Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2004:AO2805

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-01-2004
Datum publicatie
02-02-2004
Zaaknummer
BK-o3/00771
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AU2799
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beschikking ex artikel 36p, derde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel 8n, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag jo artikel 11, eerste lid, van de Regeling energiepremie 2002. Het verzoek om toekenning van de energiepremie is te laat ingediend. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar.

Wetsverwijzingen
Wet belastingen op milieugrondslag 36p
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 246
V-N 2004/21.1.17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

7 januari 2004

nummer BK-03/00771

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V. te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/Noord, betreffende na te noemen beschikking.

1. Beschikking en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 25 september 2002 een beschikking uitgereikt op de voet van artikel 36p, derde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: de Wet).

1.2. Het tegen de beschikking gerichte bezwaar van belanghebbende is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van laatstbedoelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is van belanghebbende door de griffier een griffierecht geheven van € 232. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 26 november 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan.

3.1. Belanghebbende heeft 1.063,49 vierkante meter HR++glas met een spouw van 12 mm en een U-waarde van ( 1,20 W/m2.K laten aanbrengen aan 88 bestaande woningen in de flats aan de a-straat, b-straat en c-staat te P (hierna: de voorziening). In 2000 is begonnen met het vervangen van kozijnen en het plaatsen van het glas. Het aanbrengen van de voorziening is uitgevoerd door A B.V., gevestigd te Q (hierna: de aannemer) en voltooid in 2002. Op 22 februari 2002 is de laatste termijn van de aanneemsom voor het werk aan de aannemer betaald.

3.2. In haar aanbiedingsbrief van 20 juni 2002 aan Eneco Energie met het aanvraagformulier voor de energiepremie heeft belanghebbende gemeld, dat de laatste betaling ten behoeve van de voorziening heeft plaatsgevonden op 22 februari 2002 en dat door een aantal onvoorziene omstandigheden het aanvraagformulier enige tijd is blijven liggen. Belanghebbende heeft het energiebedrijf in deze brief verzocht 'om e.e.a. desondanks in behandeling te willen nemen'. Het aanvraagformulier voor de energiepremie is gedateerd op 18 juli 2001. Op dit formulier is 22 februari 2002 als datum van de laatste betaling ten behoeve van de aangebrachte voorziening vermeld.

3.3. Na 22 februari 2002 heeft de aannemer nog enige werkzaamheden uitgevoerd om gebreken te herstellen. Deze werkzaamheden waren in de offerte begrepen en zijn daarom niet aan belanghebbende gefactureerd.

3.4. Op 20 juni 2002 heeft de aannemer belanghebbende een factuur uitgereikt voor werkzaamheden aan enkele woningen. De op deze factuur gespecificeerde werkzaamheden betreffen het aanvoegen van stenen onder kozijnen, het terugplaatsen van bestaande vensterbanktegels, het wegsnijden van een vergane kitvoeg uit balconelementen en het aanbrengen van een één centimeter diepe rugvulling en van grijze dilatatiekit. Het bedrag van deze factuur (€ 243,71) is door belanghebbende op 22 juli 2002 voldaan.

3.5. Belanghebbende heeft bij brief van 20 juni 2002 een verzoek ingediend voor de toekenning van energiepremie betreffende de plaatsing van HR++glas in 84 woningen te P. (hierna: de aanvraag) Deze aanvraag is op 21 juni 2002 door het energiebedrijf ENECO ENERGIE te R (hierna: het energiebedrijf) ontvangen.

3.6. Bij brief van 2 juli 2002 heeft het energiebedrijf de aanvraag afgewezen, omdat deze niet binnen 13 weken na de aanschaf/realisatiedatum is ontvangen.

3.7. Bij brief van 12 augustus 2002 heeft belanghebbende zich gewend tot de Inspecteur met het verzoek over de aanvraag een uitspraak te doen als bedoeld in artikel 36p, derde lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: de Wet).

3.8. Bij voor bezwaar vatbare beschikking van 25 september 2002 heeft de Inspecteur de beslissing van het energiebedrijf in stand gelaten.

4. Omschrijving geschil en standpunten van

partijen

4.1. Tussen partijen is in hoofdzaak in geschil het antwoord op de vraag of de aanvraag tijdig is ingediend, welke vraag door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend wordt beantwoord.

4.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt tot uitkering van de aangevraagde energiepremie ten bedrage van € 40.959

(88 woningen), althans € 37.782,53 (84 woningen).

