Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO4450

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-01-2004
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
03/3 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Internationale arbeidsovereenkomst, toepasselijk recht: Texaans recht, art. 6 BBA niet van toepassing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 30 januari 2004

Rolnummer: 03/3 KG

Rolnr. rechtbank: KG 02/1287

HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

DE WERKNEMER,

wonende te X,

appellant,

hierna te noemen: De werknemer,

procureur: mr. R. Sekeris,

tegen

1. HALLIBURTON OILFIELD SERVICES B.V., (voorheen

DRESSER OILFIELD SERVICES B.V.),

gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te Rijswijk,

2. De vennootschap naar vreemd recht HALLIBURTON ENERGY SERVICES INC,

gevestigd te Houston, Texas, Verenigde Staten van Noord-Amerika,

geïntimeerden,

hierna te noemen: Oilfield Services, respectievelijk Halliburton,

procureur: mr. W. Taekema.

Het geding

Bij exploot van 16 december 2002 is De werknemer in hoger beroep gekomen van het vonnis van 19 november 2002 in kort geding door de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage tussen partijen gewezen. De werknemer heeft bij memorie van grieven (met producties) drie grieven opgeworpen, die door Oilfield Services en Halliburton bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Vervolgens hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

De beoordeling

1. Geen grief of ander bezwaar is gericht tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in rechtsoverweging 2 in het beroepen vonnis, zodat ook het hof de aldaar vermelde feiten tot uitgangspunt neemt.

2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

2.1 De werknemer, die de Britse nationaliteit heeft, is op 1 mei 1994 door de vennootschap naar Amerikaans recht Baroid Drilling Fluids Inc. (verder BDF) naar Nederland uitgezonden teneinde hier te lande werkzaamheden te verrichten in de functie van "District Manager I". BDF was een dochtermaatschappij van de vennootschap naar Amerikaans recht Baroid Corporation (verder BC). De functie van De werknemer is in verband met diverse reorganisaties en fusies na 1 mei 1994 nog enkele malen gewijzigd en was laatstelijk "Baroid Product Service Line Manager, Other Europe and Africa", in welke functie De werknemer verantwoordelijk was voor het management en de ontwikkeling van groeigebieden in diverse landen in Europa en Afrika.

2.2 Voor zijn werkzaamheden ontving De werknemer naast zijn salaris een aantal expatriate-vergoedingen, waaronder een vergoeding voor de kosten van levensonderhoud.

2.3 Vóór 1 mei 1994 is De werknemer in verschillende functies werkzaam geweest bij andere, in het Verenigd Koninkrijk gevestigde, dochtermaatschappijen van BC.

2.4 Op 4 november 1994 hebben De werknemer en BDF een overeenkomst getekend waarin de bij de aanstelling van 1 mei 1994 behorende arbeidsvoorwaarden zijn neergelegd. In deze overeenkomst is in de paragrafen 18 en 20 onder meer het volgende opgenomen:

"18. The Employee is subject to reassigment to any of the Company's foreign or domestic locations (….). If a reassigment is refused, the action of the Employee will be considered as a voluntary termination, unless the Company determines otherwise." en:

"20.This Agreement is made in the State of Texas, United States of America, and shall be subject to the state and federal laws thereof (….)."

2.5 BDF en BC zijn in 1997 geliquideerd, waarbij de rechten en verplichtingen op een andere vennootschap zijn overgegaan.

2.6 Oilfield Services en Halliburton zijn onderdeel van de vennootschap naar Amerikaans recht Halliburton Company, welke vennootschap in 2001 tot herstructurering besloten heeft. Deze herstructurering behelsde onder meer de beslissing om, kort gezegd, de arbeidsovereenkomsten van de naar het buitenland uitgezonden werknemers over te hevelen naar één van haar dochterondernemingen genaamd "Professional Resources Limited" (verder PRL) en de arbeidsvoorwaarden van die werknemers te harmoniseren. In het kader van die beslissing is De werknemer in maart 2002 een arbeidsovereenkomst met PRL toegezonden met het verzoek deze vóór 31 maart 2002 getekend te retourneren.

