Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AT4359

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-10-2003
Datum publicatie
21-04-2005
Zaaknummer
02/747 KA
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 7:610a BW. Rechtsvermoeden bestaan arbeidsovereenkomst door werkgever weerlegd. Toelaten werknemer tot bewijs bestaan arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2005, 80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 3 oktober 2003

Rolnummer: 02/747 KA

Rolnr. rechtbank: 181159\00-13005

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[INSTRUCTRICE],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: [instructrice],

procureur: mr. A.M. van Kuijeren,

tegen

ANWB B.V.,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: ANWB,

procureur: mr. R.A.A. Duk.

Het geding

Bij exploot van 17 april 2002 is [instructrice] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 22 januari 2002 door de rechtbank te ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ’s-Gravenhage, gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [instructrice] twee grieven aangevoerd, die door ANWB bij memorie van antwoord zijn bestreden. Partijen hebben de zaak op 6 juni 2003 doen bepleiten, [instructrice] door mr. P.J. de Bruin, advocaat te Rotterdam, ANWB door haar procureur. Mr. De Bruin heeft overeenkomstig en mr. Duk aan de hand van, overgelegde pleitnotities gepleit. Ter gelegenheid van het pleidooi is door [instructrice] nog een vijftal producties in het geding gebracht. Na afloop der pleidooien hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

1.1 [instructrice] is sinds 1994 werkzaam als instructrice op een slipschool, die aanvankelijk door KNAC Services B.V. in stand werd gehouden. De activiteiten van KNAC zijn door ANWB overgenomen. Aanvankelijk was zij werkzaam op Ypenburg, doch, na sluiting van de slipschool aldaar, vanaf oktober 1998 op het ANWB Test & Trainingscentrum in Lelystad.

1.2 Haar werkzaamheden hielden in het begeleiden van cursisten die zich hadden ingeschreven voor het volgen van een slipcursus, die door het ANWB Test & Trainingscentrum is ontwikkeld en een vaste opzet heeft.

1.3 Met ingang van 1 juli 1996 houdt ANWB belastingen en premies in op de door haar aan [instructrice] verrichte salarisbetalingen. Sedertdien staat op de door ANWB aan [instructrice] verstrekte salarisoverzichten als datum van indiensttreding 1 januari 1996 vermeld.

1.4 [instructrice] stelt zich op het standpunt dat er van meet af aan, maar in elk geval vanaf 1 januari 1996, sprake is van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht tussen haar en ANWB. Zij voert daartoe onder meer aan, dat zij de werkzaamheden persoonlijk moest verrichten, dat sprake was van een gezagsverhouding en dat loonbelasting en premies werden ingehouden en door ANWB werden afgedragen. Voorts voert zij aan dat art. 7: 610a BW van toepassing is. Op grond van dit een en ander vordert zij een verklaring voor recht dat er tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat alsmede een veroordeling van ANWB tot doorbetaling van loon met nevenvorderingen.

1.5 ANWB stelt zich, eveneens kort gezegd, op het standpunt dat [instructrice] de werkzaamheden op free-lancebasis verrichtte, waarbij geen sprake was van een gezagsverhouding en dat het inhouden en afdragen van loonbelasting en premies niet van doorslaggevende betekenis is nu zulks slechts geschiedde op grond van het door de belastingdienst en uitvoeringsinstanties ingenomen standpunt dat in het geval van [instructrice] sprake was van een voor de toepassing van de belasting- en sociale verzekeringswetgeving met een dienstbetrekking gelijkgestelde relatie.

1.6 In het tussenvonnis van 14 november 2000 oordeelde de kantonrechter dat voldaan is aan het bepaalde in art. 7: 610a BW, zodat [instructrice] vermoed wordt krachtens arbeidsovereenkomst de arbeid ten behoeve van ANWB verricht te hebben en werd ANWB toegelaten feiten en/of omstandigheden te bewijzen waaruit kan blijken dat tussen ANWB en [instructrice] geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen, c.q. bestaat.

