Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO6002

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2004
Datum publicatie
22-03-2004
Zaaknummer
BK-03/01159
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Advocaatkosten ter verwerving van een hogere ontslaguitkering komen onder de Wet IB 2001 niet in aftrek op het belastbare inkomen.

Wetsverwijzingen
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26
Wet inkomstenbelasting 2001 3.80
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0525
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste enkelvoudige belastingkamer

9 maart 2004

nummer BK-03/01159

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van [X] te [Y] tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Grote ondernemingen [P], thans de voorzitter van het managementteam [P] van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzeke-ringen voor het jaar 2001.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 24 februari 2004, gehouden te Den Haag. Aldaar is verschenen belanghebbende, alsmede

drs. [A], [B] en mevrouw [C] namens de Inspecteur.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- handhaaft de aanslag zoals deze ambtshalve door de Inspecteur is verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 68.909 en handhaving van de overige elementen van de aanslag; en

- gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 29 aan belanghebbende te vergoeden.

Gronden

1.1. Belanghebbendes arbeidsovereenkomst is, na een conflict met [Q] B.V. (hierna: de werkgever) met ingang van 1 november 2001 ontbonden. Aanvankelijk is door de werkgever een ontslagvergoeding van ƒ 140.000 aangeboden. Belanghebbende is daarmee niet akkoord gegaan en heeft na een procedure bij de kantonrechter uiteindelijk een bedrag van ƒ 500.000 als ontslagvergoeding (hierna: de ontslagvergoeding) toegekend gekregen.

1.2. De ontslagvergoeding is aangewend voor een stamrecht bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [M] B.V., waarvan belanghebbende en zijn echtgenote voor gelijke delen de enige aandeelhouders zijn.

1.3. Belanghebbende heeft, teneinde de ontslagvergoeding af te dwingen, in 2001 tot een bedrag van € 8.013 (ƒ 17.659) kosten gemaakt en betaald.

1.4. Bij het opleggen van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over 2001 heeft de Inspecteur op het aangegeven belastbare inkomen uit werk en woning (box 1) ad

€ 84.211 correcties inzake een hoger huurwaardeforfait en een hogere aftrek lijfrentepremie aangebracht, welke beide niet in geschil zijn. Dat belastbare inkomen is vastgesteld op

€ 73.626.

1.5. Belanghebbende heeft in zijn aangifte niet om aftrek van beroepskosten verzocht.

1.6. Op het aangegeven inkomen in box 3 ad € 1.349 zijn geen correcties aangebracht.

2. Belanghebbende heeft tegen de aanslag bezwaar gemaakt en om aftrek van de door hem in het jaar 2001 gemaakte kosten inzake de ontslagvergoeding ten bedrage van € 8.013 (ƒ 17.659) verzocht. Bij de bestreden uitspraak is het bezwaar afgewezen.

3. In geschil is het antwoord op de vraag of de door belang-hebbende betaalde kosten in mindering op het inkomen uit werk en woning kunnen worden gebracht, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat met de gemaakte kosten rekening moet worden gehouden en daartoe

- zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Hij acht het onrechtvaardig dat enerzijds de extra kosten die hij heeft gemaakt ter verwerving van een hoger bedrag aan ontslagvergoe-ding niet in aftrek worden toegelaten maar anderzijds het hogere bedrag op enig moment wel aan de belastingheffing wordt onderworpen. Er is sprake van een ongelijke behandeling ten opzichte van werknemers die ter zake van hun beroepskosten wel een onbelaste vergoeding ontvangen. Voorts dateert het geschil met de werkgever reeds uit april 1999 zodat de wetgever bij de invoering van het nieuwe wettelijke stelsel een overgangsrege-ling had moeten treffen. Indien aftrek van deze kosten in het onderhavige jaar niet kan worden verleend dan dient op de toekomstige uitkeringen uit het bedongen stamrecht de saldo-methode toepassing te vinden. Bovendien verzoekt belanghebbende om compensatie voor de gemiste arbeidskorting, die belangheb-bende wel zou hebben genoten indien de uitkering als loon in het jaar 2001 in aanmerking zou zijn genomen. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de wetgever de nadelige gevolgen van het met ingang van het jaar 2001 inwerking getreden belastingstelsel niet heeft onderkend, althans ten onrechte niet ondervangen.

5. De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

6. Nadat de Inspecteur de bestreden uitspraak had gedaan, heeft belanghebbende om aftrek van een lijfrentepremie ten bedrage van € 4.717 verzocht. De Inspecteur heeft het verzoek in behandeling genomen als een verzoek tot ambtshalve vermin-dering en het belastbare inkomen uit werk en woning nader vastgesteld op € 68.909.