2.7 Bij brief van 27 mei 2002 heeft PRL De werknemer meegedeeld dat, indien hij voornoemde arbeidsovereenkomst niet vóór 31 mei 2002 getekend retourneert, zijn dienstbetrekking met ingang van 30 juni 2002 zal worden beëindigd.

2.8 Naar aanleiding van de brief van 27 mei 2002 heeft uitvoerig overleg plaatsgevonden tussen De werknemer, L. Badalucco, Senior Manager Human Resources van Halliburton, en R. Luke, Country Vice-President Other Europe and Africa van Halliburton. De werknemer heeft geweigerd de arbeidsovereenkomst met PRL in de vorm zoals die hem in maart 2002 is toegezonden, te tekenen en heeft voorts evenmin zijn handtekening gezet onder een hem door Halliburton toegezonden (lokale) arbeidsovereenkomst, inhoudende dat hij, met behoud van zijn huidige salaris en functie, zou worden gerepatriëerd naar het Verenigd Koninkrijk.

2.9 Bij brief van 25 september 2002 heeft Badalucco De werknemer meegedeeld dat zijn handelwijze wordt opgevat als een weigering om een andere dienstopdracht te aanvaarden en dat hij aldus, conform het bepaalde in paragraaf 18 van de hiervoor vermelde overeenkomst van 4 november 1994, wordt geacht zijn huidige dienstbetrekking te hebben opgezegd. Voorts vermeldt deze brief dat de laatste werkdag van De werknemer 30 september 2002 zal zijn en dat betaling van zijn salaris, toeslagen en overige emolumenten met ingang van 31 oktober 2002 zal worden gestaakt. Hierop heeft (de raadsman van) De werknemer bij brief van 14 oktober 2002 de vernietigbaarheid van het ontslag ingeroepen onder aanbieding van zijn diensten. Voorts heeft De werknemer Oilfield Services gedagvaard voor de rechtbank

's-Gravenhage, sector kanton, en vordert hij in die procedure een verklaring voor recht dat hij tijdig de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen alsmede veroordeling van Oilfield Services tot, kort gezegd, (door)betaling van (achterstallig) salaris cum annexis.

3.1 In dit geding vordert De werknemer Oilfield Services en Halliburton te veroordelen tot, kort gezegd, toelating van hem tot zijn werkplek met terbeschikkingstelling van de gebruikelijke onderdelen van zijn arbeidsvoorwaarden, alsmede tot, eveneens kort gezegd, bij wijze van voorschot betaling aan hem met ingang van 1 november 2002 een maandelijks bedrag van $ 7.190,00.

3.2 De werknemer voerde hiertoe in eerste aanleg, kort gezegd en naar het hof begrijpt, aan, dat na enkele bedrijfsovernames en grote reorganisaties zijn arbeidsovereenkomst ongewijzigd is overgenomen door (de Nederlandse vennootschap) Oilfield Services, dat hij bij deze vennootschap tot zijn ontslag in dienst was, dat hij zijn werkzaamheden hoofdzakelijk vanuit Nederland verrichtte en voorts dat hij samenwerkte met Nederlandse werknemers. Zulks impliceert, zo stelt De werknemer, dat, gelet op het bepaalde in artikel 6 van het verdrag dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst, Trb. 1980, 156 (verder EVO-verdrag), op zijn arbeidsovereenkomst Nederlands recht van toepassing is. Het hem gegeven ontslag is naar zijn mening vernietigbaar, nu niet sprake is van een dringende reden die ontslag op staande voet zou rechtvaardigen en door de Centrale organisatie voor werk en inkomen geen voorafgaande toestemming voor zijn ontslag is gegeven.

3.3 De voorzieningenrechter verklaarde De werknemer niet-ontvankelijk in zijn vorderingen tegen Oilfield Services en wees de vorderingen tegen Halliburton af. Met betrekking tot de vorderingen tegen Oilfield Services overwoog de rechtbank dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat De werknemer een arbeidsovereenkomst met Oilfield Services had. Met betrekking tot de vorderingen tegen Halliburton oordeelde de rechtbank dat het recht van de staat Texas toepasselijk is, zodat, nu De werknemer niet betoogd heeft dat zijn ontslag naar dat recht als ongeldig, onrechtmatig of kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt, er geen redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het door De werknemer aangevochten ontslag in een bodemprocedure in rechte geen stand zal kunnen houden.