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Op grond van artikel 8n, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling belastingen op milieugrondslag (hierna: de Uitvoeringsregeling) in samenhang met artikel 36p, tweede lid, van de Wet wordt het verzoek om toekenning van de energiepremie gedaan bij de belastingplichtige, die elektriciteit levert aan de als woning gebruikte onroerende zaak ten behoeve waarvan de voorziening is aangeschaft. Deze belastingplichtige is het energiebedrijf.

6.2. Op grond van artikel 8n, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling wordt het verzoek gedaan nadat de voorziening is aangebracht, doch ten hoogste dertien weken na aanschaf van de voorziening. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Regeling energiepremie 2002 is een aanvraag tijdig ingediend als deze is ingediend binnen dertien weken na aanschaf van de voorziening en de voorziening is aangebracht en in gebruik genomen.

6.3. In dit verband moet naar het oordeel van het Hof als tijdstip van aanschaf worden aangemerkt het tijdstip waarop de voorziening is aangebracht èn volledig is betaald. Vaststaat dat de voorziening op 22 februari 2002 was aangebracht. Voorts staat vast dat op die datum de laatste termijn van het bedrag dat volgens de offerte met het aanbrengen van de voorziening is gemoeid, is betaald. Dit kan tot geen andere conclusie leiden dan dat als tijdstip van aanschaf van de voorziening 22 februari 2002 heeft te gelden.

6.4. Aan het onder 6.3. overwogene kan niet afdoen dat de aannemer na 22 februari 2002 nog herstel- en/of afwerkwerkzaamheden heeft uitgevoerd waarvoor deze een factuur met dagtekening 20 juni 2002 heeft uitgereikt die belanghebbende op 22 juli 2002 heeft betaald. De desbetreffende werkzaamheden hebben geen betrekking op het reeds aangebrachte glas. Mitsdien kan het voldoen van het bedrag van vorenbedoelde factuur niet als laatste - voor het tijdstip van aanschaf van de voorziening bepalende - betaling worden beschouwd. Aan het vorenoverwogene kan evenmin afdoen de - verder niet onderbouwde - stelling van belanghebbende dat na 22 februari 2002 nog meer dan uitsluitend afwerkwerkzaamheden aan sommige van de 84 woningen zijn uitgevoerd.

6.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat de aanvraag binnen dertien weken na 22 februari 2002 bij het energiebedrijf had moeten worden ingediend, te weten uiterlijk 24 mei 2002. Nu de aanvraag bij het energiebedrijf is binnengekomen op 21 juni 2002, kan niet anders worden geoordeeld dan dat deze te laat is ingediend.

6.6.De Inspecteur heeft verklaard als beleid te voeren dat desalniettemin een aanvraag als de onderwerpelijke wordt gehonoreerd, indien op grond van feiten of omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest. Hetgeen belanghebbende daartoe heeft aangevoerd is evenwel onvoldoende.

6.7. Ontoereikend is de stelling van belanghebbende dat de voorganger van één van de medewerkers van belanghebbende met het indienen van de aanvraag heeft gemeend te moeten wachten op de ondertekende verklaring van de ondernemer die de maatregelen heeft aangebracht, welke verklaring blijkens het tot de gedingstukken behorende aanvraagformulier als bewijsstuk dient te worden bijgesloten. Belanghebbende had immers tijdig een pro forma aanvraag kunnen indienen en alsnog in een later stadium de benodigde verklaring kunnen nazenden. Artikel 5 van de Regeling energiepremie 2002 biedt daartoe ook uitdrukkelijk de mogelijkheid.

6.8. In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende stelt, wordt te dezen het antwoord op de vraag of de aanvraag verschoonbaar te laat is ingediend niet bepaald door de omstandigheid dat belanghebbende op het moment waarop de aanvraag uiterlijk moest worden ingediend nog niet beschikte over de verklaring van de aannemer, ook al wordt op het aanvraagformulier gevraagd om deze verklaring als bewijsstuk bij te sluiten. Belanghebbende is los daarvan zelf verantwoordelijk voor een tijdige indiening van de aanvraag. Bij twijfel over de wijze van indiening van de aanvraag had het op de weg van belanghebbende gelegen bij het energiebedrijf te informeren naar de voorwaarden voor het verkrijgen van de energiepremie. De indientermijn van dertien weken biedt daartoe voldoende gelegenheid. Aldus is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.

6.9. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep ongegrond is.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld op 7 januari 2004 door mrs. Schuurman, Vierhout en Visser. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Van Duijvendijk.

(Van Duijvendijk)

(Schuurman)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.