Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO5618

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2004
Datum publicatie
15-03-2004
Zaaknummer
2200382803
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2003:AI0442
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich samen met zijn broer schuldig gemaakt aan de moord op twee jonge mensen. De vriendin van de broer van verdachte is door deze broer van dichtbij met een pistool, dat hij op aanraden van de verdachte van huis had meegenomen, door haar hoofd geschoten. Het hof acht verdachte's aandeel, bestaande uit het urenlang op een zeer provocerende manier verkrijgen van "de waarheid" uit het slachtoffer en daarmee aan het ontstaan van de situatie leidende tot het daadwerkelijke schieten door de broer van de verdachte, groot. Vervolgens zijn de beide verdachten in de auto gestapt en naar het huis van het tweede slachtoffer gereden en is het slachtoffer door de broer van de verdachte met het pistool koelbloedig geliquideerd. Wat er ook zij van de verdenkingen die de verdachte en zijn broer tot deze daden hebben gebracht, te weten een vermeende seksuele relatie tussen de beide slachtoffers en vermeend cocaïne gebruik door één van de slachtoffers, deze kunnen op geen enkele wijze afbreuk doen aan het zinloze, weerzinwekkende en brute karakter van deze daden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200382803

parketnummer 0975700703

datum uitspraak 15 maart 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 25 juli 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 1 maart 2004.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van tien jaar, met aftrek van voorarrest.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

7. Overweging ten aanzien van de bewezenverklaring

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de beide slachtoffers om het leven zijn gekomen door kogels afkomstig uit een door de broer van de verdachte afgeschoten vuurwapen.

Nu aan de verdachte wordt verweten dat hij in beide gevallen moet worden aangemerkt als medepleger van deze levensberovende handelingen - en niet alleen als toeschouwer, in welke rol hij zichzelf ziet - moet worden vastgesteld of er tussen de verdachte en zijn broer sprake is geweest van een nauwe en volledige samenwerking gericht op en leidend tot de dood van beide slachtoffers.

Dat van medeplegen door de verdachte van tweevoudige moord in casu sprake is geweest leidt het hof af uit het verloop van de dramatische gebeurtenissen in de vroege uren van 29 december 2002, zoals dit uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De verdachte wist dat zijn broer de voorafgaande avond geïrriteerd was geraakt door bepaalde aspecten van het gedrag van zijn vriendin, het latere slachtoffer [naam] en dat zijn broer in het verleden gewelddadig tegen haar was geweest.

Toen zij verdachtes broer die nacht rond 03.30 uur belde en vroeg om naar haar toe te komen, heeft verdachtes broer haar aangegeven dat hij alleen samen met de verdachte zou komen en heeft de verdachte er vervolgens bij zijn broer op aangedrongen dat deze zijn (geladen) pistool mee zou nemen.

Ter plaatse heeft verdachte vervolgens op een intimiderende en indringende manier van [naam] ondervraagd over haar gedrag, naar eigen zeggen om zijn broer de ogen te openen voor wat verdachte meende zelf wèl te zien. Het ging de verdachter er om zijn broer te doen inzien aan welk verwerpelijk gedrag [naam] zich had schuldig gemaakt: cocaïnegebruik via de base-pijp en seksueel contact met meer andere mannen tegelijk. Verdachte is die avond naar eigen zeggen uren bezig geweest om door te drammen en te bluffen "het hele verhaal uit [naam] te trekken". Tekenend voor de betrouwbaarheid van dat "verhaal" is dat waar verdachte verklaart over het voorafgaande drugsgebruik van [naam] die nacht, waarvan hij zegt overtuigd te zijn geweest en waarvoor hij ook de ogen van zijn broer wilde openen, uit onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut is komen vast te staan dat zij al geruime tijd geen cocaïne meer had gebruikt, en dus zeker niet die bewuste avond.

Voorts heeft [naam] in de ondervraging door de verdachte 'bekentenissen' afgelegd over seksueel contact dat zij gehad zou hebben met het latere slachtoffer [naam] en andere mannen, welke veronderstelde 'waarheid' volgens de verdachte zijn broer niet boven water kon krijgen.

De verdachte heeft verklaard te hebben gezien dat zijn broer door de 'bekentenissen' door [naam] 'bloedlink' is geworden; hij wist bovendien dat zijn broer een geladen vuurwapen bij zich had.

De verdachte zag, toen die sexuele 'bekentenissen' waren gedaan, dat deze als een bom bij zijn broer insloegen en hij had het gevoel dat [naam] door zijn broer afgemaakt zou worden. Ook zij "wist dat (zijn broer) dit nooit over zijn kant liet gaan"; door te vertellen dat ze triootjes gedaan had "heeft ze haar vonnis getekend", aldus de verdachte.

