Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO7362

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-02-2004
Datum publicatie
09-04-2004
Zaaknummer
03/1032 KA KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

ontslag op staande voet ; geen dringende reden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 13 februari 2004

Rolnummer: 03/1032 KA KG

Zaaknummer rechtbank: 467470 VV EXPL 03-146

HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

ROTTERDAM SHORT SEA TERMINALS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: RST,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. H.J.A. Knijff.

Het geding

Bij exploot van 30 juli 2003 is RST in hoger beroep gekomen van het vonnis van 4 juli 2003 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, in kort geding gewezen tussen partijen. In dit exploot (met producties) heeft RST vijf grieven opgeworpen. Bij conclusie van eis in hoger beroep heeft RST overeenkomstig de appèldagvaarding geconcludeerd. [Geïntimeerde] heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. Op 16 januari 2004 hebben partijen de zaak doen bepleiten, RST door mr. H.T. Kernkamp, advocaat te Rotterdam, [Geïntimeerde] door mr. H.A. van Hapert, advocaat te Amsterdam, beiden overeenkomstig overgelegde pleitnotities. Beide partijen hebben hun stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Geen grief of ander bezwaar is gericht tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 in het tussenvonnis van 4 juni 2003, zodat ook het hof de aldaar vermelde feiten tot uitgangspunt neemt. Afgezien van de vaststelling van deze feiten leggen de grieven, gelet op de daarop gegeven toelichtingen, het geschil in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor.

2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

2.1 [Geïntimeerde], geboren op [geboortedatum], is op 22 juli 1997 in dienst getreden van RST. Op 19 maart 2003 heeft RST [Geïntimeerde] mondeling op staande voet ontslagen en zulks bij brief van 20 maart 2003 aan hem schriftelijk bevestigd. Bij brief van 21 maart 2003 heeft [Geïntimeerde] de nietigheid van het ontslag ingeroepen.

2.2 Bij dagvaarding van 1 mei 2003 heeft [Geïntimeerde] de onderhavige kort gedingprocedure geëntameerd. Bij voorwaardelijk verzoekschrift ex artikel 7:685 BW, op 26 mei 2003 binnengekomen op de griffie van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, heeft RST een verzoek ingediend strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, voorzover deze nog zou blijken te bestaan.

2.3 In het tussenvonnis van 4 juni 2003 gaf de voorzieningenrechter aan te overwegen in de verzoekschriftprocedure een drietal personen als getuigen te horen en bepaalde de voorzieningenrechter dat de mondelinge behandeling van het kort geding op 20 juni 2003 zou worden voortgezet. In de verzoekschriftprocedure heeft de rechtbank op 23 juni 2003 een viertal getuigen gehoord. Op 23 juni 2003 is de behandeling van het onderhavige kort geding, gecombineerd met de behandeling van het door RST ingediende verzoekschrift, voortgezet.

2.4 Bij beschikking ex artikel 7:685 BW van 4 juli 2003 heeft de rechtbank, sector kanton, RST tot en met 18 juli 2003 de gelegenheid gegeven haar verzoek in te trekken en, voor het geval het verzoek niet wordt ingetrokken, de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst, voorzover deze nog mocht blijken te bestaan, met ingang van 19 juli 2003 ontbonden en [Geïntimeerde] een vergoeding ten laste van RST toegekend.

2.5 Bij het beroepen vonnis van 4 juli 2003 heeft de rechtbank, onder meer en kort gezegd, RST veroordeeld tot betaling aan [Geïntimeerde] van diens bruto maandsalaris vanaf 20 maart 2003 tot aan de datum waarop het dienstverband

rechtsgeldig zal zijn beëindigd en RST tevens veroordeeld om [Geïntimeerde], ingaande 24 juli 2003, indien blijkt dat RST haar verzoek tot voorwaardelijke ontbinding heeft ingetrokken, wederom te werk te stellen.

