ 6.620

Gelet op bovenstaande berekening kan belanghebbendes meer subsidiair ingenomen standpunt hem niet baten aangezien dit niet leidt tot een vermindering van de aanslag.

6.8 Het hiervoor overwogene voert het Hof tot de conclusie dat het gelijk is aan de Inspecteur en dat de aanslag eerder tot een te laag dan tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Het Hof acht het beroep derhalve ongegrond.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Hof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld op 12 maart 2004 door mrs. Sanders, Tromp en Engel. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Riel.

(Van Riel)

(Sanders)

Aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

??

nummer BK-02/02737 blz. 10/11