In aanwezigheid van de verdachte heeft zijn broer het er vervolgens toe geleid dat [naam] haar drie in het huis aanwezige kinderen heeft gewekt en aangekleed en dat deze vervolgens door verdachtes moeder werden opgehaald. Ook zag de verdachte dat zijn broer [naam]'s simkaart uit haar mobiele telefoon verwijderde en later dezelfde handeling verrichtte bij zijn eigen mobiele telefoon.

De verdachte heeft verklaard het omineuze karakter van deze gebeurtenissen te hebben beseft door uit te spreken dat hij voelde dat [naam] bang was omdat ze wist dat ze te ver gegaan was en ook dat zij door zijn broer "afgemaakt zou worden". De verdachte heeft voorts verklaard dat toen zijn broer zei "dat zijn hele leven geruïneerd was en dat hij niet over zich zou laten lopen", [naam] snapte dat zijn broer naar [naam] zou gaan en dat hijzelf dat in ieder geval wist, "want zo steekt (zijn broer) gewoon in elkaar". En toen zijn broer (nadat deze zojuist [naam] met een pistoolschot om het leven had gebracht) aankondigde "dat (ze) naar de Fahrenheitstraat gingen" begreep de verdachte dat zijn broer ook [naam] "ging afmaken", hij wist dat deze de volgende zou zijn. De verdachte heeft zijn broer niet alleen met de auto van zijn moeder naar de woning van [naam] gebracht en ervoor gezorgd dat beiden zich vandaar van een snel heenkomen verzekerd wisten; hij heeft op weg daarnaartoe kennelijk ook mondeling zijn adhesie betuigd aan het optreden van zijn broer door het (in het Engels) uitroepen van de woorden 'honderd en tachtig', de voltreffer die het hoogste puntenaantal in het dartspel oplevert.

Uitgaande van de hierboven weergegeven feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de verdachte zich niet alleen geenszins heeft gedistantieerd van de handelingen van zijn broer die hebben geleid tot de dood van beide slachtoffers, maar daaraan, welbewust en de consequenties van zijn handelen volledig voorziende, juist een substantiële bijdrage heeft geleverd. Immers, door toedoen van de verdachte had zijn broer zich voorzien van een vuurwapen. Door toedoen van de verdachte werd het slachtoffer [naam] dusdanig onder druk gezet dat zij, al dan niet naar waarheid, bekentenissen aflegde die zijn broer zichtbaar in een gemoedstoestand brachten - door verdachte zelf gekenschetst als 'bloedlink' - die zeer wel zijn ontlading zou kunnen, zo niet moest vinden in excessief geweld tegen [naam] en [naam]. De verdachte heeft aldus tenminste de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn broer zowel [naam] als [naam] (met dat vuurwapen) zou doden. Het hof is bovendien van oordeel dat gegeven de hierboven omschreven feiten en omstandigheden de samenwerking tussen de verdachte en diens broer zo nauw en volledig is geweest dat zij beide slachtoffers tezamen en in vereniging van het leven hebben beroofd. Bovendien hebben de verdachte en diens broer beiden ruimschoots de tijd en de gelegenheid gehad de draagwijdte en de mogelijke gevolgen van hun voorgenomen handelingen onder ogen te zien en zich daarvan rekenschap te geven zodat genoegzaam is komen vast te staan dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld. De verdachte heeft echter op geen enkel moment getracht het naderende onheil af te weren, in het bijzonder ook niet toen zijn moeder kwam om de kinderen op te halen.

8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 primair en 2 primair: Medeplegen van moord, meermalen gepleegd.

9. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

10. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Van Es heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zestien jaar, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn broer schuldig gemaakt aan de moord op twee jonge mensen. De vriendin van de broer van verdachte is door deze broer van dichtbij met een pistool, dat hij op aanraden van de verdachte van huis had meegenomen, door haar hoofd geschoten. Het hof acht verdachte's aandeel, bestaande uit het urenlang op een zeer provocerende manier verkrijgen van "de waarheid" uit het slachtoffer, zoals hierboven onder 7 omschreven, en daarmee aan het ontstaan van de situatie leidende tot het daadwerkelijke schieten door de broer van de verdachte, groot. Vervolgens zijn de beide verdachten in de auto gestapt en naar het huis van het tweede slachtoffer gereden en is het slachtoffer door de broer van de verdachte met het pistool koelbloedig geliquideerd. Wat er ook zij van de verdenkingen die de verdachte en zijn broer tot deze daden hebben gebracht, te weten een vermeende seksuele relatie tussen de beide slachtoffers en vermeend cocaïne gebruik door één van de slachtoffers, deze kunnen op geen enkele wijze afbreuk doen aan het zinloze, weerzinwekkende en brute karakter van deze daden.

