Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO4443

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-01-2004
Datum publicatie
27-02-2004
Zaaknummer
02/1304 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Geen nietig ontslag statutair directeur

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak: 16 januari 2004

Rolnummer: 02/1304 KG

Zaak-/rolnummer rechtbank: 181434/KG ZA 02-834

HET GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

BDC ROTTERDAM B.V.

(voorheen geheten BOVAG DIENSTENCENTRUM ROTTERDAM B.V.),

gevestigd te Rotterdam,

appellante,

hierna te noemen: BDC,

procureur: mr. A. A. Th. Boender,

tegen

DE STATUTAIR DIRECTEUR,

wonende te X,

geïntimeerde,

hierna te noemen: De statutair directeur,

procureur: mr. W. P. den Hertog.

Het geding

Bij exploot van 27 september 2002 is BDC in hoger beroep gekomen van het vonnis van 12 september 2002 door de voorzieningenrechter van de rechtbank te Rotterdam in kort geding gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft BDC acht grieven opgeworpen, die door De statutair directeur bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Vervolgens heeft elk der partijen nog een akte genomen. Partijen hebben de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Geen grief of ander bezwaar is gericht tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.6 in het beroepen vonnis, zodat ook het hof de aldaar vermelde feiten tot uitgangspunt neemt.

2. Het gaat in deze zaak, samengevat en voor zover thans nog van belang, om het volgende.

2.1 De statutair directeur, ruim 57 jaar oud, was van 1 maart 1999 tot 13 juni 1999 als interim-manager in loondienst van BDC. Per 1 juli 1999 is hij als statutair directeur, tegen een salaris van f 10.795,00 per maand, in dienst van BDC.

2.2 BDC heeft op 9 juli 2002 een algemene vergadering van aandeelhouders belegd en De statutair directeur daarvoor bij brief van 3 juli 2002 uitgenodigd, in welke brief vermeld is dat slechts één agendapunt, te weten het ontslag van De statutair directeur, aan de orde zal komen. De statutair directeur heeft zich vervolgens vóór de vergadering van 9 juli 2002 ziek gemeld. De statutair directeur is sedertdien ziek.

2.3 BDC heeft De statutair directeur bij brief van 10 juli 2002 op de hoogte gesteld van het besluit van de vergadering van aandeelhouders van BDC van 9 juli 2002 om De statutair directeur op staande voet te ontslaan.

2.4 De gronden die BDC in voormelde brief van 10 juli 2002 aanvoert behelzen, kort gezegd, dat De statutair directeur:

-drie abonnementen voor mobiele telefoons heeft afgesloten op naam van BDC, welke telefoons bij familieleden in gebruik zijn;

-de compagniekaart van BDC tweemaal voor privébetalingen heeft gebruikt, zonder te melden dat deze betalingen moesten worden verwerkt in de rekening-courantverhouding tussen De statutair directeur en BDC;

-een scooter, die BDC via een spaarsysteem gekregen had, heeft laten afleveren op zijn privé-adres en zelf in gebruik heeft genomen zonder dit te melden aan BDC;

-de rekening voor een lunch bij Au Marche naar BDC heeft laten sturen, terwijl De statutair directeur ten tijde van de lunch geschorst was;

-geen volledige rekening en verantwoording aflegt met betrekking tot de rekening-courantverhouding tussen De statutair directeur en BDC.

2.5 De statutair directeur vordert doorbetaling van loon en voert daartoe, kort gezegd, aan dat, nu de in de brief van 10 juli 2002 vermelde redenen geen ontslag op staande voet rechtvaardigen, het hem gegeven ontslag nietig is.

2.6 De voorzieningenrechter oordeelde dat voorshands niet is gebleken van voldoende dringende redenen om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen en wees de vordering tot doorbetaling van loon, totdat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn beëindigd, toe.

2.7 Op verzoek van BDC heeft de rechtbank te Rotterdam bij beschikking van 10 oktober 2002 de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voorzover die nog bestond, per 1 november 2002 ontbonden.