4.1 Grief I strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte het betoog van De werknemer heeft verworpen dat op het moment dat hij ontslagen werd Oilfield Services zijn werkgeefster was. Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

4.2 Hoewel De werknemer aangeeft dat de rechtbank de feiten juist heeft weergegeven (en hij derhalve erkent dat hij op 1 mei 1994 door de vennootschap naar Amerikaans recht BDF naar Nederland is uitgezonden), stelt hij zich in strijd hiermee thans in hoger beroep ook op het standpunt dat hij door de rechtspersoon naar het recht van het Verenigd Koninkrijk Baroid Ltd naar de dochter van deze vennootschap in Nederland, geheten Baroid Ltd (Dutch Branch), is uitgezonden, welke laatste rechtspersoon, naar hij stelt, is overgenomen door Oilfield Services.

4.3 Ter ondersteuning van zijn stelling dat hij naar Baroid Ltd (Dutch Branch) is uitgezonden beroept hij zich op correspondentie met Baroid Ltd (gesteld op briefpapier van Baroid Ltd) alsmede op een verklaring van J.M. Braun (producties 1 tot en met 4 bij de memorie van grieven). Uit de inhoud van deze producties, in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof af dat De werknemer wijzigingen wenste in het door BDF aan hem ter tekening toegezonden arbeidscontract waarin BDF als werkgeefster fungeert. Nu voorts De werknemer en BDF op 4 november 1994 een overeenkomst hebben getekend waarin de bij de aanstelling van De werknemer van 1 mei 1994 behorende arbeidsvoorwaarden zijn neergelegd, dient er in dit geding voorshands van te worden uitgegaan, dat, vanaf 4 november 1994 voormelde overeenkomst de voor De werknemer vigerende arbeidsvoorwaarden behelsden en behelzen. Dat De werknemer de overeenkomst van 4 november 1994, zoals hij stelt, in een "take it or leave it situatie" heeft getekend, doet daaraan niet af. De werknemer heeft onvoldoende feiten gesteld om voorshands aannemelijk te achten dat Oilfield Services de rechtsopvolgster van BDF zou zijn dan wel dat zijn arbeidsovereenkomst met BDF door Oilfield Services zou zijn overgenomen. Ten overvloede merkt het hof in dit verband nog op dat De werknemer evenmin voldoende heeft gesteld om de conclusie te kunnen wettigen dat Oilfield Services de rechtsopvolgster van Baroid Ltd zou zijn. Ook hetgeen De werknemer overigens nog heeft aangevoerd maakt niet dat voorshands aannemelijk is dat De werknemer ten tijde van het ontslag in dienst van Oilfield Services was. Het hof verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat De werknemer Oilfield Services ten onrechte in rechte betrokken heeft en dat er in dit geding van kan worden uitgegaan dat Halliburton ten tijde van het ontslag van De werknemer zijn formele werkgeefster was. De grief faalt.

5.1 Grief II strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte geconcludeerd heeft dat Texaans recht van toepassing is. Met betrekking tot deze grief overweegt het hof als volgt.

5.2 Met uitzondering van de overweging dat De werknemer ter zitting in eerste aanleg verklaard heeft dat slechts 50 % van de onder zijn verantwoordelijkheid vallende omzet voortvloeide uit op de Nederlandse markt verrichte werkzaamheden, neemt ook het hof voor de beantwoording van de vraag welk recht toepasselijk is, in ogenschouw hetgeen de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 4.10 in het beroepen vonnis als omstandigheden in aanmerking heeft genomen. Voorts neemt het hof nog in aanmerking dat vaststaat dat hij in zijn functie verantwoordelijk was voor het management en de ontwikkeling van groeigebieden in diverse landen in Europa en Afrika, zodat voorshands voldoende aannemelijk is te achten dat hij zijn werkzaamheden ook regelmatig buiten Nederland, in de landen die onder zijn verantwoordelijkheidsgebied vielen, diende te verrichten.

