Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO3268

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-03-2004
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
BK-02/03710
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2006:AZ3357, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verdeling jaarwinst; vennootschap onder firma; schending processuele belangen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/38.1.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

achtste enkelvoudige belastingkamer

9 maart 2004

nummer BK-02/03710

UITSPRAAK

op het beroep van mevrouw X te Y tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P (thans: Q) van de Belastingdienst, op het bezwaarschrift van belanghebbende met betrekking tot de hierna te vermelden aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 27 december 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd voor het jaar 2000 naar een belastbaar inkomen van ƒ 33.040 waarbij belanghebbende is ingedeeld in tariefgroep 2.

1.2. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van € 29. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 25 november 2003, gehouden te Dordrecht. Aldaar zijn verschenen belanghebbende vertegenwoordigd door haar echtgenoot A, alsmede namens de Inspecteur B. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.3. Het Hof heeft op 9 december 2003 mondeling uitspraak gedaan. De voor partijen bestemde afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 22 december 2003 aangetekend aan partijen verzonden. Op 16 januari 2004 is van de zijde van de Inspecteur een verzoek binnengekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde griffierecht ad € 174 is tijdig voldaan.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hem gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

3.1. Belanghebbende oefent sedert 1 januari 1999 in de vorm van een vennootschap onder firma met haar echtgenoot de praktijk uit van een incasso- en juridisch adviesbureau. Daarnaast is zij part time elders in dienstbetrekking werkzaam. Haar echtgenoot was voorheen deurwaarder.

3.2. Volgens de vennootschapsakte bestaat de inbreng van belanghebbende uit het tot de datum van het aangaan van de vennootschap onder firma uitgeoefende bedrijf alsmede haar volledige of gedeeltelijke arbeid, terwijl de echtgenoot zich heeft verbonden zijn volledige arbeid in te brengen. Met betrekking tot de verdeling van de jaarwinst is in deze akte in artikel 7 bepaald dat zulks in onderling overleg zal geschieden. De winst over het jaar 1999 is in gelijke delen verdeeld.

3.3. Voor het onderhavige jaar is de winst aanvankelijk verdeeld in 44 percent (afgerond) voor belanghebbende en 56 percent (afgerond) voor de echtgenoot. De winst bedraagt ƒ 86.072.

De in dit jaar genoten investeringsaftrek van ƒ 9.115 is op de winst in mindering gebracht en is bij de winstverdeling in dezelfde verhouding in aanmerking genomen. Aldus is (fiscaal) aan belanghebbende toegedeeld ƒ 33.507 en aan de echtgenoot

ƒ 43.450. Deze bedragen zijn ook opgenomen in de aangiften inkomstenbelasting.

3.4. Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen van ƒ 29.648. Daarbij heeft zij verzocht om indeling in tariefgroep 3. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur een correctie, welke verder niet in geschil is, aangebracht en het belastbare inkomen vastgesteld op ƒ 33.040. Hij heeft daarbij belanghebbende ingedeeld in tariefgroep 2, nu de echtgenoot in het onderhavige jaar een inkomen heeft genoten van ƒ 8.928 en dit uitgaat boven het bedrag van de basisaftrek (jaar 2000: ƒ 8.523). Zulks is voor de firmanten aanleiding geweest de winstverdeling te wijzigen en van de winst een bedrag van ƒ 500 meer aan belanghebbende toe te delen. Het bezwaar waarin deze gewijzigde winstverdeling als grond is aangevoerd, is door de Inspecteur afgewezen met als motivering dat daarmede de winstverdeling onzakelijk werd.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of het winstaandeel van belanghebbende overeenkomstig de nadere winstvaststelling omschreven in 3.4. kan worden aangepast en belanghebbende als gevolg daarvan recht heeft op indeling in tariefgroep 3.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Overwegingen omtrent het geschil

