Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO5621

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2004
Datum publicatie
15-03-2004
Zaaknummer
2200478203
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een supermarkt waarbij een aanzienlijk geldbedrag werd buitgemaakt. Hij is er niet voor teruggedeinsd om een medewerkster van die supermarkt een vuurwapen te tonen en verbaal te bedreigen. Een feit als het onderhavige berokkent (aanzienlijke) economische schade en overlast, wordt in de regel door de slachtoffers als zeer bedreigend en beangstigend ervaren en leidt veelal nog gedurende geruime tijd tot nadelige psychische gevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200478203

parketnummer 1005008202

datum uitspraak 15 maart 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 5 september 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 1 maart 2004.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 2 en 3 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder

1 tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Omvang van het hoger beroep

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep medegedeeld dat het hoger beroep niet gericht is tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde, te weten vrijspraak.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

8. Beslissing op het verzoek van de raadsman

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht, indien het hof de herkenningen door de kijkers van het televisieprogramma "Opsporing Verzocht" tot het bewijs wenst te bezigen, de behandeling van de zaak aan te houden teneinde door het Nederlands Forensisch Instituut, afdeling forensische statistiek, de diagnostische waarde van deze herkenningen te laten onderzoeken. De raadsman heeft ter onderbouwing van dit verzoek aangevoerd -zakelijk weergegeven-:

Op basis van de thans voorhanden gegevens kan de diagnostische waarde van bedoelde herkenningen -erop neerkomend dat op de vertoonde videobeelden de verdachte voorkomt- niet worden vastgesteld. Weliswaar herkent een aantal kijkers de verdachte, maar een aantal noemt in dit verband ook de naam van een andere persoon. De beelden en de aan de hand daarvan vervaardigde foto's zijn bovendien niet bijzonder duidelijk.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het onderzoek blijkt dat, naar aanleiding van het op 25 november 2000 uitgezonden programma "Opsporing Verzocht", acht getuigen, onafhankelijk van elkaar en met aanmerkelijke stelligheid, hebben verklaard dat zij op de vertoonde videobeelden -weergevend de dader van de onderhavige overval- de verdachte hebben herkend. Het betreft hier onder anderen verdachtes zuster onderscheidenlijk diens voormalige werkgever, een oud-huisgenoot en een tweetal politie-ambtenaren die de verdachte recentelijk in een andere zaak hadden verhoord, te weten op 22 juli 2002.

Ook al kan de raadsman worden nagegeven dat bedoelde videobeelden en foto's niet worden gekenmerkt door een optimale duidelijkheid, dit neemt niet weg dat de verdachte van de beelden onderscheidenlijk foto's daadwerkelijk is herkend door getuigen die met hem (aanzienlijk) meer dan oppervlakkig bekend waren en/of getuigen die geacht moeten worden te beschikken over een professionele vaardigheid in het herkennen van personen, welke herkenningen overigens steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Het hof is met het oog op het bovenstaande van oordeel dat de noodzaak tot het door het Nederlands Forensisch Instituut te verrichten nader onderzoek naar de diagnostische waarde van bovenbedoelde herkenningen, als door de raadsman verzocht, niet is gebleken. Het enkele feit dat in een tweetal reacties de naam van een andere persoon dan de verdachte is genoemd, zonder dat in het onderzoek enige aanwijzing naar voren is gekomen dat die ander iets met deze zaak uitstaande heeft, doet aan het vorenstaande niet af.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1: Afpersing.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Beslissing op het aanhoudingsverzoek

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 1 maart 2004 het hof verzocht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde een zogehete triple-rapportage omtrent de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte te doen opmaken.

De advocaat-generaal heeft dit verzoek, zakelijk weergegeven, als volgt met redenen omkleed. Uit de stukken is gebleken dat aan de verdachte in het verleden reeds een TBR is opgelegd, te weten in 1985. Deze TBR is destijds éénmaal verlengd. Nadien heeft hij zich herhaaldelijk schuldig gemaakt aan geweldsmisdrijven, waaronder afpersing. Ook recent is van gewelddadigheid van de verdachte gebleken, hetgeen kan worden afgeleid uit het op 3 december om 22:08 uur afgeluisterde telefoongesprek tussen [naam] en een zekere [naam]

Het hof wijst het verzoek van de advocaat-generaal af.

Naar het oordeel van het hof zijn onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht die het vermoeden rechtvaardigen dat een rapportage als door de advocaat-generaal voorgesteld zou leiden tot een wezenlijk andere sanctionering, zodat de noodzaak tot zodanige nadere rapportering, mede in het licht van de ontkenning van het tenlastegelegde door de verdachte, niet is komen vast te staan.

12. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Van Es heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overval op een supermarkt waarbij een aanzienlijk geldbedrag werd buitgemaakt. Hij is er niet voor teruggedeinsd om een medewerkster van die supermarkt een vuurwapen te tonen en verbaal te bedreigen. Een feit als het onderhavige berokkent (aanzienlijke) economische schade en overlast, wordt in de regel door de slachtoffers als zeer bedreigend en beangstigend ervaren en leidt veelal nog gedurende geruime tijd tot nadelige psychische gevolgen.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 13 februari 2004, al een aantal malen is veroordeeld voor het plegen van ernstige strafbare feiten, ook voor feiten vergelijkbaar met het onderhavige. De heb daarvoor telkens opgelegde forse gevangenisstraffen hebben hem kennelijk niet weerhouden van het opnieuw plegen van een ernstig strafbaar feit.

Het hof is dan ook van oordeel dat alleen onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, zoals na te melden, een passende reactie vormt.

13. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht.

14. Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAAR.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aler, Heemskerk en Van Dissel in bijzijn van de griffier mr. Oudshoorn-Kloos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 maart 2004.