1.7 In het eindvonnis van 22 januari 2002 oordeelde de rechtbank dat bewezen is dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen c.q. bestaat.

2. Met de grieven klaagt [instructrice] er over dat de kantonrechter, respectievelijk de rechtbank, onvolledig is geweest met het vaststellen van feiten, dat ANWB ten onrechte tot het leveren van (tegen)bewijs is toegelaten, alsmede dat in het eindvonnis ten onrechte is geoordeeld dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst. De grieven leggen het geschil derhalve, afgezien van de vaststelling van enkele feiten, in volle omvang ter beoordeling aan het hof voor. Voor zover zulks relevant is voor de beoordeling van het geschil zal het hof in het navolgende ingaan op hetgeen naar het oordeel van [instructrice] als vaststaand kan worden aangenomen. Het hof overweegt als volgt.

3. Hetgeen [instructrice] met betrekking tot de periode 1994 tot 1996 gesteld heeft is onvoldoende om op grond daarvan van het rechtsvermoeden te kunnen uitgaan dat zij in die periode haar arbeid krachtens arbeidsovereenkomst verricht heeft. Uit de door [instructrice] overgelegde -door ANWB niet gemotiveerd betwiste- salarisoverzichten, jaaropgaaf en afschriften van haar girorekening gevoegd bij de door ANWB overgelegde salarisoverzichten en declaratieformulieren, valt, mede gelet op de hoogte van de door ANWB verrichte betalingen, af te leiden dat zij vanaf 1996 tot (circa) september 1999 maandelijks, althans in die periode gedurende tenminste drie opeenvolgende maanden wekelijks dan wel gedurende tenminste twintig uren per maand, ten behoeve van ANWB tegen beloning door ANWB arbeid verrichtte. Zulks impliceert dat [instructrice] rechtens vermoed wordt die arbeid krachtens arbeidsovereenkomst verricht te hebben. Op ANWB rust de last dit rechtsvermoeden te ontzenuwen.

4.1 Met betrekking tot hetgeen [instructrice] en (de rechtsvoorgangster van) ANWB bij het aangaan van hun contractuele relatie voor ogen heeft gestaan is niet veel meer komen vast te staan dan dat [instructrice] als free-lancer is begonnen en dat de stellingen overigens op zeer gespannen voet met elkaar staan. Met betrekking tot het aangaan van de contractuele relatie zijn ook geen schriftelijke bescheiden voorhanden. In de optiek van [instructrice] is zij, naar zij ter gelegenheid van het pleidooi op vragen van het hof aangaf, aanvankelijk als free-lancer begonnen en was het de, althans haar, intentie dat zij in vaste dienst zou komen. Dat laatste is in haar visie ook gerealiseerd, en wel per 1 januari 1996. In de stellingname van ANWB is [instructrice] als free-lancer begonnen en is zij dat nadien ook gebleven.

4.2 Nu met betrekking tot hetgeen partijen bij het aangaan van hun contractuele relatie voor ogen heeft gestaan geen andere gegevens dan hetgeen hiervoor in 4.1 is vermeld, voorhanden zijn, komt het bij de beantwoording van de vraag hoe de contractuele relatie van partijen rechtens geduid dient te worden geheel aan op de bepaling van de wijze waarop partijen feitelijk aan hun overeenkomst uitvoering, en aldus daaraan inhoud, hebben gegeven.

4.3 Nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, kan er van worden uitgegaan dat in de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering en inhoud aan hun contractuele relatie hebben gegeven sinds de inhouding en afdracht door ANWB van loonbelasting en premies geen wijzigingen zijn opgetreden. Het hof zal dan ook bij de bepaling van die feitelijke uitvoering en inhoud acht slaan op feiten, omstandigheden en/of bewijsmiddelen die betrekking hebben op enig gedeelte van de periode 1996 tot circa september 1999.

5. Met betrekking tot de beantwoording van de in rechtsoverweging 4.2 bedoelde vraag stelt het hof allereerst het volgende vast en overweegt daarbij als volgt.

