Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO4890

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-02-2004
Datum publicatie
03-03-2004
Zaaknummer
BK-02/03927
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Schulden bestaan niet meer. Geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat de schulden zijn herleefd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/27.16 met annotatie van Redactie
FutD 2004-0432
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

18 februari 2004

nummer BK-02/03927

UITSPRAAK

op het beroep van X te B tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid P, thans de voorzitter van het managementteam P, van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 7.780.003.

1.2. Bij de bestreden uitspraak heeft de Inspecteur, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 7.737.537.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 29. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 januari 2004, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Tot en met 19 september 1995 had belanghebbende, voor zover te dezen van belang, een drietal schulden aan de ING Bank onder de volgende rekeningnummers.

Rekeningnummer Afgekort Schuld

xx a ƒ 6.085.570

xx b ƒ 2.910.661

xx c ƒ 4.500.000.

Daarnaast beschikte belanghebbende over een rekening-courant bij de ING Bank onder nummer xx (d). Het tekort op die rekening beliep per 20 september 1995 ƒ 3.383.048,88.

3.2. De schulden op de rekeningen a en b zijn ontstaan in verband met de aankoop van effecten, terwijl de schuld op rekening c is ontstaan in verband met opgenomen gelden voor levensonderhoud.

3.3. Omdat ten aanzien van de financiering van de effectenportefeuille niet meer werd voldaan aan de door de ING Bank vereiste dekking, heeft een herschikking van de krediet-faciliteiten en een opschoning van de rekeningen plaatsgehad.

3.4. Op 19 september 1995 zijn van rekening d de volgende bedragen naar de onderstaande rekeningen overgeboekt. Blijkens de overgelegde rekeningafschriften leidde zulks tot de in de laatste kolom genoemde schuldsaldi per 22 september 1995.

Rekening Overgeboekt Schuld

a ƒ 3.480.000 ƒ 2.605.570

b ƒ 2.910.661 nihil

c ƒ 4.500.000 nihil

d ƒ 10.891.611 ƒ 14.274.660.

3.5. Met rentedatum 13 oktober 1995 heeft belanghebbende in twee tranches (ƒ 1.000.000 en ƒ 9.000.000) een, kennelijk op die datum of kort daarvoor met de ING Bank overeengekomen, kas-geldfaciliteit naar het maximale bedrag aangewend. Die kasgeld-faciliteit heeft het rekeningnummer 65.64.37.839 (e). Het aldus beschikbaar gekomen geld is overgemaakt op rekening d.

3.6. De schuld uit de kasgeldfaciliteit (ƒ 10.000.000) ziet voor 55 percent op aanwendingen voor effecten en voor

45 percent op aanwendingen voor levensonderhoud.

3.7. Op 29 maart 1996 wordt door C B.V. - een door belanghebbende dan wel zijn echtgenote beheerste vennootschap - een bedrag van ƒ 4.242.750 overgemaakt op rekening d ter zake van een vordering van belanghebbende verkregen uit hoofde van terugbetaling van aandelenkapitaal.

3.8. Op 13 augustus 1996 is belanghebbende, mede in verband met het onder 3.3 vastgestelde, met C B.V. een schriftelijke overeenkomst van geldlening aangegaan. Daarin is vastgelegd dat C B.V. op 1 april 1996 aan belanghebbende een bedrag van ƒ 5.377.250 ter leen heeft verstrekt. Op 1 april 1996 is dat bedrag door C B.V. overgemaakt op rekening d.

3.9. Op 29 maart 1996 is van rekening d ƒ 4.500.000 overgemaakt naar rekening e ter aflossing van de kasgeld-faciliteit. Op 1 april 1996 is van rekening d ƒ 5.500.000 overgemaakt naar rekening e ter finale aflossing van de kasgeldfaciliteit.

3.10. Over het jaar 1997 heeft belanghebbende een bedrag van ƒ 264.648 in mindering op zijn inkomen gebracht als aftrekbare kosten ter zake van de op de geldlening bij C B.V. (zie 3.8) betaalde rente.

