Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AO4274

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-12-2003
Datum publicatie
23-02-2004
Zaaknummer
2200174903
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AS5983
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AS5983
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de wurging van een man. Samen met een ander heeft zij vervolgens het stoffelijk overschot van het slachtoffer dat bij haar in huis lag weggevoerd en weggemaakt, zoals nader in de bewezenverklaring omschreven. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diverse berovingen in woningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200174903

parketnummers 1011000102 en 1004133300 (TUL)

datum uitspraak 22 december 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van

de rechtbank te Rotterdam van 19 februari 2003

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 8 december 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep op vordering van respectievelijk de officier van justitie en de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het thans onder 1, eerste alternatief, 6 en 10 tenlastegelegde vrijgesproken, terzake van het onder 2 tenlastegelegde ontslagen van alle rechtsvervolging en terzake van het thans onder 1, tweede alternatief, 3, 4, 5, 7, 8 en 9 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent de vordering van de benadeelde partijen als nader in het vonnis omschreven en met tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is kennelijk niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissingen ten aanzien van het onder 6 en 10 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 4, 8 en 9 is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

7. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, tweede alternatief, 2, 3, 5 en 7 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

8. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

9. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1, tweede alternatief bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van een lijk wegvoeren en wegmaken, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Het onder 3 en 7 bewezenverklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, meermalen gepleegd.

Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

10. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

11. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Geradts heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1, tweede alternatief (als "gekwalificeerde" doodslag), 2, 3, 4, 5, 7, 8 en 9 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [naam], [naam], [naam]g zullen worden toegewezen tot bedragen van respectievelijk € 617,63, € 1.134,45, en € 2.687,-, telkens met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van [naam] heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding zal worden verklaard.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de wurging van een man. Samen met een ander heeft zij vervolgens het stoffelijk overschot van het slachtoffer dat bij haar in huis lag weggevoerd en weggemaakt, zoals nader in de bewezenverklaring omschreven. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan diverse berovingen in woningen.

Met name gelet op de ernst van het onder 1 bewezenverklaarde feit, de omstandigheid dat verdachte op geen enkele wijze er van blijk heeft gegeven het strafwaardige van haar handelen in te zien en dat zij blijkens een haar betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 10 december 2003, al eens is veroordeeld voor het plegen van een gewelddadige diefstal, hetgeen haar er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen, acht het hof oplegging van een zeer langdurige gevangenisstraf onontkoombaar. Verdachte dient voor geruime tijd uit de samenleving te worden verwijderd.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden onvoldoende tot uitdrukking in

zowel de door de eerste rechter opgelegde straf, als in de door de advocaat-generaal in hoger beroep gevorderde straf.

Het is op deze grond dat het hof de hierna te vermelden zwaardere straf zal opleggen dan door de eerste rechter is opgelegd en thans door de advocaat-generaal in hoger beroep is gevorderd.

12. Vorderingen tot schadevergoeding

12.1 In het onderhavige strafproces heeft [naam], wonende [adres] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van € 617,63.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het - in eerste aanleg toegewezen - bedrag van € 617,63.

Namens de verdachte heeft de gemachtigde raadsman de vordering van de benadeelde partij betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 617,63 ten behoeve van het slachtoffer [naam], bij niet-betaling te vervangen door 12 dagen hechtenis.

12.2 In het onderhavige strafproces heeft [naam], wonende [adres] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van f. 2.500,- (€ 1.134,45).

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag.

Nu de verdachte terzake van het onder 4 tenlastegelegde wordt vrijgesproken dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot vergoeding van de als gevolg van dat feit geleden schade.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op haar verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

12.3 Ter terechtzitting in hoger beroep heeft mr. A.R.E.M.F. Roelofs betoogd, dat zijn kantoorgenoot mr. J.L.A.M. le Cocq d'Armandville namens [naam] in eerste aanleg middels een voegingsformulier benadeelde partij een vordering tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 5 tenlastegelegde heeft ingediend.

Deze vordering zou ten onrechte niet door de rechtbank in haar behandeling van de onderhavige strafzaak zijn meegenomen.

In het dossier bevindt zich echter geen voegingsformulier als vorenbedoeld en evenmin is het hof anderszins gebleken van feiten of omstandigheden zoals door de raadsman gesteld.

Gelet op het vorenstaande moet het ervoor gehouden worden dat [naam] zich eerst in hoger beroep als benadeelde partij heeft gevoegd, en dient hij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

12.4 In het onderhavige strafproces heeft [naam]g, wonende [adres] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 9 tenlastegelegde tot een bedrag van

€ 5.000,69.

In hoger beroep is deze vordering - naar het hof begrijpt - wederom aan de orde tot dit bedrag.

Nu de verdachte terzake van het onder 9 tenlastegelegde wordt vrijgesproken dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering tot vergoeding van de als gevolg van dat feit geleden schade.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op haar verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

13. Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 11 oktober 2000 (met parketnummer 1004133300) is de verdachte

- onder meer - veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. Immers, de verdachte heeft de in de onderhavige strafzaak onder

1, tweede alternatief, 2, 3, 5 en 7 bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuit-voerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

14. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 36f, 47, 57, 151, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep -voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen- en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4, 8 en 9 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, tweede alternatief, 2, 3, 5 en 7 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHTTIEN JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam] tot het gevorderde bedrag van

ZESHONDERDENZEVENTIEN EURO EN DRIEËNZESTIG EUROCENT

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 617,63 ten behoeve van het slachtoffer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van twaalf dagen.

Bepaalt dat voorzover wordt voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[naam], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen, alsmede dat voorzover wordt betaald aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam] niet-ontvankelijk in de vordering.

Verklaart de benadeelde partij [naam]g niet-ontvankelijk in de vordering.

Wijst toe de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht en gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 11 oktober 2000 (met parketnummer 1004133300) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf van ZES MAANDEN.

Dit arrest is gewezen door mrs. Wurzer, Van der Putten-Göbbels en De Groot, in bijzijn van de griffier mr. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 december 2003.