5.1. Ter zitting van het Hof heeft de voorzitter aan partijen voorgehouden dat, afgezien van de vraag of de wijziging van de winstverdeling al dan niet zakelijk is, op het punt van de verdeling van de investeringsaftrek over de firmanten betrekkelijk grote vrijheid bestaat (verg. Besluit staatssecretaris van Financiën van 10 september 1997, nr. DB97/2981, zoals gewijzigd bij het Besluit van 11 maart 1998, DB98/544, V-N 1998/15.28). De gemachtigde heeft daarop, mede namens zichzelf, verklaard dat hij, gelet op deze vrijheid welke hem voorheen niet bekend was, het volledige bedrag van de investeringsaftrek voor eigen rekening wenst te nemen onder handhaving van de oorspronkelijke winstverdeling.

5.2. De Inspecteur heeft ter zitting verklaard dat, indien het Hof de wijziging van de winstverdeling of een toedeling van de investeringsaftrek aan de echtgenoot, aanvaardbaar zou achten, hij terug wenst te komen op zijn in het verweerschrift ingenomen standpunt inhoudende dat, nu niet is gebleken van een strijdigheid van de oorspronkelijke winstverdeling met artikel 7 van de vennootschapsakte, sprake is van een zakelijke winstverdeling. Hij neemt dan het standpunt in dat de oorspronkelijke winstverdeling niet zakelijk is, zulks gelet op de omstandigheid dat de echtgenoot in het verleden deurwaarder is geweest. Ook staat zijn aanslag definitief vast.

5.3. Het Hof is van oordeel dat de nadere stelling van de Inspecteur niet meer in de huidige stand van het geding kan worden onderzocht. Alle onderliggende feiten waren reeds tijdens de bezwaarfase in de eerste helft van 2002 aan de Inspecteur bekend. Hij had derhalve reeds in een eerder stadium de zakelijkheid van de aanvankelijke winstverdeling aan de orde kunnen stellen. Hij heeft uitdrukkelijk in het verweerschrift verklaard dat deze zakelijk is. Het innemen van een nieuw (subsidiair) standpunt, dat in tegenspraak is met het eerdere door hem ingenomen standpunt¸ is in deze omstandigheden in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en met de beginselen van behoorlijk procesrecht. Belanghebbende zou ernstig in zijn processuele belangen worden geschaad, indien hij thans nog zaken als de door ieder van de firmanten gewerkte uren en het belang van ieders werkzaamheid voor de vennootschap onder firma, zou dienen te onderzoeken.

5.4. Het Hof zal het nader door belanghebbende ingenomen standpunt volgen. Ambtshalve is het Hof van oordeel dat de procesbelangen van de Inspecteur hierbij niet worden geschaad. Verweer tegen dit nadere standpunt vergt geen aanvullend feitelijk onderzoek en de vrijheid die aanwezig is bij de verdeling van het bedrag van de investeringsaftrek moet bij de Inspecteur bekend worden verondersteld. Ook de omstandigheid dat de aanslag van de echtgenoot definitief vast staat, vormt geen beletsel om de aanslag van belanghebbende, welke aanslag het onderwerp van dit geding vormt, te verminderen. Het Hof gaat er evenwel vanuit dat de Inspecteur ambtshalve aan de echtgenoot een vermindering van diens aanslag zal doen toekomen waarop hij anders rechtens aanspraak zou hebben.

5.5. Op grond van het voorgaande dient het belastbare inkomen van belanghebbende nader te worden vastgesteld op ƒ 37.008 (ƒ 33.040 plus 33.507/76.957 maal ƒ 9.115), waarbij belanghebbende wordt ingedeeld in tariefgroep 3.

6. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu belanghebbende ter zitting heeft verklaard daar geen aanspraak op te maken. Wel dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vermindert de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 37.008 met indeling van belanghebbende in tariefgroep 3;

- gelast de Staat der Nederlanden het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 29 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld op 9 maart 2004 door mr. Savelbergh, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. De Fouw, ter vervanging van de mondelinge uitspraak van

9 december 2003.

(De Fouw)

(Savelbergh)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.