5.1 In de door ANWB mede aan [instructrice] verzonden, en door haar ontvangen, brief van 1 mei 1996 (productie 33 bij memorie van grieven) staat onder meer:

“Al geruime tijd speelt er een discussie tussen de bedrijfsvereniging (GAK) en de ANWB. Oorzaak hiervan is dat wij in het kader van o.a. Rijvaardigheidsdiensten zgn. ‘freelancersovereenkomsten’ hebben afgesloten voor ANWB-Rijtechnisch instructeurs en KNAC-slipbaaninstructeur of incentivebegeleider. Daarin dient de freelancer zelf over zijn/haar ontvangen honorarium de inkomstenbelasting af te dragen en voor de nodige verzekeringen te zorgen.

De fiscus en de bedrijfsvereniging beschouwen de relatie ANWB/KNAC versus ‘freelancer’ als een ‘fictieve dienstbetrekking’ waardoor de ANWB/KNAC loonbelasting en sociale verzekeringspremies dient in te houden op het honorarium.

Met ingang van 1 juli a.s zullen wij deze wettelijke verplichtingen nakomen en derhalve op uw honorarium de loonbelasting (als voorheffing op uw inkomstenbelasting) en de sociale verzekeringspremies inhouden en deze aan betreffende instanties afdragen.”

5.2 In de door ANWB mede aan [instructrice] verzonden, en door haar ontvangen, brief van 20 juni 1996 (productie 34 bij memorie van grieven) staat onder meer:

“ Met ons schrijven 1 mei jl. informeerden wij u over onze verplichting om voortaan loonbelasting en sociale verzekeringspremies over het honorarium van onze freelance instructeurs af te dragen.

Deze zgn. “inhoudingsplicht” heeft ook tot gevolg dat wij 21 % zgn. werkgeversaandeel zullen moeten betalen/afdragen. Hetgeen betekent dat onze kosten, zonder maatregelen, in ieder geval met 21 % zullen stijgen. Om deze kosten verhogende factor zo veel mogelijk te beperken en er voor te zorgen dat uw “netto” inkomsten niet achteruit gaan, hebben we een honorerings-vergoedingsregeling gemaakt die hieraan voldoet.”

en:

“ De optelsom van de (belastingvrije) reiskosten-, lunch-, dagvergoeding “plus” het netto honorarium is gelijk aan hetgeen u netto zou overhouden in de oude “freelance” situatie.”

5.3 Nu bijkomende omstandigheden die dit anders zouden kunnen maken gesteld noch gebleken zijn, komt de zin die [instructrice] redelijkerwijs aan de hiervoor geciteerde brieven van ANWB mocht toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs mocht verwachten niet daarop neer dat ANWB aan [instructrice] te kennen gaf dat zij [instructrice] (voortaan) in dienstverband werkzaam achtte, doch (slechts) hier op, dat ANWB aan [instructrice] te kennen gaf dat zij [instructrice] als “freelancer” beschouwde en bleef beschouwen, maar dat zij voortaan op grond van haar door de belastingdienst en uitkeringsinstanties opgelegde verplichtingen belasting en premies zou inhouden en afdragen alsmede dat zij in verband daarmee de vergoedingsregeling in kwantitatieve zin zou aanpassen. Het hof tekent nog aan dat ook de omstandigheid dat ANWB [instructrice] zogeheten salarisoverzichten is gaan verstrekken en haar een personeelsnummer heeft toegekend, geen omstandigheid is die tot een ander oordeel leidt. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat nadien de belastingdienst en uitkeringsinstanties als hun mening hebben gegeven dat tussen ANWB en [instructrice] sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

5.4 Als enerzijds gesteld en met producties gestaafd en anderzijds niet weersproken staat vast dat [instructrice] haar vergoeding, respectievelijk honorarium, voor door haar verrichte werkzaamheden telkens na afloop van een bepaalde periode declareerde op een haar door ANWB verstrekt declaratieformulier, waarop vermeld staat “Ten behoeve van inhoudingsplichtige freelancers”. Zulks geldt in elk geval voor het jaar 1999 (producties bij conclusie van dupliek).