Door te handelen als thans bewezenverklaard hebben de verdachte en zijn mededader de twee slachtoffers het meest fundamentele recht ontnomen waar de mens over beschikt: het recht op leven. De wet stelt daarop de zwaarste gevangenisstraffen. Bovendien hebben de verdachte en zijn mededader door hun handelen onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van de slachtoffers. Deze delicten en de wijze waarop zij zijn uitgevoerd, dragen een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter. Daarnaast brengen delicten als de onderhavige bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 13 februari 2004, al eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten.

Het hof heeft acht geslagen op het omtrent de persoon van de verdachte opgemaakt Pro Justitiarapport van Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek van het Ministerie van Justitie d.d. 1 juli 2003, opgesteld en ondertekend door J.M. Oudejans, psycholoog, J.A. van der Linden, psychiater en A.A.R. de Krom, psychiater.

Uit dit rapport komt het volgende beeld van verdachte naar voren. De verdachte heeft zich ontwikkeld tot een ongeremde, moreel vrijblijvende, weinig wilskrachtige en tamelijk schaamteloze man met weinig innerlijke beschaving. Deze persoonlijkheidstrekken vallen echter niet buiten de grenzen van het 'normale' en hebben -binnen de context van een milieu dat als tamelijk asociaal kan worden aangemerkt- geen pathologische connotatie. Er is geen sprake van een psychiatrische ziekte, noch van een persoonlijkheidsstoornis, in welke vorm dan ook. Hoewel betrokkene verbaal vaak ongeremd, grof en ongenuanceerd uit de hoek kan komen, de neiging heeft angst en onzekerheid af te weren door zich "op te blazen", en vrij snel gefrustreerd is of bozig kan reageren wanneer hij wordt aangesproken op zijn gedrag, beschikt hij in principe over voldoende zelfbeheersing en controle over zijn agressie. Er is geen sprake van een stoornis in de regulatie van agressieve impulsen. Er zijn aan wijzingen dat er nog steeds sprake is van cocaïnemisbruik, maar dit gebruik kan niet in verband worden gebracht met een psychiatrische stoornis. Naar het oordeel van de deskundigen was de verdachte ten tijde van het plegen van de hem ten laste gelegde feiten niet lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis zijner geestvermogen, zodat de hem tenlastegelegde feiten -indien bewezen- hem volledig kunnen worden toegerekend.

Tenslotte kan er, op basis van het beeld van de interactie tussen betrokkene en zijn medeverdachte dat in het onderzoek is ontstaan, niet worden geconcludeerd dat er bij betrokkene sprake is van een pathologische afhankelijk in de relatie met zijn broer. Mocht er bij de totstandkoming van het tenlastegelegde mogelijk sprake zijn geweest van druk of beïnvloeding door de medeverdachte, dan kan worden uitgesloten dat betrokkene belemmerd werd in zijn vermogen om weerstand te bieden aan deze druk of beïnvloeding. Op grond van bovenstaande overwegingen en conclusies kan het tenlastegelegde niet in verband worden gebracht met een eventuele psychische stoornis.

Bij afwezigheid van een psychische stoornis, in welke vorm dan ook, kan er over de kans op herhaling van feiten als thans ten laste gelegd vanuit gedragskundig oogpunt niets worden gezegd. Betrokkene werd immers ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde niet vanuit een bepaalde psychische stoornis belemmerd in zijn vermogen om (morele) afwegingen te maken en te kiezen voor gedragsalternatieven, waardoor er gedragskundig gezien geen verwachting kan worden uitgesproken met betrekking tot toekomstig gedrag in het algemeen en de kans op het plegen van delicten in het bijzonder. Op grond van bovenstaande overwegingen en conclusies zijn er voor het onderzoekende team geen gronden om in het kader van de recidivepreventie een advies voor begeleiding of behandeling in een strafrechtelijk kader uit te brengen.

Het hof neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de zijne. Het hof heeft bovendien moeten vaststellen dat de verdachte er tot en met de terechtzitting in hoger beroep niet of nauwelijks blijk van heeft gegeven besef te hebben van het afschrikwekkende karakter van het gebeurde en het hoogst laakbare aandeel dat hij daarin heeft gehad. Aldus moet met een aanzienlijk recidiverisico worden rekening gehouden.

Het hof is dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur een passende en ook noodzakelijke reactie vormt. In de na te melden duur heeft het hof in matigende zin betrokken dat het niet de verdachte, maar zijn broer, is geweest die de fatale schoten daadwerkelijk heeft afgevuurd.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

12. Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF JAAR.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Aler, Heemskerk en Van Dissel in bijzijn van de griffier mr. Oudshoorn-Kloos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 15 maart 2004.