Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AO2641

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
09-03-2004
Zaaknummer
2200150603
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is enig aandeelhouder en directeur van de vennootschap B&R Recycling B.V. Deze B.V. (verder B&R) zamelt kunststofafvalstoffen en kitkokerhulzen in en bewerkt deze. B&R heeft stelselmatig, gedurende ruim vijf jaren, de voor haar geldende milieuvoorschriften opzettelijk overtreden. Dit feit is de verdachte als leidinggevende toe te rekenen.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2003/69 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 1000508798

ad informandum 1016109500 en 1016144501

datum uitspraak 29 oktober 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 11 november 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 15 oktober 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 primair tenlastegelegde vrijgesproken en terzake van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 subsidiair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van € 50.000,--, subsidiair 360 dagen hechtenis.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

Van de zijde van de verdachte is een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens schending van beginselen van een goede procesorde. Daartoe wordt gesteld dat de persoonlijke levenssfeer van burgers die zich tot advocaten wenden en het beroepsgeheim van de advocaat in dit geval zijn geschonden. Deze schending zou bestaan in het volgende. Hoewel blijkens de op de lijst van inkomende en uitgaande telefoon- en faxnummers de telefoonnummers en het faxnummer van Bos c.s. Advocaten B.V. (het kantoor van de raadsman) bekend waren bij de politie, is er op voornoemde nummers getapt. Dit blijkt onder andere uit het proces-verbaal van 19 april 1999, waar bij een telefonisch contact te 10.21 uur vermeld staat: "Rens belt uit naar advocaat Bram. Niet gerelateerd."

De raadsman heeft daaraan toegevoegd dat uit het dossier is gebleken dat het afluisteren en opnemen van telefoongesprekken en/of faxberichten niet is beëindigd op de door de rechter-commissaris bevolen datum (25 januari 1999).

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Voor niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens schending van beginselen van een behoorlijke procesorde is slechts plaats indien doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte, de verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak, danwel indien sprake is van een ernstige schending van een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke procesorde dat geen doorslaggevend belang meer toekomt aan de vraag of de verdachte door deze schending daadwerkelijk in zijn belangen is getroffen. Daarvan is naar het oordeel van het hof hier geen sprake.

Niet is aannemelijk geworden dat door het tappen op de telefoon- en faxnummers van de advocaat -hetgeen niet had mogen gebeuren- doelbewust de bedoelde belangen van de verdachte zijn geschonden, dan wel dat sprake zou zijn van ernstige schending van fundamentele beginselen.

Dat er na 25 januari 1999 nog telefoon- en/of faxverkeer afgeluisterd en opgenomen is zal voorts geen afbreuk kunnen doen aan het recht van de verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak, aangezien het hof geen acht zal slaan op de telefoongesprekken en/of faxberichten afgeluisterd en opgenomen na 25 januari 1999.

Nu ook overigens geen feiten en omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

5. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

6. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1A. opzettelijke overtreding van het voorschrift,

gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

1B. opzettelijke overtreding van het voorschrift,

gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer,

gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

2. valsheid in geschrift, gepleegd door een

rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

3. opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 10.44e, eerste lid, van de Wet milieubeheer, gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

4. opzettelijke overtreding van het voorschrift,

gesteld bij artikel 18.18 van de Wet milieubeheer,

gepleegd door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

9. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

10. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Wittop Koning heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negentig dagen, waarvan zevenenveertig dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en met aftrek van voorarrest, alsmede tot een geldboete van € 50.000,--, subsidiair 360 dagen hechtenis.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is enig aandeelhoude[naam]n directeur van de vennootschap [n[naam]] zamelt kunststofafvalstoffen en kitkokerhulzen in en bewerkt deze. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben bij besluit van 6 mei 1998 aan [naam] vergunning verleend voor een inrichting voor het be- en verwerken van in het afvalstadium geraakte kit-, hars-, en lijmkokers/ worsten/inliners, kit-, hars- en lijmresten en overige in het afvalstadium geraakte kunststoffen. Aan dit besluit zijn de voorschriften verbonden zoals neergelegd in een schriftelijk bescheid met het kenmerk: DWM/155057.