5.3 Op grond van de hiervoor bedoelde omstandigheden komt het hof, tegen de achtergrond van de inhoud van de overeenkomst van 4 november 1994, tot het oordeel dat de arbeidsovereenkomst van De werknemer met zijn werkgeefster nauwer verbonden is met de rechtssfeer van de Staat Texas dan met het Nederlandse recht, zodat ingevolge de rechtskeuze van partijen en het bepaalde in artikel 6 van het EVO-verdrag het recht van de Staat Texas toepasselijk is. Het gegeven dat het salaris van De werknemer na 1 mei 1994 nog enkele maanden door zijn oude (Engelse) werkgeefster is voldaan, maakt dit niet anders. Ook hetgeen De werknemer overigens nog heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Ook de tweede grief is vergeefs voorgedragen.

6.1 Grief III strekt ten betoge dat de voorzieningenrechter ten onrechte uit de toepasselijkheid van Texaans recht (impliciet) heeft afgeleid dat de artikelen 6 en 9 van het BBA 1945 niet van toepassing zijn. Naar het oordeel van De werknemer is het BBA 1945, ongeacht de rechtskeuze van partijen, van toepassing op arbeidsverhoudingen waarbij de Nederlandse arbeidsmarkt betrokken is. Met betrekking tot deze grief overweegt het hof als volgt.

6.2 De werknemer adstrueert zijn onderhavige stellingname met een beroep op de artikelen 6 en 7 van het EVO-Verdrag. Voorzover hij zich op artikel 6 van dit verdrag baseert, verwijst het hof naar hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 5.2 en 5.3 is overwogen, zodat zijn betoog inzoverre faalt. Voorzover De werknemer zich op artikel 7 van genoemd verdrag baseert, overweegt het hof nader als volgt.

6.3 Tegen de achtergrond van de hiervoor in rechtsoverweging 5.2 aangeduide omstandigheden, is het enkele gegeven dat het UWV-GAK statusoverzicht 2001 vermeldt dat De werknemer via BDF vanaf 1997 tot en met 2001 voor de WW verzekerd was, dat hij zich bij het Centrum voor werk en inkomen als werkzoekende heeft ingeschreven alsmede dat hij een WW-uitkering heeft aangevraagd, onvoldoende om de gevolgtrekking te kunnen dragen dat een zodanige verbondenheid met de Nederlandse arbeidsmarkt is gegeven dat ten aanzien van zijn ontslag toestemming van het Centrum voor werk en inkomen vereist was. Het hof neemt hierbij ook in aanmerking dat niet aannemelijk is geworden dat (te verwachten was dat) De werknemer op de Nederlandse arbeidsmarkt was aangewezen, of daarop bij ontslag zou terugvallen. Van belang is in dit verband dat vaststaat dat zijn werkgeefster De werknemer vóór zijn ontslag een dienstbetrekking in zijn land van geboorte en herkomst (het Verenigd Koninkrijk) met een vergelijkbare functie heeft aangeboden, welk aanbod hij niet geaccepteerd heeft. Voorts acht het hof in dit verband van belang dat de functie van De werknemer in overwegende mate internationaal georiënteerd is.

6.4 Op grond van het vorenoverwogene komt het hof tot het oordeel dat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van een zodanige nauwe verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer dat, ongeacht de toepasselijkheid van Texaans recht op de arbeidsovereenkomst van De werknemer met zijn werkgeefster, gevolg dient te worden toegekend aan de dwingende bepalingen van het BBA 1945. Ook inzoverre De werknemer zich op artikel 7 van het EVO-verdrag baseert, faalt de grief derhalve.

7. Nu ook in hoger beroep gesteld noch gebleken is dat het aan De werknemer gegeven ontslag naar het recht van de Staat Texas als ongeldig, onrechtmatig of kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt, impliceert het vorenoverwogene dat de voorzieningenrechter terecht de vorderingen van De werknemer tegen Halliburton heeft afgewezen.

8. De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. Bij deze uitslag past een kostenveroordeling ten laste van De werknemer

Beslissing

Het hof:

-bekrachtigt het vonnis van 19 november 2002 van de rechtbank 's-Gravenhage, in kort geding gewezen tussen partijen;

-veroordeelt De werknemer in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van Oilfields Services en Halliburton bepaald op € 230,00 voor griffierecht en op € 771,00 voor salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. In 't Velt-Meijer, De Wild en Husson en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2004, in bijzijn van de griffier.