7.1. Belanghebbende heeft gewezen op de zijns inziens ongelijke behandeling bij de toepassing van arbeidskosten; wel onbelast kunnen vergoeden maar geen aftrek indien kosten door de werknemer zelf worden gemaakt en betaald. Het Hof kan belang-hebbende in zijn betoog niet volgen nu sprake is van feitelijk en rechtens ongelijke gevallen. Immers bij het toekennen van een voor de loonheffing onbelaste kostenvergoeding vindt een zelfstandige toets door de inhoudingsplichtige plaats. Deze ontbreekt bij de door de belastingplichtige zelf gemaakte aftrekbare kosten voor de inkomsten-belasting en premie volksverzekeringen. Het aldus door de wetgever gemaakte onderscheid moet naar 's Hofs oordeel worden gerespecteerd. Daarbij kan worden gewezen op het oordeel van de Hoge Raad zoals dat kan worden gekend uit onder meer HR 15 juli 1997,

nr. 30.195, BNB 1997/325. Dat de wetgever daarbij een ruime marge van beoordelingsvrijheid toekomt blijkt uit het arrest van 30 maart 2001, nr. 37.091, BNB 2003/145.

7.2. Naar 's Hofs oordeel heeft de wetgever bij het tot stand brengen van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) de aftrek van kosten ter zake van het vervullen van een dienstbetrekking, de kosten welke samenhangen met de beëindi-ging van de dienstbetrekking daaronder begrepen, van aftrek mo-gen uitsluiten. Te dezen is geen sprake van schending van het bepaalde in artikel 14 EVRM noch artikel 26 IVBPR noch enige andere verdragsbepaling waaraan directe werking moet worden toegekend (vgl. HR 21 februari 2003, nr. 38.062, BNB 2003/153).

7.3. Tevens kan het Hof belanghebbende niet volgen in zijn stelling dat het ontbreken van een wettelijke bepaling om de onderhavige kosten in aftrek te brengen als een schending van het recht op het ongestoorde genot van het eigendom als bedoeld in artikel 1 van het eerste Protocol bij het EVRM heeft te gelden. Het Hof verwijst daartoe naar het oordeel van de Hoge Raad zoals dat kan worden gekend uit het arrest 8 februari 2002, nr. 35.721, BNB 2002/137.

7.4. Naar 's Hofs oordeel heeft de wetgever uitdrukkelijk onderkend en aanvaard dat kosten als de onderhavige niet in mindering op het inkomen uit werk en woning kunnen worden gebracht. Verwezen wordt naar de passages uit de parlementaire behandeling van de Wet IB 2001, onder meer Kamerstukken II, 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 8,(verslag wetgevingsoverleg) bladzijde 35, Kamerstukken II, 1999/2000, 26 727, nr. 17 (nota naar aanleiding van het verslag), bladzijde 73-74 en Kamerstuk-ken I 1999/2000, 26 727 en 26 728, nr. 202a (memorie van antwoord), bladzijde 32.

7.5. Voorts heeft belanghebbende zich op het standpunt gesteld dat, indien de beroepskosten niet in aftrek kunnen worden aanvaard, op de in de toekomst te vloeien stroom van uitke-ringen uit het bedongen stamrecht de saldomethode toepassing kan respectievelijk moet vinden. Naar 's Hofs oordeel behoeft deze vraag thans geen beantwoording, nu zulks ook bij gegrond-bevinding van belanghebbendes stelling ter zake, geen invloed kan hebben op het belastbare inkomen van belanghebbende over het onderhavige jaar.

7.6. Belanghebbende heeft tevens verzocht om compensatie van de door hem gestelde gemiste arbeidskorting (artikel 8.11 Wet IB 2001) en heeft daarbij een relatie gelegd met de gemiddelde werknemer en de door laatstgenoemde gemaakte arbeidskosten. Naar 's Hofs oordeel mist deze grief feitelijke grondslag nu belanghebbende in het onderhavige jaar wel de arbeidskorting heeft genoten. Overigens vindt belanghebbendes standpunt ter zake geen steun in het recht. Bovendien wijst het Hof erop dat belanghebbende zelf de keuze heeft gemaakt de vergoeding voor de ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet thans als loon te genieten maar de heffing naar een toekomstig tijdstip te verleggen door de voormelde vergoeding aan te wenden voor een stamrecht.

7.7. Met hetgeen belanghebbende aan feiten en omstandigheden heeft aangevoerd, heeft hij ook niet aannemelijk gemaakt dat de Inspecteur bij het opleggen van de onderwerpelijke aanslag in strijd heeft gehandeld met enig in het algemeen rechtsbewust-zijn levend beginsel van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zogenoemde gelijkheidsbeginsel.

7.8. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.1 tot en met 7.7 is overwogen, is het gelijk aan de Inspecteur.

8. De Inspecteur heeft desgevraagd ter zitting aan belangheb-bende de toezegging gedaan dat indien de Hoge Raad de uitspraak Hof Amsterdam 2 juni 2003, nr. 02/7448, V-N 2003/31.4, casseert en aldaar de belastingplichtige in het gelijk wordt gesteld, de Inspecteur alsnog ambtshalve de in geschil zijnde aftrek ad

€ 8.013 zal verlenen en de onderwerpelijke aanslag overeen-komstig zal verminderen.

9. Gelet op het onder 6 hiervoor overwogene is het beroep gegrond en moet het belastbare inkomen in box 1 worden vastgesteld op € 68.909, met handhaving van de overige elementen van de aanslag.

10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien gesteld noch gebleken is dat belang-hebbende dergelijke kosten heeft gemaakt. Wel dient aan belang-hebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

Deze uitspraak is vastgesteld op 9 maart 2004 door mr. Van Walderveen en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Antonis.

(Antonis) (Van Walderveen)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.