3. Grief 7 strekt, naar het hof begrijpt, ten betoge dat, aangenomen dat een afweging van de persoonlijke omstandigheden van De statutair directeur tegen de aard en de ernst van de voor het gegeven ontslag op staande voet gegeven redenen (voorshands) tot de conclusie zou leiden dat het ontslag op staande voet gerechtvaardigd is, De statutair directeur (voorshands) slechts aanspraak zou kunnen maken op gefixeerde of volledige schadevergoeding, doch niet op doorbetaling van loon.

4. Het hof overweegt verder als volgt.

4.1 Voorzover De statutair directeur beoogd mocht hebben te betogen dat het hem gegeven ontslag nietig is op de grond dat, nu geen sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt, een ontslagvergunning van de Centrale organisatie werk en inkomen ontbreekt, passeert het hof die grondslag, reeds omdat voor een ontslag van een statutair bestuurder als in het onderhavige geval, een dergelijke toestemming niet vereist is.

4.2 Voorts geldt dat toewijsbaarheid van de vordering van De statutair directeur tot doorbetaling van loon slechts mogelijk is indien ook (een eventuele vordering tot) herstel van de dienstbetrekking voor toewijzing in aanmerking zou kunnen komen. Dit laatste is gelet op het bepaalde in lid 3 van artikel 2:244 BW evenwel uitgesloten.

4.3 Voorzover De statutair directeur nog beoogt te betogen dat zijn vordering tot doorbetaling van loon desalniettemin toewijsbaar is omdat het ontslagbesluit van 9 juli 2002 in vennootschapsrechtelijke zin nietig is, omdat niet voldaan is aan de eisen van zorgvuldige (voorbereiding van) besluitvorming daar door toedoen van BDC de voorbereidingstijd voor De statutair directeur voor de vergadering van 9 juli 2002 te kort was, verwerp het hof dat betoog. Vaststaat immers dat BDC de raadsman van De statutair directeur op 3 juli 2002 per fax een aan De statutair directeur gerichte uitnodiging voor de vergadering van 9 juli 2002 heeft doen toekomen, met vermelding van het enige agendapunt en met mededeling dat De statutair directeur zich ter vergadering door een raadsman zou kunnen doen assisteren. Voorts staat vast dat de door BDC toegezegde bewijsstukken op 5 juli 2002 ten kantore van de raadsman van De statutair directeur zijn bezorgd en dat laatstgenoemde deze stukken diezelfde dag aan De statutair directeur heeft doorgezonden. Onder deze omstandigheden kan niet gezegd worden dat, zoals De statutair directeur stelt, BDC het De statutair directeur onmogelijk heeft gemaakt zijn verweer behoorlijk voor te bereiden. Dat De statutair directeur thuis geen fax heeft en dat de correspondentie tussen hem en zijn raadsman per post moet geschieden, maakt dit niet anders. Hetzelfde geldt met betrekking tot de stelling van De statutair directeur dat hij hartpatiënt is.

4.3 Onder de hiervoor geschetste omstandigheden kan evenmin, zoals De statutair directeur beoogt te betogen, gezegd worden dat een beroep van BDC op de geldigheid van het ontslagbesluit danwel op de verjaring van de bevoegdheid van De statutair directeur om vernietiging van het besluit te vorderen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.4 Het voorgaande impliceert dat de grief slaagt en dat de vordering van De statutair directeur voor afwijzing gereed lag en licht. Tegen deze achtergrond behoeven de overige grieven geen bespreking meer.

5. De slotsom is dat het vonnis waarvan beroep vernietigd behoort te worden en dat hetgeen de voorzieningenrechter heeft toegewezen (eveneens) alsnog behoort te worden afgewezen. Bij deze uitslag past een kostenveroordeling ten laste van De statutair directeur.

Beslissing

Het hof:

-vernietigt het vonnis van van 12 september 2002 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam, gewezen tussen partijen, en opnieuw rechtdoende:

-wijst de vorderingen van De statutair directeur af;

-veroordeelt De statutair directeur in de kosten van de eerste aanleg, tot op 12 september 2002 aan de zijde van BDC bepaald op € 193,00 voor griffierecht en op € 705,00 voor salaris van de procureur;

-veroordeelt De statutair directeur in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van BDC bepaald op € 295,18 voor verschotten en op

€ 771,00 voor salaris van de procureur;

-verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Wild, Beyer-Lazonder en Husson en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 januari 2004 in aanwezigheid van de griffier.