5.5 Naar het oordeel van het hof kan (ook) aan deze gedragingen over en weer geen andere zin worden toegekend dan dat ANWB [instructrice] te kennen gaf dat zij [instructrice] als freelancer beschouwde. De declaratieformulieren zijn telkenmale door [instructrice] ondertekend, terwijl gesteld noch gebleken is dat zij bij ANWB op enig moment bezwaar gemaakt heeft tegen het op de in rechtsoverweging 5.4 vermelde wijze geldend maken van haar vorderingen bij ANWB.

5.6 In de brief van 10 april 1998 van dhr. [A] van ANWB (productie 20 bij conclusie van repliek), welke brief mede aan [instructrice] is verzonden en door haar is ontvangen, staat onder meer:

“Beste freelancers,

Naar aanleiding van het feit dat we vanaf januari weer per maand zijn gaan declareren, blijkt dat het met de betalingen nogal eens fout gaat. Het volgende probleem doet zich voor. Wanneer u bijvoorbeeld de 2e van de maand uw declaratie indient moet deze nog bij een aantal personen passeren en dat duurt vaak te lang, waarmee ik niet wil suggereren dat het te langzaam te gaat, maar het duurt langer dan wenselijk is. Het is bijna niet mogelijk alle “stations” gepasseerd te zijn voor de datum dat het afgehandeld moet zijn. Ook eerder inleveren heeft geen zin, omdat wanneer u nog dagen moet werken en u ziek wordt dat heel lastig is om te verrekenen.”

5.7 Gesteld noch gebleken is dat [instructrice] tegen de inhoud van deze brief geprotesteerd heeft. Niet alleen blijkt hier wederom dat ANWB [instructrice] te kennen gaf dat zij [instructrice] tot de groep freelancers rekende, doch ook dat ANWB [instructrice] expliciet te kennen gaf, dat zij [instructrice] voor dagen waarvoor [instructrice] eerder te kennen zou hebben gegeven bereid te zijn arbeid te verrichten, doch waarop [instructrice] nadien zou blijken ziek te zijn, geen honorarium zou uitkeren.

6.1 Op grond van de overige inhoud van de in rechtsoverweging 5.6 aangehaalde brief, waarin -kort gezegd- aangegeven wordt dat (ook) freelancers zich aan de door ANWB genoemde aanvangstijd alsmede aan de inhoud van de cursus dienen te houden, stelt [instructrice] zich op het standpunt dat sprake was van een gezagsrelatie als passend bij het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Hier staat tegenover dat ANWB zich terecht op het standpunt stelt dat niet alleen in het algemeen, maar ook in de omstandigheden van dit geval, de aanwijzing op een bepaalde tijd met de arbeid te beginnen en zich bij het verrichten van de arbeid aan de inhoud van een vastgestelde cursus te houden, evenzeer verenigbaar is met het aannemen van een opdrachtrelatie.

6.2 Ook met betrekking tot hetgeen [instructrice] ter gelegenheid van het pleidooi over de “Specifieke afspraken baandocenten” (productie 47 bij pleidooi) heeft gesteld, kan worden opgemerkt dat (bijvoorbeeld) de aanwijzing verzorgde kleding (KNAC-tenue) te dragen en een naambordje “ANWB” op te hebben, zowel verenigbaar is met het aannemen van het bestaan van een arbeidsovereenkomst als met het aannemen van het bestaan van een opdrachtrelatie.

6.3 Voor de bepaling van de rechtsgevolgen welke aan de vaststelling van de wijze waarop partijen aan hun overeenkomst uitvoering, en aldus daaraan inhoud, hebben gegeven, komt aan dergelijke stellingnamen van partijen derhalve geen onderscheidend, laat staan beslissend, karakter toe.

7. Met betrekking tot de waardering van de bewijslevering door middel van het doen horen van getuigen overweegt het hof als volgt.

