Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO7390

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-03-2004
Datum publicatie
16-04-2004
Zaaknummer
2200289803
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AS2746
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AS2746
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen. Werkgever in de zin van deze wet is iedereen die een ander in het kader van ambt, beroep of bedrijf arbeid laat verrichten. Of daarbij sprake is van een arbeidsovereenkomst of een gezagsverhouding is daarbij niet van belang. Immers alleen het feit dat er in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor feitelijk werkgeverschap reeds voldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200289803

parketnummer 1015660901

datum uitspraak 3 maart 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE economische kamer

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank te Rotterdam van

31 juli 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 18 februari 2004.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Bewijsoverweging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte terzake van dit feitencomplex niet is aan te merken als werkgever in de zin van de Wet arbeid vreemdelingen.

Het hof verwerpt dit verweer. Het hof stelt voorop, dat de term werkgever in de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) een zelfstandige betekenis heeft, gelet op het doel van die wet, en dat voor die betekenis niet zonder meer kan worden aangesloten bij de uitleg van soortgelijke termen in de civiele, de fiscale en de sociale-verzekeringswetgeving.

Artikel 1, aanhef en onder b, (oud) van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna Wav), luidt -voorzover hier van belang-:

"In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. (...)

b. werkgever:

1°. degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten;

2° (...);"

Artikel 2, eerste lid, van de Wav houdt in:

"Het is een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning."

De Wav is in de plaats gekomen van de Wet arbeid buitenlandse werknemers (hierna Wabw) en in werking getreden op 1 september 1995 (Stb. 1995, 405). Uit de wetsgeschiedenis van de Wav, zoals die hierna wordt weergegeven, volgt dat de wetgever de reikwijdte van de Wabw heeft willen verruimen. In de memorie van toelichting wordt opgemerkt:

"2.1. De reikwijdte van de wet

(...)

De eerste aanpassing, een ruimere definitie van het begrip werkgever, is bedoeld om duidelijk te maken dat het een

werkgever/opdrachtgever altijd verboden is zonder vergunning vreemdelingen arbeid te laten verrichten, behalve als de vreemdeling over een verblijfsdocument beschikt, waaruit blijkt dat voor hem geen beperkingen gelden voor het verrichten van arbeid. Deze aanpassing was nodig omdat in de praktijk steeds naar wegen werd gezocht om via sluipwegen en ingewikkelde constructies het verbod vreemdelingen tewerk te stellen en daarmee de vergunningplicht te ontgaan. Er is gekozen voor een zodanig ruime definitie dat er in feite altijd sprake is van een vergunningplicht tenzij kan worden aangetoond dat een van de uitzonderingen van toepassing is."

Voorts is op de blz. 13 en 14 van diezelfde memorie van toelichting vermeld:

"Degene die de vreemdeling feitelijk arbeid laat verrichten is vergunningplichtig in het kader van het wetsvoorstel. (...) Degene voor wie de feitelijke arbeid wordt verricht dient zorg te dragen voor de aanwezigheid van een vergunning."

In de memorie van antwoord op de Wav is omtrent de reikwijdte van de wet opgemerkt:

"Door de gekozen definitie is iedereen werkgever die een ander in het kader van ambt, beroep of bedrijf arbeid laat verrichten. Of er sprake is van een arbeidsovereenkomst of een gezagsverhouding is daarbij niet meer van belang. Immers alleen het feit dat er in opdracht of ten dienste van een werkgever arbeid wordt verricht is voor het feitelijk werkgeverschap reeds voldoende (...)".

Het hof is van oordeel, dat in onderhavig geval er ten dienste van de verdachte werkzaamheden werden verricht. De omzet van de verdachte hing nauw samen met het werk dat de in het bedrijf van de verdachte hun diensten aanbiedende dames, waaronder die welke in de tenlastelegging zijn aangeduid, verrichtten. Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, dat de kamers immers per uur werden verhuurd en indien er geen klant was, dan werd er geen kamer verhuurd en was er geen omzet voor de verdachte.

Het hof wordt temeer gesterkt in zijn oordeel doordat de verdachte, zoals hij ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft verklaard, voor de dames richtlijnen had opgesteld over onder andere de wijze van gedrag buiten op het trottoir, de hygiëne binnen en de kwaliteit van geleverde diensten en dat hij zorg droeg voor de medische controle op de dames.

Gezien de genoemde feiten en omstandigheden en gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van de Wav als hierboven vermeld beschouwt het hof de verdachte als werkgever als bedoeld in art. 2, eerste lid, van de Wav.

Zijdens de verdachte is nog aangevoerd dat voor [betrokkene 1] geen tewerkstellingsvergunning nodig was, omdat aan haar door de Italiaanse overheid een vergunning tot verblijf (hierna: VTV) zou zijn verstrekt.

Het hof verwerpt dit verweer. Het enkele feit dat aan de Nigeriaanse vrouw een Italiaanse VTV is afgegeven, wil nog niet zeggen dat zij in Nederland mag werken.

6. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Verzoek van de verdediging

De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht om, in geval het hof overweegt tot een bewezenverklaring te komen, alsnog als de getuigen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] te horen.

Gelet op de omstandigheid dat de raadsman het verzoek onvoldoende heeft gemotiveerd en het hof de verklaringen van deze twee getuigen niet zal gebruiken voor het bewijs, acht het hof het niet noodzakelijk de betreffende getuigen op te roepen.

8. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen, viermaal gepleegd.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Renckens heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot vier geldboetes van elk € 900,--, subsidiair

achttien dagen hechtenis.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Bij de vaststelling van de geldboetes is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Nu over de vraag of de Wav op de verdachte van toepassing was, ten tijde van de tenlastegelegde feiten onduidelijkheid bestond, zal het hof na te melden geldboetes geheel voorwaardelijk opleggen.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 62 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1 (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 2 van de Wet arbeid vreemdelingen.

13. Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van VIER geldboetes van elk NEGENHONDERD EURO, bij gebreke van betaling en verhaal telkens te vervangen door hechtenis voor de tijd van ACHTTIEN DAGEN.

Beveelt dat de geldboetes niet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van TWEE JAREN aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mrs. Reinking, Van Strien en Van den Berg, in bijzijn van de griffier mr. Van den Berg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting

van het hof van 3 maart 2004.