Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO3065

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-02-2004
Datum publicatie
05-02-2004
Zaaknummer
2200241003
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2003:AF8189
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met zijn mededader een roofoverval op een tankstation gepleegd. Bij die overval zijn de aanwezige personeelsleden met een vuurwapen en verbaal bedreigd. Vervolgens is een van die personeelsleden in aanwezigheid van haar beide collega's opzettelijk doodgeschoten.

Het hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 0992503103

datum uitspraak 2 februari 2004

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 2 mei 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam]

1.Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 19 januari 2004.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

3.Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren met aftrek van het reeds ondergane voorarrest, met beslissing omtrent het inbeslaggenomene en de vorderingen van de benadeelde partijen als nader in het vonnis omschreven.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4.Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5.Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

6.Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7.Overweging met betrekking tot de tegenover de politie afgelegde verklaringen van [verdachte], die als bewijsmiddel worden gebruikt.

1. Voorzover de raadsman heeft bedoeld te stellen dat deze verklaringen onder ongeoorloofde druk tot stand zijn gekomen verwerpt het hof dit verweer omdat die druk niet aannemelijk is geworden, ook niet als de psychische conditie van verdachte zoals die blijkt uit de psychologische en psychiatrische rapportage omtrent verdachte in aanmerking wordt genomen. Het hof wijst in dit verband op de eigen verklaring van verdachte d.d. 20 januari 2003, te 14.11 uur, e.a. inhoudend dat hij niet onder druk is gezet, alsmede op de verklaring van verbalisant Engel bij de rechter-commissaris.

2. Het hof acht, anders dan de raadsman, de onderhavige verklaringen betrouwbaar in die zin dat verdachte op het punt: - wie het tankstation is binnen gegaan en heeft geschoten - daarin de waarheid heeft verteld. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat verdachte over het onderhavige punt gedurende bijna twee weken bij herhaling tegenover de politie in gelijke zin heeft verklaard.

8.Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

9.Bewijsoverweging met betrekking tot het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde

1. Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.

[medeverdachte] en [verdachte] hebben samen het plan opgevat om een overval te plegen op het tankstation. In dat kader heeft [medeverdachte] een vuurwapen dat hij bij zich had geladen en aan [verdachte] gegeven. [verdachte] heeft tegen [medeverdachte] gezegd dat hij, [verdachte], al eerder had geschoten. De afspraak was dat beiden samen het tankstation binnen zouden gaan. [verdachte] ging naar binnen; kort daarop klonk een schot. [medeverdachte] bleef buiten omdat hij iemand in de omgeving van het tankstation had opgemerkt, en vreesde dat die het schot had gehoord. Op het moment dat [medeverdachte] vervolgens het tankstation binnen wilde gaan om [verdachte] te waarschuwen kwam laatstgenoemde naar buiten, waarop zij samen de vlucht hebben genomen.

2. Uit het feit dat het vuurwapen dat [medeverdachte] aan [verdachte] ter hand had gesteld geladen was, terwijl [verdachte] had

gezegd dat hij, [verdachte], al eerder had geschoten, heeft [medeverdachte] redelijkerwijs niet anders kunnen afleiden

dan dat een aanmerkelijke kans bestond dat [verdachte] bij de overval met dat wapen zou gaan schieten.

3. Van algemene bekendheid is dat schieten in een overvalsituatie een groot risico meebrengt dat daarbij dodelijke slachtoffers vallen.

4. [medeverdachte] heeft, voorafgaand aan het schieten door [verdachte], op geen enkel moment afstand genomen van dat

- mede door hemzelf gecreëerde - risico. Hij heeft in tegendeel het schieten door [verdachte] alsmede de eventuele fatale gevolgen daarvan kennelijk bewust aanvaard.

5. Gelet op al het vorenstaande hebben [medeverdachte] en [verdachte] te gelden als mededaders met betrekking tot het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde.

10.Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 subsidiair. Medeplegen van doodslag, gevolgd of vergezeld van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken;

2. Medeplegen van diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, terwijl dit feit de dood ten gevolge heeft gehad.

11.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

12.Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Van Es heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht alsmede de onttrekking aan het verkeer van het onder nr. 1 inbeslaggenomene, de verbeurdverklaring van de onder de nrs. 2, 3, 5, 6 en 7 inbeslaggenomen goederen en de teruggave van het onder nr. 4 inbeslaggenomen goed.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met zijn mededader een roofoverval op een tankstation gepleegd. Bij die overval zijn de aanwezige personeelsleden met een vuurwapen en verbaal bedreigd.

Vervolgens is een van die personeelsleden in aanwezigheid van haar beide collega's opzettelijk doodgeschoten.

Verdachte en zijn mededader hebben daarop, met medeneming van enig geldbedrag en wat sigaretten, de vlucht genomen.

Crimineel gedrag als het onderhavige behoort tot het ernstigste in zijn soort. Op niets ontziende, brute wijze is het leven ontnomen aan een vrouw die slechts bezig was met de uitoefening van haar werkzaamheden. Naar moet worden aangenomen heeft deze dramatische gebeurtenis het leven van degenen die haar na stonden zeer diepgaand en blijvend beïnvloed.

De wetgever heeft de buitengewone ernst van dit soort criminaliteit tot uitdrukking gebracht door daarop levenslange gevangenisstraf als maximumstraf te stellen.