7.1 Getuige [manager uitvoering bij ANWB], heeft onder meer verklaard:

“ We hebben op dit moment met mijzelf meegerekend 11 vaste medewerkers en verder maken wij gebruik van free-lance oproepkrachten. Mevrouw [instructrice] behoort tot deze laatste groep. Er worden het hele jaar door cursussen gegeven. …. Een maand voordat er weer een cursus is neem ik telefonisch contact op met mevrouw [instructrice]. Als er een zieke is kan die termijn ook wel eens korter zijn. Ik vraag haar of zij tijd heeft en dat ik haar dan gaarne wil inroosteren. Ik noem dan een aantal data waarop de cursus plaats vindt. Dat wordt niet schriftelijk bevestigd en mevrouw [instructrice] verschijnt dan op de eerst afgesproken datum. Deze werkwijze geschiedt per cursus. Als mevrouw [instructrice] verhinderd zou zijn moeten we een ander zoeken……. Toen we in de hectiek aanliepen tegen veel meer werkzaamheden dan waarvan wij waren uitgegaan, hebben wij een drietal mensen, onder wie mevrouw [instructrice] gevraagd, of zij geïnteresseerd waren in een een dienstverband. Het aanbod was 1 voor onbepaalde tijd en 2 op jaarbasis met een optie voor verlenging. Mevrouw [instructrice] wilde dat niet. Zij gaf aan dat zij niet hoefde te solliciteren omdat zij al in dienst was en daar is in feite de discussie over het wel of niet begonnen. ……… Het is wel voorgekomen dat een free-lancer na gemaakte afspraak op het allerlaatste moment vroeg of hij die betreffende dag dan toch vrij mocht hebben. En dan zei ik wel shit, maar heb het niet geweigerd, want dat kan ik nu eenmaal niet. …. Ik kijk goed naar de evaluatieformulieren en luister naar collega’s na afloop van de dag. Ik houd met de free-lancers geen evaluatie- of beoordelingsgesprekken. Met de vaste medewerkers wel in de lijn van de ANWB. Dat wil zeggen een jaarlijkse beoordeling met gebruikmaking van een vast formulier. ….. De vaste medewerkers worden ingedeeld volgens een rooster dat geldt voor het gehele jaar. …. Er kan wel verzocht worden om eens een dag met die van een collega te ruilen. Deze vullen geen staat in van de gewerkte uren.”

7.2 [rijtechnisch instructeur bij ANWB], verklaart over de tijd dat hijzelf als free-lancer werkte:

“ In Lelystad worden de free-lancers ingedeeld door de heer [A]. Ik kreeg zelf een lijst met de data waarop ik werken kon. Ik gaf zelf aan welke dagen ik kon. Op die basis werd dat dan uitgevoerd. Het is wel eens voorgekomen dat ik na een gemaakte afspraak heb doorgegeven dat ik op bepaalde dagen niet kon en dat leverde verder bij de heer Stam geen probleem op”.

Voorts verklaart [rijtechnisch instructeur bij ANWB] onder meer:

“Sedert ik in vaste dienst ben werk ik volgens een rooster. Voorheen werd ik betaald naar gewerkte uren en nu ontvang ik een vast salaris. Voor de free-lancers gold allemaal hetzelfde systeem en dus ook voor mevrouw [instructrice].”

7.3 Getuige [rij-instructeur X], verklaart onder meer:

“Ik heb een eigen rijschool. Daarnaast ben ik als free-lancer beschikbaar voor de ANWB en dat ben ik sinds februari 1999. ….. Ongeveer een maand voor een cursus word ik telefonisch benaderd of door de heer [B], of door de heer [C] dan wel de heer [A], met wie ik dan aan de hand van mijn agenda het aangegeven schema doorneem en aan wie ik opgeef wanneer ik wel of niet kan. …… Het is 1 keer voorgekomen dat ik een reeds gemaakte afspraak 3 dagen van te voren heb moeten wijzigen en dat heeft geen problemen opgeleverd.”