2.6 RST heeft haar voorwaardelijk verzoek ex artikel 7:685 BW niet ingetrokken Evenmin is een ontvankelijk hoger beroep ingesteld van de beschikking van 4 juli 2003.

3. In dit kort geding stelt [Geïntimeerde] zich op het standpunt dat de door RST opgegeven dringende reden het hem op staande voet gegeven ontslag niet rechtvaardigt en vordert hij (naar het hof begrijpt: bij wege van voorlopige voorziening) doorbetaling van salaris en tewerkstelling. Alvorens tot inhoudelijke beoordeling over te gaan, merkt het hof op dat [Geïntimeerde], gelet op het onder 2.4 tot en met 2.6 vermelde, thans geen belang meer heeft bij zijn vordering tot tewerkstelling en dat het belang bij de vordering tot doorbetaling van salaris c.a. beperkt is tot de periode 20 maart 2003 tot 19 juli 2003. In verband met de proceskosten zal het hof de zaak beoordelen naar de stand van zaken zoals deze was bij de behandeling in eerste aanleg.

4. De onderhavige vordering van [Geïntimeerde] is slechts toewijsbaar indien met grote, althans met voldoende, mate van waarschijnlijkheid geoordeeld kan worden dat in een bodemprocedure, waarin [Geïntimeerde] aanvoert dat het hem op staande voet gegeven ontslag (ver)nietig(baar) is en waarin hij op grond daarvan doorbetaling van salaris c.a. en herstel van de dienstbetrekking vordert, het gelijk aan zijn zijde is.

5.1 Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden als vereist voor een ontslag op staande voet dienen de omstandigheden van het geval in aanmerking te worden genomen, onder welke de aard en de ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur ervan en de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag op staande voet voor hem zouden hebben. Het hof overweegt hieromtrent nader als volgt.

5.2 De door RST gegeven reden voor het ontslag op staande voet is het plaatsgevonden hebben van een incident, waar [Geïntimeerde] bij betrokken was, op 12 maart 2003.

5.3 Voormeld incident deed zich voor tijdens een alarmoefening (een zogeheten BHV-oefening). Het was de eerste keer dat een dergelijke oefening bij RST werd gehouden. [Geïntimeerde] bestuurde een zogenaamd pick-up busje en is daarmee over de voet van een beveiligingsbeambte gereden.

5.4 Met betrekking tot dit voorval is voorts nog het volgende komen vast te staan dan wel voorshands voldoende aannemelijk geworden:

-a) [Geïntimeerde] is, ondanks waarschuwingen en zonder acht te slaan op hem gegeven stoptekens, met het busje (langzaam en over een afstand van enkele meters) heen en weer gereden waarbij hij -achteruit rijdend- met het linkervoorwiel over de voet van de beveiligingsbeambte is gereden;

-b) de voet van de beveiligingsbeambte is zwaar gekneusd geraakt, maar de beveiligingsbeambte heeft aan zijn gekneusde voet geen klachten van blijvende aard overgehouden;

-c) [Geïntimeerde] oogde de dag van het voorval vermoeid en voelde zich die dag ziek;

-d) [Geïntimeerde] was op zoek naar een Belgische monteur voor wie hij die dag verantwoordelijk was;

-e) het over de voet van de beveiligingsbeambte rijden is [Geïntimeerde] te verwijten, maar niet aannemelijk is dat [Geïntimeerde] opzettelijk over de voet van de beveiligingsbeambte heeft gereden.

5.4.1 Hetgeen RST overigens (en verder gaand) met betrekking tot de toedracht van het voorval heeft gesteld, is door [Geïntimeerde] gemotiveerd weersproken. Nadere bewijslevering is in dit geding niet aan de orde.