Voorts neemt het hof in aanmerking dat, naar de ervaring leert, de beide andere personeelsleden nog lange tijd de nadelige gevolgen zullen ondervinden van de dreiging waaraan zij hebben blootgestaan alsmede van het feit dat een collega in hun aanwezigheid is doodgeschoten.

Verder laat het hof bij de bepaling van de straf meewegen dat een gebeuren als het onderhavige ook niet direct betrokkenen die ervan vernemen ernstig pleegt te schokken.

Bij het bepalen van de hoogte van de gevangenisstraf heeft het hof voorts acht geslagen op de omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte rapportages, te weten:

- het psychiatrisch rapport opgemaakt door drs. R. Thomassen, psychiater, d.d. 8 april 2003, inhoudende de conclusie dat de verdachte in licht verminderde mate toerekeningsvatbaar moet worden geacht ten aanzien van het hem tenlastegelegde;

- het psychologisch rapport opgemaakt door drs. F.G. Schilder, psycholoog, d.d. 7 april 2003, inhoudende de conclusie dat de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht ten aanzien van het hem tenlastegelegde.

Het hof neemt de beide conclusies over en maakt deze tot de zijne.

De in eerste aanleg opgelegde straf doet onvoldoende recht aan de ernst van het bewezenverklaarde delict. Het is op deze grond dat het hof met de advocaat-generaal van oordeel is dat een zwaardere straf dient te worden opgelegd dan door de eerste rechter is bepaald.

Het hof is dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur een passende en geboden reactie vormt.

13.Beslag

Het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een 9 mm patroon (nr. 1 op de aan dit arrest gehechte kopie van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen), dient te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien de bewezen-verklaarde feiten met behulp daarvan zijn begaan, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een blauwe jas, merk Sailing, een paar zwarte handschoenen, een Dutchtone telefoonkaart ter waarde van € 20,=, een blauwe Adidas sweater, een paar Nike max air en een grijze broek met riem (resp. nrs. 2 t/m 7 op de aan dit arrest gehechte kopie van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen) zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte.

14.Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [naam] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde, tot een bedrag van

€ 2.891,89.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het gehele bedrag met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de

kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

In het onderhavige strafproces heeft [naam] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 3.500,=.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het gehele bedrag met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en zal bij wijze van voorschot een bedrag van € 1000,= toewijzen aan de benadeelde partij. Voor het overige acht het hof die vordering in zoverre niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

In het onderhavige strafproces heeft [naam] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde, tot een bedrag van € 2.250,=.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep geconcludeerd tot toewijzing van de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het gehele bedrag met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij niet betwist.

Het hof is van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en zal bij wijze van voorschot een bedrag van € 1000,= toewijzen aan de benadeelde partij. Voor het overige acht het hof die vordering in zoverre niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

15.Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.891,89 ten behoeve van het slachtoffer [naam].

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1000,= ten behoeve van het slachtoffer [naam].

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1000,= ten behoeve van het slachtoffer [naam].

16.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36d, 36f, 47, 57, 288 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart onttrokken aan het verkeer een 9 mm patroon (nr. 1 op de aan dit arrest gehechte kopie van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen).

Gelast de teruggave van een blauwe jas, merk Sailing, een paar zwarte handschoenen, een Dutchtone telefoonkaart ter waarde van € 20,=, een blauwe Adidas sweater, een paar Nike max air en een grijze broek met riem (resp. nrs. 2 t/m 7 op de aan dit arrest gehechte kopie van de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen) aan de verdachte.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam] tot het gevorderde bedrag van TWEEDUIZENDACHTHONDERDENEENENNEGENTIG EURO EN NEGENENTACHTIG EUROCENT en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.891,89 ten behoeve van de benadeelde partij [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van 57 dagen.

Bepaalt dat voorzover wordt voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen, alsmede dat voorzover wordt betaald aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan [naam] c.q. aan de Staat van het bedrag van € 2.891,89 ten behoeve van de benadeelde partij [naam] komt te vervallen voorzover de medeverdachte O.G. [medeverdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan [naam] c.q. aan de Staat ten behoeve van deze benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van DUIZEND EURO en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1000,= ten behoeve van de benadeelde partij [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen.

Bepaalt dat voorzover wordt voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen, alsmede dat voorzover wordt betaald aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan [naam] c.q. aan de Staat van het bedrag van € 1000,= ten behoeve van de benadeelde partij [naam] komt te vervallen voorzover de medeverdachte O.G. [medeverdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan [naam] c.q. aan de Staat ten behoeve van deze benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van DUIZEND EURO en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1000,= ten behoeve van de benadeelde partij [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van 20 dagen.

Bepaalt dat voorzover wordt voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen, alsmede dat voorzover wordt betaald aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan [naam] c.q. aan de Staat van het bedrag van € 1000,= ten behoeve van de benadeelde partij [naam] komt te vervallen voorzover de medeverdachte O.G. [medeverdachte] heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling van voormeld bedrag aan [naam] c.q. aan de Staat ten behoeve van deze benadeelde partij.

Dit arrest is gewezen door mrs. Wurzer, Gerritzen en Van der Putten-Göbbels, in bijzijn van de griffier mr. Straathof.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 2 februari 2004.