Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AO7428

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-11-2003
Datum publicatie
13-04-2004
Zaaknummer
2200159403
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is met zijn medeverdachte, [naam], naar een benzinestation gegaan waar zij het latere slachtoffer zouden ontmoeten. [naam] had reeds langere tijd ruzie met het slachtoffer. Bij het benzinestation aangekomen stapten de verdachte, die op zich niets te maken had met het conflict tussen [naam] en het slachtoffer, en zijn medeverdachte uit de auto. Het slachtoffer was reeds gearriveerd. Het slachtoffer bleek een vuurwapen in zijn hand te hebben. Hierop heeft de verdachte een groot aantal schoten op het slachtoffer afgevuurd. Ook toen het slachtoffer reeds op de grond lag heeft de verdachte nog op hem geschoten. Het slachtoffer is tengevolge van deze schoten overleden.

Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT JAREN.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 41
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 1010002202

datum uitspraak 14 november 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 20 februari 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 31 oktober 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 impliciet primair (medeplegen van moord) en onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair (medeplegen van doodslag) tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is kennelijk niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissing ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 impliciet primair (medeplegen van moord) is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

7. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair (medeplegen van doodslag) tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

8. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandig-heden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van doodslag.

10. Verweren

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde een beroep gedaan op noodweer, subsidiair noodweer-exces.

De raadsman heeft in dat verband gesteld dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan ter noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding jegens zowel hemzelf als zijn medeverdachte J. [naam] door het latere slachtoffer A. [naam].

De raadsman van de verdachte heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het navolgende aangevoerd.

Ingevolge een tevoren gemaakte telefonische afspraak hebben de verdachte en [naam] zich met een auto naar een benzinestation begeven teneinde aldaar een ontmoeting te hebben met genoemde [naam]. Nadat de verdachte en [naam] bij dat benzinestation waren aangekomen en de auto van [naam] zagen staan, zijn de verdachte en [naam] uit de auto gestapt. [naam] is vervolgens de verdachte voorbij gelopen in de richting van [naam], die zich nog bij diens eigen auto bevond. Op het moment dat de verdachte bemerkte dat [naam] in elkaar dook en terug rende in de richting van de auto, waarmede zij zojuist waren gekomen, ontwaarde hij in de hand van [naam] een vuurwapen. [naam] richtte dit vuurwapen in de richting van de wegvluchtende [naam] en doordat de verdachte in één lijn stond met [naam] ook op hem. In reactie hierop heeft - aldus nog steeds de verdediging - de verdachte het vuurwapen dat hij in zijn broeksband bij zich droeg getrokken, schietklaar gemaakt en vervolgens een aantal schoten afgevuurd in de richting van die [naam].

Voor het geval het hof mocht oordelen dat de verdachte met het lossen van zijn laatste schoten, te weten die op het moment dat [naam] inmiddels op de grond was terecht gekomen, verder is gegaan dan ter verdediging noodzakelijk was, stelt de raadsman van de verdachte dat het afvuren van deze schoten het gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging bij de verdachte veroorzaakt door de voorafgaande aanranding door [naam].

Het hof overweegt omtrent de gevoerde verweren als volgt. Uit het voorhanden zijnde strafdossier en op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het volgende aannemelijk geworden.

Tussen de medeverdachte [naam] en het slachtoffer [naam] bestond al langere tijd een conflictueuze relatie naar aanleiding van een beweerdelijk incident tussen S. [naam], de vriendin van [naam], en [naam]. Bij dit incident, dat zich ongeveer twee jaar vóór de onderhavige schietpartij bij het benzinestation zou hebben afgespeeld, zou [naam] onder dreiging van een vuurwapen avances hebben gemaakt naar deze vriendin. De verdachte was op de hoogte van deze problemen tussen [naam] en [naam]. Genoemde [naam] heeft tegenover de politie verklaard dat [naam] ongeveer zes à zeven maanden vóór het schietincident bij het benzinestation een woordenwisseling heeft gehad met [naam] voor haar woning in de Wagenbergstraat te Rotterdam. Nadien zou [naam] tegen [naam] hebben gezegd dat [naam] op dat moment van onder de bestuurdersstoel van de auto een wapen had gepakt.