5.5 Voorts is het volgende komen vast te staan dan wel voorshands voldoende aannemelijk geworden:

-a) voorafgaand aan zijn dienstverband bij RST was [Geïntimeerde] sinds 12 juni 1984 in loondienst bij Bell Lijn B.V.;

-b) na het faillissement van Bell Lijn B.V. op 8 juli 1997 heeft RST op 22 juli 1997 een gedeelte van het personeel van Bell Lijn B.V., waaronder [Geïntimeerde], in dienst genomen;

-c) bij brief van 31 december 2002 heeft Arbo Unie aan RST bericht dat [Geïntimeerde], na langdurig ziek te zijn geweest, volledig zijn eigen werkzaamheden mag hervatten en dat er op gelet dient te worden dat overwerk hem bespaard blijft;

-d) [Geïntimeerde] is bij RST niet eerder bij gevaarzettende incidenten betrokken geweest;

-e) [Geïntimeerde] is begin 2002 drie dagen, zonder doorbetaling van loon, geschorst geweest in verband met het bij wijze van "vriendendienst" voor een collega regelen dat die collega gedurende een donderdagnacht voor een gefingeerde storing zou worden opgeroepen, zodat deze collega die nachtelijke uren als overwerk zou kunnen aanmerken en de vrijdag daarna niet meer in de dagdienst behoefde te komen;

-f) [Geïntimeerde], geboren in [geboortejaar], heeft een eenzijdige werkervaring en een beperkte opleiding, heeft geen nieuwe werkkring gevonden en geniet thans een WW-uitkering.

6. Naar het oordeel van het hof is het in voldoende mate waarschijnlijk dat in een bodemprocedure als bedoeld in rechtsoverweging 4 geoordeeld zal worden dat, in aanmerking genomen de omstandigheden van dit geval zoals hiervoor in 5.2 tot en met 5.5 omschreven, een afweging van de persoonlijke omstandigheden van [Geïntimeerde] tegen de aard en ernst van het incident van 12 maart 2003, zoals deze blijken uit hetgeen onder 5.3 en 5.4 is vermeld, niet tot de conclusie kan leiden dat het aan [Geïntimeerde] gegeven ontslag op staande voet gerechtvaardigd is. Het hof merkt in dit verband nog op dat het hiervoor vermelde "vriendendienst"-incident uit begin 2002 in het kader van de waardering van de wijze waarop [Geïntimeerde] de dienstbetrekking vervuld heeft als van ondergeschikte betekenis dient te worden geduid, nu voldoende aannemelijk geworden is dat dit incident op zichzelf stond, vaststaat dat [Geïntimeerde] daarvoor reeds disciplinair gestraft is en voorts gesteld noch gebleken is dat met betrekking tot de wijze van functioneren van [Geïntimeerde] zich in het verleden overigens problemen hebben voorgedaan.

7. Tegen de achtergrond van het vorenoverwogene behoeven de grieven, die van een andere opvatting uitgaan, geen afzonderlijke bespreking. Zij stuiten daar op af. Het hof merkt nog op dat voorzover RST klaagt over de door de voorzieningenrechter gegeven motivering van de beslissing, zij daarbij geen belang heeft. Voorzover RST ingang wil doen vinden dat de voorzieningenrechter in het tussenvonnis van 4 juni 2003 zodanige hem bindende beslissingen heeft genomen, dat de voorzieningenrechter in het eindvonnis niet meer kon beslissen zoals hij heeft gedaan, gaat het hof daar aan voorbij, reeds omdat deze stellingname van RST op een verkeerde lezing van het tussen- en eindvonnis berust. Het hof gaat eveneens voorbij aan de klacht van RST dat de voorzieningenrechter meer getuigen had behoren te horen, daar de getuigenverhoren in het kader van de behandeling van het ontbindingsverzoek hebben plaatsgevonden en de rechter in een geding als het onderhavige niet aan de wettelijke bewijsregels gebonden is.

8. De slotsom is dat vergeefs geappelleerd is en dat RST de kosten van het hoger beroep heeft te dragen.

Beslissing

Het hof:

-verwerpt het hoger beroep;

-veroordeelt RST in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van Geïntimeerde bepaald op € 205,00 voor griffierecht en op € 2.313,00 voor salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Wild, Husson en Brinkman en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2004 in aanwezigheid van de griffier.