3.11. De Inspecteur heeft van de onder 3.10 bedoelde rente een deel, groot ƒ 119.000, niet als aftrekbare kosten in aftrek toegestaan doch aangemerkt als persoonlijke verplichtingen-rente. In de omstandigheid dat het wettelijk maximaal in aanmerking te nemen bedrag aan persoonlijke verplichtingenrente reeds uit anderen hoofde is benut, heeft de Inspecteur het belastbare inkomen met laatstgenoemd bedrag verhoogd.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur terecht de onder 3.11 bedoelde correctie heeft aangebracht, hetgeen belanghebbende bestrijdt doch de Inspecteur staande houdt.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de ter zitting voorgedragen pleitnota. Zij hebben hun stand-punten ter zitting toegelicht en aldaar aan hun in de stukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 7.618.537.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrond-verklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Ten aanzien van de ontvankelijkheid in beroep stelt het Hof het volgende voorop. In de omstandigheid dat de uitspraak op het bezwaar van de Inspecteur van 18 juli 2002

- met volledige rechtsmiddelverwijzing - een vermindering van het vastgestelde belastbare inkomen behelst en gevolgd werd door een 2 augustus 2002 gedagtekend stuk uit 'Apeldoorn', eveneens als uitspraak op bezwaarschrift aangeduid, met de cijfermatige uitwerking van de beslissing van de Inspecteur - wederom met volledige rechtsmiddelverwijzing -, acht het Hof, met de Inspecteur, het op 11 september 2002 ingediende beroep-schrift onder toepassing van artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht ontvankelijk.

6.2. Ter beslechting van het geschil acht het Hof beslissend het antwoord op de vraag of de oorspronkelijke schulden a (afgezien van het onder 3.4 vermelde schuldsaldo) en b als bedoeld in 3.1, in 1997 nog (gedeeltelijk) zijn blijven bestaan dan wel zijn herleefd.

6.3. Reeds door de overboekingen van 19 september 1995 (zie 3.4) zijn bedoelde schulden tot de daar genoemde bedragen teniet gegaan, nu niet is gebleken dat beoogd is af te wijken van het van rechtswege geldende stelsel van verrekening. Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden waaruit de conclusie zou kunnen worden getrokken dat reeds toen op enigerlei wijze is bepaald dat de oorspronkelijke schulden zijn blijven bestaan of dat anderszins enig bedrag ter zake van die schulden is afgezonderd.

6.4. Voor zover kan worden gezegd dat de overboekingen van rekening d kunnen worden aangemerkt als (een te negeren) gebruikmaking van een tussenrekening in verband met de aanwendingen van de kasgeldfaciliteit, hetgeen mede in het licht van het tijdsverloop van bijna een maand niet aannemelijk is geworden, baat dat belanghebbende niet. Evenmin zijn er feiten en omstandigheden aannemelijk geworden waaruit de conclusie zou kunnen worden getrokken dat reeds bij het overeenkomen van de kasgeldfaciliteit dan wel de aanwending daarvan, op enigerlei wijze is bepaald dat de oorspronkelijke schulden zijn blijven bestaan of dat anderszins enig bedrag ter zake van die schulden is afgezonderd. De omstandigheid dat destijds nog geen sprake was van de per 1997 ingevoerde aftrekbeperking van persoonlijke verplichtingenrente, zoals belanghebbende ter zitting heeft gesteld, leidt niet tot een ander oordeel.

6.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat de onder 6.2 bedoelde schulden niet meer bestaan. Er zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat die schulden zijn herleefd. Het beroep van belanghebbende op vraag en antwoord A.17. van het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 11 mei 1998, nr. DB98/1978M, faalt reeds op de grond dat de feiten en omstandigheden in het onderhavige geval niet overeenstemmen met de aldaar als uitgangspunt genomen feiten en omstandigheden.

6.6. De omstandigheid dat in de schriftelijke overeenkomst van geldlening met C B.V. en de daaraan voorafgaande correspondentie wel sprake is van de door belanghebbende bepleite afzondering doet aan het vorenstaande niet af, nu daaruit niet volgt dat reeds op een van de onder 6.3 en 6.4 bedoelde momenten het in de bedoeling lag bedoelde schulden af te zonderen. Ook anderszins is zulks niet aannemelijk geworden.

6.7. Aangezien meerbedoelde schulden teniet zijn gegaan kan de overschrijving van 29 maart 1996 van rekening d naar rekening e van ƒ 4.500.000 (zie punt 3.9) niet enkel worden toegerekend aan het levensonderhoud, nu er niet langer sprake was van een te onderscheiden deel dienaangaande.

6.8. Het vastgestelde onder 3.6 in aanmerking nemende, heeft de Inspecteur terecht de schuld aan C B.V. voor een evenredig deel, zijnde 45 percent, aangemerkt als verband houdende met het levensonderhoud en de rente dienovereenkomstig niet in aftrek toegelaten.

6.9. Belanghebbendes overige grieven stuiten op het vorenoverwogene af. Het beroep is ongegrond.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld op 18 februari 2004 door mrs. Schuurman, Vierhout en Visser. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Crabbendam.

(Crabbendam)

(Schuurman)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

??

nummer BK-02/03927 blz. 6/7