Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO7430

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-03-2004
Datum publicatie
13-04-2004
Zaaknummer
2200378603
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich, al dan niet met een ander of anderen, schuldig gemaakt aan een zeer groot aantal vermogensdelicten zoals hiervoor is bewezenverklaard. Met name de door verdachte gepleegde woninginbraken betekenen - naast inbreuk op het eigendomsrecht van de bestolene - een ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners, en worden mede daarom de dader zwaar aangerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 1015006203

datum uitspraak 22 maart 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 8 juli 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 8 maart 2004.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3.Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 6 primair, 8, 9, 13 primair en subsidiair, 17, 18 en 19 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, 6 subsidiair, 7 primair, 10 primair, 11 primair, 12 primair, 14, 15, 16 primair, 19 subsidiair en 20 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd reeds in voorarrest doorgebracht, met beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4.Omvang van het hoger beroep

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld, dat het hoger beroep niet gericht is tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 8, 9, 13 primair en subsidiair, 17 en 18 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

5.Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Beroep op bewijsuitsluiting

De raadsvrouw heeft een beroep op bewijsuitsluiting gedaan zoals weergegeven in de aan het proces-verbaal van zitting in hoger beroep gehechte kopie van de pleitnotities met uitzondering van de laatste volzin van de derde alinea van boven op p. 3. In plaats daarvan heeft de raadsvrouw gesteld dat, wanneer -zoals in casu- de verdachte in hoger beroep is gegaan, toevoeging van stukken in hoger beroep door het Openbaar Ministerie rechtens niet geoorloofd is, zodat op de door de

advocaat-generaal in hoger beroep overgelegde BOB stukken geen acht mag worden geslagen.

Het hof verwerpt dit verweer in al zijn onderdelen en overweegt daarbij als volgt.

- Met betrekking tot de doorzoeking Roggekamp 229: het hof neemt hier over hetgeen door de rechtbank dienaangaande is overwogen. Naar 's hofs oordeel was de rechtbank niet gehouden tot nadere motivering zoals door de raadsvrouw is gesteld.

- Met betrekking tot de tapverslagen onderzoek Winter: het hof stelt voorop dat geen rechtsregel overlegging van nieuwe stukken in hoger beroep door het Openbaar Ministerie verbiedt. De raadsvrouw heeft voorts niet gesteld noch is aannemelijk geworden dat er op dit punt in het onderzoek iets onrechtmatigs is gebeurd.

- Met betrekking tot de stemherkenning door een tolk: in beginsel verzet geen rechtsregel zich tegen het gebruik van stemherkenning door een tolk als bewijsmiddel. Het feit dat er meer geavanceerde methoden van stemherkenning dan die door een tolk bestaan leidt nog niet tot de conclusie dat laatstgenoemde stemherkenning als een onbetrouwbare methode moet worden beschouwd. Het hof constateert in dit verband voorts dat door de verdediging niet is verzocht de betreffende tolken te doen horen. Het hof is ten slotte van oordeel -mede gelet op de inhoud van de overige bewijsmiddelen- geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de onderhavige stemherkenning.

7.Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 6 primair, 15 en 19 primair is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

8.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, 6 subsidiair, 7 primair, 10 primair, 11 primair, 12 primair, 14, 16 primair, 19 subsidiair en 20 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

9.Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

10.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 en 4:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;

2, 3 en 11:

Poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;

5:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

6 en 20:

Opzetheling, meermalen gepleegd;

7, 10, 12, 14 en 16:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd;

19:

Medeplegen van opzetheling.

11.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

12.Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Edelhauser heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 15 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, 6 primair, 7 primair, 10 primair, 11 primair, 12 primair, 14, 16 primair, 19 subsidiair en 20 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich, al dan niet met een ander of anderen, schuldig gemaakt aan een zeer groot aantal vermogensdelicten zoals hiervoor is bewezenverklaard. Met name de door verdachte gepleegde woninginbraken betekenen - naast inbreuk op het eigendomsrecht van de bestolene - een ernstige schending van de persoonlijke levenssfeer van de bewoners, en worden mede daarom de dader zwaar aangerekend. Dit soort feiten leveren daarbij ook naast de veroorzaakte materiële schade veel ergernis en ongemak op voor de benadeelden. Naar 's hofs oordeel doet de eis van de advocaat-generaal onvoldoende recht aan de ernst van de zaak.

Het hof is dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en

geboden reactie vormt.

13.Verzoek opheffing voorlopige hechtenis

Het hof wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af omdat naar zijn oordeel de gronden daarvoor nog steeds aanwezig zijn.

14.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 47, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 6 primair, 15 en 19 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 primair, 6 subsidiair, 7 primair, 10 primair, 11 primair, 12 primair, 14, 16 primair, 19 subsidiair en 20 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst af het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mrs. Wurzer, Van der Putten-Göbbels en De Groot, in bijzijn van de griffier mr. Straathof. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 maart 2004.