Enige uren voor de schietpartij bij het benzinestation hoorde [naam] van een derde dat [naam] naar hem op zoek zou zijn en dat [naam] zou hebben gezegd dat hij "de moeder van [naam] zou neuken". Zoals uit de verklaring van [naam] blijkt is dit in zijn cultuur een grote belediging en was hij dan ook beledigd door deze uitlating van [naam]. De verdachte en [naam], die beiden gedurende de dag al de nodige whisky hadden genuttigd, hebben vervolgens gedurende langere tijd geprobeerd het telefoonnummer van [naam] te achterhalen, hetgeen uiteindelijk is gelukt. In het bijzijn van de verdachte heeft [naam] daarna [naam] opgebeld en tijdens het telefoongesprek dat volgde heeft [naam] met [naam] afgesproken dat zij elkaar zouden treffen bij het bewuste benzinestation. Het is voor het hof onduidelijk gebleven waarom de zaak niet telefonisch kon worden uitgepraat dan wel waarom de ontmoeting niet zou hebben kunnen plaatsvinden in de woning van [naam] of [naam]. Duidelijk is wel op basis van de diverse getuigenverklaringen dat er op dat moment tussen [naam] en [naam] een ruzieachtige sfeer was ontstaan. De verdachte, die er blijkens zijn eigen verklaring bij de politie van uitging dat [naam] en [naam] in ieder geval ruzie zouden krijgen, is met [naam] meegegaan naar het benzinestation omdat hij - zoals hij bij de politie heeft verklaard - bang was dat [naam], die veel sterker is dan [naam], [naam] zou slaan. Voorts volgt uit diezelfde verklaring van de verdachte dat hij op dat moment gedacht heeft aan de mogelijkheid dat [naam] een wapen bij zich zou hebben. Toen de verdachte [naam] vergezelde naar het benzinestation had hij een vuurwapen in zijn bezit.

Onder de hiervoor geschetste omstandigheden had de verdachte naar het oordeel van het hof rekening moeten houden met de mogelijkheid van vuurwapengebruik door het latere slachtoffer [naam]. Nu de verdachte zich willens en wetens in de hierboven omschreven en mede door zijn toedoen ontstane situatie heeft begeven is de bewezenverklaarde doodslag niet begaan ter noodzakelijke verdediging tegen de op zichzelf wederrechtelijke aanranding door [naam], welke daaruit heeft bestaan dat [naam] in ieder geval met een vuurwapen in de hand tegenover [naam] en nadien de verdachte heeft gestaan.

Nu de verdachte geen beroep op noodweer toekomt, verwerpt het hof tevens het beroep op noodweer-exces.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluit. Het feit en de verdachte zijn derhalve strafbaar.

11. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Van Capelle heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het onder 1 impliciet primair (medeplegen van moord) tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 impliciet subsidiair (medeplegen van doodslag) tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is met zijn medeverdachte, [naam], naar een benzinestation gegaan waar zij het latere slachtoffer zouden ontmoeten. [naam] had reeds langere tijd ruzie met het slachtoffer. Bij het benzinestation aangekomen stapten de verdachte, die op zich niets te maken had met het conflict tussen [naam] en het slachtoffer, en zijn medeverdachte uit de auto. Het slachtoffer was reeds gearriveerd. Het slachtoffer bleek een vuurwapen in zijn hand te hebben. Hierop heeft de verdachte een groot aantal schoten op het slachtoffer afgevuurd. Ook toen het slachtoffer reeds op de grond lag heeft de verdachte nog op hem geschoten. Het slachtoffer is tengevolge van deze schoten overleden.

Een dergelijk delict draagt een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter waarbij de verdachte op grove wijze het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, van het slachtoffer heeft geschonden. Daarnaast brengt het bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg, temeer daar het feit heeft plaatsgevonden aan een openbare weg in het bijzijn van andere mensen.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 21 oktober 2003, al meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder ook een bedreiging met een vuurwapen waarvoor de verdachte tot twaalf maanden gevangenisstraf is veroordeeld, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de omtrent de persoon van de verdachte uitgebrachte rapportages, waaronder het rapport pro justitia, d.d. 27 juni 2002, opgemaakt en ondertekend door H.S.M. Weber, justitieel forensisch psycholoog B.I.G./N.I.P..

Blijkens dit rapport kan er bij de verdachte gesproken worden van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale en narcistische trekken. De verdachte dient volgens de rapporteur ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit als in een licht verminderde mate toerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

Het hof neemt deze conclusie over en maakt deze tot de zijne.

Het hof is alles afwegende dan ook van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover

die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mrs. De Bruijn-Lückers, Den Os en Van Kempen, in bijzijn van de griffier mr. Berkepeis.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 14 november 2003.