7.4 [rij-instructeur Y bij ANWB, verklaart onder meer:

“Ik ken mevrouw [instructrice] als free-lancer bij ons bedrijf. Als vervanger van de heer [A] heb ik ook wel te maken met de indeling van rij-instructeurs. De mensen in vaste dienst staan sowieso elke dag ingeroosterd. De indeling van de free-lancers is op vrijwillige basis. Je belt ze op en vraagt of ze de mogelijkheid hebben te komen werken en ik stel dan in samenspraak met hen de data vast. Als een free-lancer opeens niet kan mag hij een vervanger sturen. Dat is wel eens gebeurd. ….. Als iemand zich afmeldde, belde ik een ander. Er zijn een aantal free-lancers geweest aan wie een vast contract is aangeboden. Daar is met iedereen over gesproken, maar niet expliciet met mevrouw [instructrice]. Ik heb zelf daarover met haar wel gesproken, maar ik weet niet of ik toen al plaatsvervanger was. Mevrouw [instructrice] voelde daar niet voor omdat bepaalde dingen dan anders gingen lopen en dat wilde ze niet. O.a. vrije dagen, omdat ze die dan niet meer zou hebben en zij haar vrijheid wilde houden. Voorts zou zij dan overgaan op een kilometervergoeding op woon- werkbasis en daar ging zij ook mee achteruit. Dat laatste weet ik zeker. ……. Het is mij bekend dat zij daar ook met de heer [A] over heeft gesproken.”

7.5 [instructrice] zelf heeft als getuige onder meer verklaard:

“Er zijn geen beoordelingsgesprekken, maar wel evaluatiegesprekken met mij gehouden. Ik had weinig problemen maar er was wel eens een opmerking n.a.v. de enquêtes. Waar ik met klem op wil wijzen is dat ik helemaal niet geweigerd heb om een vast dienstverband aan te gaan, maar dat de heer [A] in een later stadium die baan aan een ander heeft gegund.”

7.6 [medewerker bij ANWB], heeft onder meer verklaard:

“Van oktober 1998 tot februari 2000 ben ik baanbeheerder geweest in Lelystad. …. Ik ken ook mevrouw [instructrice] hier aanwezig goed. Zij was daar freelance medewerker. …. Ik heb van mevrouw [instructrice] gehoord dat er over een vaste baan gesproken is, maar dat heb ik niet gehoord van de heer [A]. We reden over en weer met elkaar naar het werk toe. Tijdens die tochten hoorde ik van haar dan wel dat [A] gezegd zou hebben dat er iets zou komen. Daar is overigens niets van terecht gekomen. Van mevrouw [instructrice] begreep ik dat in verband met de reorganisatie in het kader van het sociaal beleid andere boven haar voorrang hadden. ….. Volgens mij is haar daarna geen baan meer aangeboden, maar er zijn wel vacatures geweest waarop zij kon solliciteren. Ik geloof dat ze dat laatste niet gedaan heeft. Mevrouw [instructrice] had volgens mij het idee dat die drie vacatures al vast stonden. ….. Op dat moment zat mevrouw [instructrice] te kijken hoe de flex-wet zat. Zij heeft voor zichzelf vastgesteld dat ze recht had op een vaste baan en daarop niet hoefde te solliciteren.”

7.7 Uit de inhoud van de hiervoor geciteerde verklaringen van de getuigen in onderling verband en samenhang bezien, leidt het hof af dat:

-[instructrice] niet vast was ingeroosterd, doch dat zij voorafgaande aan een cursus (telefonisch) benaderd werd en haar gevraagd werd of zij tijd had om op de data van de cursus te komen werken dan wel dat haar gevraagd werd of zij de mogelijkheid had om te komen werken, waarbij de data waarop zij zou komen werken in samenspraak met haar werden vastgesteld;

-ANWB diegenen die zij tot de free-lancers rekende bij het telefonisch benaderen voor een te geven cursus niet verplicht achtte zich voor een cursus beschikbaar te stellen en dat zulks aan [instructrice] voor zoveel het haarzelf betrof kenbaar was;

