Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO6001

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-03-2004
Datum publicatie
22-03-2004
Zaaknummer
Bk-02/04616
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AZ3767, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Legesheffing bouwvwergunning 2001. Aanvraag ter legalisatie van onrechtmatig gebouwde serre. Dubbele heffing ter zake van een dienstverlening?

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0581
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde enkelvoudige belastingkamer

4 maart 2004

nummer BK-02/04616

UITSPRAAK

op het beroep van X-Y te Z tegen de uitspraak van de ambtenaar, belast met de heffing van belastingen van de gemeente Leiderdorp (hierna: de Inspecteur), betreffende na te noemen van haar gevorderde bedrag aan leges.

1. Legesheffing en bezwaar

1.1. Van belanghebbende is ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag voor een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, bij schriftelijke kennisgeving van 6 juni 2001 een bedrag van ƒ 601,25 aan leges geheven.

1.2. Het tegen het gevorderde bedrag gerichte bezwaar van belanghebbende is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 29. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 12 november 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Het Hof heeft op 26 november 2003 mondeling uitspraak gedaan. De voor partijen bestemde afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 9 december 2003 ter post bezorgd. Op 4 januari 2004 is van belanghebbende een verzoek ingekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde griffierecht ad € 43,50 is tijdig voldaan.

3. De verordening

De raad van de gemeente Leiderdorp heeft in zijn openbare vergadering van 2 november 1998 vastgesteld de Legesverordening 1999 (hierna: de Verordening), welke verordening laatstelijk is gewijzigd bij besluit van de raad van 11 december 2000. Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de Verordening en de wijzigingen daarvan steeds op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. De tekst van de Verordening en de daarbij behorende tarieventabel behoort in kopie tot de stukken van het geding.

4. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

4.1. Belanghebbende heeft in 1995 een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet ingediend voor de bouw van een serre. Deze aanvraag is in behandeling genomen en het bijbehorende bouwplan is op welstandsaspecten beoordeeld. In de aanvraag en de daarbij overgelegde bouwtekeningen is uitgegaan van een bouwhoogte van 3,40 meter. Deze tekeningen zijn door de gemeente vervangen door eigen bouwtekeningen, waarin is uitgegaan van een bouwhoogte van 3,05 meter. Ter zake van deze aanvraag zijn van belanghebbende leges geheven.

4.2. Uiteindelijk is een vergunning verleend voor de bouw van een serre met een hoogte van 3,05 meter. De vergunning staat onherroepelijk vast. Belanghebbende heeft conform de oorspronkelijke bouwtekeningen een serre laten bouwen met een hoogte van 3,40 meter. Na enige gerechtelijke procedures is uiteindelijk komen vast te staan dat de serre aldus is gebouwd in strijd met de verleende vergunning en dat zulks onrechtmatig is.

4.3. Ter legalisering van deze onrechtmatige situatie heeft belanghebbende op 19 maart 2001 nogmaals een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet ingediend. Ook deze aanvraag is in behandeling genomen en het bij die aanvraag behorende bouwplan is op welstandsaspecten beoordeeld. De onderhavige leges zijn geheven ter zake van deze aanvraag, naar een heffingsmaatstaf van ƒ 20.000.

5. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de onderhavige leges terecht zijn geheven, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door de Inspecteur bevestigend wordt beantwoord.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan de door hen in de gedingstukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

6. Conclusies van partijen

6.1. Het beroep van belanghebbende strekt naar het Hof begrijpt tot vermindering van het gevorderde bedrag tot nihil.

6.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

7. Overwegingen omtrent het geschil

7.1. Vaststaat dat belanghebbende op 19 maart 2001 een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet heeft ingediend en dat deze aanvraag in behandeling is genomen. Tevens staat vast dat het bij die aanvraag behorende bouwplan op welstandsaspecten is beoordeeld. Aldus is sprake van het belastbare feit als omschreven in artikel 2 van de Verordening juncto onderdeel 4.1.3.1 van de bij de Verordening behorende tarieventabel. De in casu gehanteerde heffingsmaatstaf van ƒ 20.000 bouwkosten en de hoogte van het gevorderde bedrag zijn als zodanig niet betwist.

7.2. Belanghebbendes grief komt kort samengevat hierop neer dat voor de werkzaamheden ter zake waarvan het onderhavige bedrag is gevorderd, reeds eerder, in 1995, leges zijn geheven en betaald. Aldus is - in de visie van belanghebbende - sprake van het tweemaal betalen voor één enkele dienstverlening.

7.3. Vaststaat dat belanghebbende in 1995 eveneens een aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet heeft ingediend, dat deze aanvraag in behandeling is genomen en dat ook toen het bij die aanvraag behorende bouwplan op welstandsaspecten is beoordeeld. Derhalve is de hiervoor bedoelde dienstverlening niet eenmaal maar tweemaal verricht en heeft het hiervoor onder 7.1 bedoelde belastbare feit zich ook tweemaal voorgedaan. Belanghebbendes grief faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.

7.4. Indien en voorzover belanghebbendes grief aldus moet worden begrepen dat de onder 7.1 genoemde aanvraag het gevolg is van de omstandigheid dat bij de onder 7.3 bedoelde procedure ten onrechte gebruik is gemaakt van gewijzigde respectievelijk andere bouwtekeningen, faalt zij eveneens. Deze omstandigheid doet er immers niet aan af dat het belastbare feit van het in behandeling nemen van een aanvraag zich tweemaal heeft voorgedaan, terwijl niet gesteld of gebleken is dat de tweede aanvraag niet zou zijn gedaan indien bij de procedure in 1995 zou zijn uitgegaan van de bouwtekeningen zoals die bij de toen ingediende aanvraag waren overgelegd.

7.5. Gelet op al het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

8. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

9. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld op 4 maart 2004 door mr. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Holdert, ter vervanging van de mondelinge uitspraak van 26 november 2003.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.