Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AO3261

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-12-2003
Datum publicatie
09-02-2004
Zaaknummer
BK-03/00828
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOZ; mutatiebeschikking/herzieningsbeschikking.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:22
Wet waardering onroerende zaken 17
Wet waardering onroerende zaken 18
Wet waardering onroerende zaken 19
Wet waardering onroerende zaken 25
Wet waardering onroerende zaken 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 413
FutD 2004-0286
Belastingblad 2004/385
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

achtste enkelvoudige belastingkamer

9 december 2003

nummer BK-03/00828

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van A van de gemeente P (hierna: de Inspecteur) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen een beschikking, genomen op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet) betreffende de onroerende zaak, plaatselijk bekend als a-straat 1 te Z.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 25 november 2003, gehouden te Dordrecht. Aldaar zijn verschenen belanghebbende alsmede B, C en D namens de Inspecteur.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- vernietigt de beschikking, en

- gelast de gemeente P aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht ad € 31 te vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende is gebruiker en genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de onroerende zaak a-straat 1 te Z (hierna: de woning). De woning is een appartement op de eerste etage van een appartementencomplex met tien appartementen. In het souterrain bevindt zich een algemene parkeergarage. De inhoud van de woning is ongeveer 351 m3. De woning is gebouwd in 2000. Belanghebbende heeft de woning in afgebouwde staat op 28 november 2000 voor een bedrag van ƒ 625.000 (€ 283.613) gekocht.

2. Ten aanzien van belanghebbende is met dagtekening 30 april 2001 een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet genomen. Bij deze beschikking is de waarde van de woning naar de waardepeildatum 1 januari 1999 vastgesteld op ƒ 330.000 (€ 149.747). Deze beschikking geldt voor het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

3. Met dagtekening 28 februari 2002 is vervolgens een mutatiebeschikking als bedoeld in artikel 25 van de Wet genomen. In deze beschikking is vermeld dat de waarde van de woning naar de waardepeildatum 1 januari 1999 en naar de toestand op 1 januari 2002 is vastgesteld op ƒ 522.279 (€ 237.000) en dat de beschikking geldt voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

4. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht de beschikking met dagtekening 28 februari 2002 heeft genomen en, indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, of de waarde van de woning zoals op de beschikking van 28 februari 2002 staat vermeld niet te hoog is vastgesteld. Tegenover de nadere waardevaststelling door de Inspecteur bepleit belanghebbende een waarde van ƒ 330.000 (€ 149.747).

5. Zoals blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet dient, met inachtneming van het bepaalde in artikel 17, lid 2, van de Wet, de aan een onroerende zaak toe te kennen waarde te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn besteed, waarbij ervan moet worden uitgegaan dat bij die veronderstelde verkoop de volle en onbezwaarde eigendom zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.

6. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Wet wordt de waarde van de onroerende zaak bepaald naar de waarde die de zaak heeft op de waardepeildatum naar de staat waarin de zaak op die datum verkeert.

7. Artikel 19, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet maakt op deze regel een uitzondering ingeval er, voor zover hier van belang, sprake is van een wijziging van de onroerende zaak als gevolg van hetzij bouw, verbouwing, verbetering, afbraak of vernietiging, hetzij verandering van bestemming in de twee jaren voorafgaande aan het begin van het tijdvak waarvoor de waarde wordt vastgesteld. Alsdan wordt, in afwijking in zoverre van artikel 18, eerste lid, van de Wet de waarde bepaald naar de staat van die zaak bij het begin van dat tijdvak.

8. Een mutatiebeschikking op grond van artikel 25 van de Wet kan alleen worden afgegeven indien de waarde is bepaald ingevolge artikel 19, tweede lid, van de Wet, dat wil zeggen indien de in dat artikellid genoemde omstandigheden zich tijdens het tijdvak hebben voorgedaan. In het onderhavige geval is de woning vóór 1 januari 2001 voltooid en heeft de mutatie zich voorgedaan in de periode na de waardepeildatum maar vóór de aanvang van het tijdvak. In dat geval had de Inspecteur op de voet van artikel 27 van de Wet een herzieningsbeschikking moeten nemen.

9. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende in dit onderhavige geval niet in zijn belangen is geschaad. In de onderhavige beschikking is weliswaar de aanvangsdatum van het WOZ-tijdvak onjuist vermeld (1 januari 2001 in plaats van 1 januari 2002), maar in de beschikking is opgenomen dat de tussentijdse aanpassing van de waarde kan plaatsvinden niet alleen bij nieuwbouw of verbouw, maar ingeval van een duidelijk te laag vastgestelde waarde. Het Hof zal derhalve met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht voorbij gaan aan deze vormfout en de onderwerpelijke beschikking aanmerken als een herzieningsbeschikking als bedoeld in artikel 27 van de Wet. Dit houdt tevens in dat aan de voor het nemen van zulk een beschikking geldende voorwaarden moet zijn voldaan.

10. Ingevolge het bepaalde in artikel 27, eerste lid, van de Wet kan het college van burgemeester en wethouders, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de waarde te laag is vastgesteld, de in artikel 22, eerste lid, artikel 25, eerste lid, of artikel 26, eerste lid, van de Wet bedoelde beschikking herzien bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Een feit dat de gemeenteambtenaar bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor herziening opleveren.

11. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 27 van de Wet blijkt dat het college van burgemeester en wethouders voor het antwoord op de vraag of een herziening van de aanvankelijk op een te laag bedrag vastgestelde waarde geoorloofd is, gebonden is aan dezelfde normen als die in het fiscale recht gelden ten aanzien van de mogelijkheid tot navorderen op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en dat de aldaar gevormde jurisprudentie, met inbegrip van de daarin aangebrachte verzachting van de vereisten voor navordering als sprake is van een voor de belanghebbende kenbare schrijf- of tikfout, dan wel een daarmee gelijk te stellen fout, van overeenkomstige toepassing is op de herziening van de waardevaststellingsbeschikking (Memorie van Toelichting, Tweede Kamer, vergaderjaar 1992-1993, 22 885, nr. 3, blz. 20).

12. De Inspecteur stelt dat het belanghebbende bij ontvangst van de onder 2 bedoelde beschikking direct kenbaar moet zijn geweest dat de daarin opgenomen waarde te laag was. Hij heeft immers zijn woning in november 2000 voor een bedrag van ƒ 625.000 (€ 283.613) gekocht. Bovendien berekent belanghebbende in zijn beroepschrift zelf een waarde van € 194.537 voor zijn woning.

13. Naar het oordeel van het Hof vormt de ontdekking van de Inspecteur dat bij het afgeven van de oorspronkelijke beschikking de waarde van de woning tot een te laag bedrag zou zijn vastgesteld, geen nieuw feit dat een herziening van de oorspronkelijk vastgestelde waarde rechtvaardigt. De omstandigheid dat in eerste instantie de waarde op een te laag bedrag is vastgesteld, had de Inspecteur redelijkerwijs bekend kunnen zijn en komt dan, in beginsel, voor zijn risico.

14. Herziening is wel mogelijk indien het de belanghebbende bij ontvangst van de oorspronkelijke beschikking aanstonds duidelijk moet zijn geweest dat deze op een fout berust. In het onderhavige geval kan hier niet van worden gesproken. Belanghebbende heeft bij ontvangst van deze beschikking een taxatieverslag opgevraagd. Zoals hij ter zitting heeft toegelicht, zag hij op dit taxatieverslag als referentieobject a-straat 2 te Z vermeld, een appartement dat zich in hetzelfde gebouw bevindt. Deze referentiewoning heeft een inhoud van 315 m³ en de waarde is vastgesteld op ƒ 294.000. Nu de waarde van belanghebbendes woning, die over een inhoud van ongeveer 351 m³ beschikt, is vastgesteld op ƒ 330.000, acht het Hof aannemelijk dat het belanghebbende niet duidelijk behoeft te zijn geweest dat de oorspronkelijke beschikking op een fout berustte. Nu belanghebbende direct na ontvangst van deze beschikking een onderzoek naar de daarbij vastgestelde waarde heeft ingesteld staat dit geval gelijk met dat waarbij de fout niet aanstonds bij ontvangst van de beschikking kenbaar was of kon zijn.

15. Op grond van het vorenoverwogene is het beroep gegrond.

16. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu belanghebbende te kennen heeft gegeven hiervan geen gebruik te willen maken. Wel dient de gemeente aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld op 9 december 2003 door mr. Savelbergh en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier

mr. De Fouw.

(De Fouw)

(Savelbergh)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.