-ANWB met [instructrice] naar aanleiding van door cursisten ingevulde enquêteformulieren weliswaar evaluatiegesprekken heeft gevoerd, doch nimmer beoordelingsgesprekken;

-zij er mee bekend was dat ANWB haar tot de groep free-lancers rekende;

-zij er mee bekend was dat ANWB diegenen die ANWB tot haar vaste medewerkers rekende anders honoreerde dan diegenen die ANWB tot de groep free-lancers rekende;

-zij wist dat zij onder meer met betrekking tot de reis- en onkosten anders gehonoreerd werd dan diegenen die ANWB tot de vaste medewerkers rekende.

7.8 Voorts kan er op grond van de geciteerde getuigenverklaringen van worden uitgegaan dat wanneer iemand die ANWB tot de free-lancers rekende en die zich na telefonische benadering bereid verklaard had aan en bepaalde cursus mee te werken maar nadien vroeg op de betreffende dag toch vrij te kunnen zijn, zulks door ANWB niet geweigerd werd, zij het dat ANWB zulks in voorkomende gevallen, minst genomen, betreurenswaardig vond. Hetgeen de getuigen Hugoosgift en [instructrice] dienaangaande verklaard hebben, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Aangetekend zij dat ten aanzien van [instructrice], afgezien van mogelijkerwijs een enkel geval van ziekmelding, niet gebleken is dat zij een reeds gemaakte afspraak heeft afgezegd.

8. In het algemeen kan een cursus als de onderhavige zowel binnen het kader van een arbeidsovereenkomst als binnen het kader van een (aaneenschakeling van) opdrachtrelatie(s) worden gegeven. Hetgeen ten aanzien van diegenen die ANWB tot de free-lancers rekende is komen vast te staan met betrekking tot de wijze waarop de cursussen waren ingericht, zoals het geven van aanwijzingen door ANWB met betrekking tot de veiligheid en de wens van, respectievelijk pogingen tot, uniformering van de cursussen door ANWB is zowel verenigbaar met het aannemen van het bestaan van een gezagsrelatie als met het aannemen van het bestaan van een opdrachtrelatie. Het hof verwijst in dit verband ook naar hetgeen in de rechtsoverwegingen 6.1 en 6.2 is overwogen.

9. Het vorenoverwogene, in onderling verband en samenhang bezien, brengt het hof tot het oordeel dat ANWB het in rechtsoverweging 3 bedoelde rechtsvermoeden thans genoegzaam heeft ontzenuwd en er voorshands van kan worden uitgegaan dat partijen op een zodanige wijze feitelijk aan hun overeenkomst uitvoering, en aldus daaraan inhoud, hebben gegeven dat de door [instructrice] verrichte arbeid door haar niet krachtens arbeidsovereenkomst is verricht.

10. [instructrice] heeft evenwel in hoger beroep door het doen horen van enkele nog niet eerder gehoorde getuigen die over de gezagsverhouding en het persoonlijk verrichten van de werkzaamheden van de instructeurs kunnen verklaren, te bewijzen aangeboden dat er tussen haar en ANWB een arbeidsovereenkomst bestaat. Het hof zal haar aanbod honoreren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

Het hof:

-laat [instructrice] in het bijzonder door middel van het doen horen van getuigen toe te bewijzen dat tussen haar en ANWB een arbeidsovereenkomst bestaat;

-bepaalt dat de getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van de ten deze benoemde raadsheer-commissaris mr. A.H. de Wild op donderdag 30 oktober 2003 in een der lokalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage, dan wel, voor het geval een der partijen, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen voor de weken 45 tot en met 51 2003 alsmede voor de weken 2 tot en met 5 2004, binnen veertien dagen na heden opgeeft dan verhinderd te zijn, op een dan door de raadsheer-commissaris nader te bepalen datum en tijdstip;

-houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Wild, Schuering en Hehemann en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 oktober 2003 in aanwezigheid van de griffier.