[naam] heeft stelselmatig, gedurende ruim vijf jaren, de voor haar geldende milieuvoorschriften opzettelijk overtreden. Voorafgaand aan de vergunningverlening deed zij dat door in strijd met de aan haar door Gedeputeerde Staten afgegeven gedoogbeschikkingen allerhande niet toegestaan afval te accepteren en dat met behulp van een zogenaamde "shredder" te vermalen, hetgeen neerkomt op het misdrijf van het in werking hebben van een inrichting zonder vergunning. Doordat zij in strijd met de gedoogbeschikkingen heeft gehandeld, komt haar een beroep op die beschikkingen niet meer toe. Nadat haar vergunning was verleend, is zij met deze activiteiten doorgegaan, zulks in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen. Om deze met de vergunning strijdige praktijken te verdoezelen heeft [naam] zich meermalen schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift. Op de bij de vracht behorende (CMR) documenten en facturen werd meermalen als omschrijving van de afvalgroep vermeld "kunststoffen", terwijl feitelijk het afval grotendeels bestond uit papier/karton en/of zogeheten retouretteafval. Een groot deel van het vershredderde materiaal werd na verkoop aangewend als brandstof ten behoeve van verbrandingsovens in de cementindustrie in België en Duitsland. [naam] regelde de overbrenging naar de verbrandingsovens echter zonder dat zij daarvan kennis had gegeven aan danwel schriftelijke toestemming had verkregen van de ingevolge de EG-verordening 259/93 inzake de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen (EVOA) bevoegde autoriteiten. Zodoende heeft [naam] zich schuldig gemaakt aan "sluikhandel" als bedoeld in artikel 26, eerste lid van de EVOA. Deze feiten zijn de verdachte als leidinggevende van [naam] toe te rekenen.

[naam] heeft ten slotte in april 1999 artikel 9.4 van de aan voormelde vergunning verbonden voorschriften overtreden

doordat zij een grote hoeveelheid granulaat buiten de hal van haar bedrijf had opgeslagen, terwijl dat granulaat zich niet bevond op een vloeistofdichte vloer in doelmatige emballage. Dit feit is de verdachte als leidinggevende van [naam] toe te rekenen.

Het hof is gebleken dat de verdachte zich niets gelegen liet liggen aan een uit milieu-oogpunt zorgvuldige bedrijfsvoering. Door zijn handelen in strijd met de milieuvoorschriften heeft de verdachte het milieu in gevaar gebracht. Dat de provincie inmiddels op een enkel punt andere inzichten is toegedaan met betrekking tot de benodigde voorschriften voor de inrichting, doet aan de strafwaardigheid van de feiten niet af.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep erkend, dat hij zich ook heeft schuldig gemaakt aan andere, niet tenlastegelegde feiten.

Die feiten zijn door het openbaar ministerie onder de parketnummers 1016109400 en 1016144401 bij deze strafzaak gevoegd met het oog op de aan de verdachte op te leggen straf. Het hof heeft op deze feiten acht geslagen bij de beslissing over de straf, waarbij het ervan is uitgegaan dat de verdachte terzake van die feiten niet afzonderlijk zal worden vervolgd.

Het hof is van oordeel dat alleen een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur passend en geboden is. Het hof is van oordeel dat daarnaast nog een geldboete geboden is. Bij de vaststelling van de vermogensstraf is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 51, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op de artikelen 1a (oud), 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, op de artikelen 8.1, 10.44e en 18.18 van de Wet milieubeheer en op artikel 26 van de EEG-verordening nr. 259/93.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van NEGENTIG DAGEN.

Beveelt dat een op NEGENENDERTIG (39) DAGEN bepaald gedeelte van de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van TWEE JAREN aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijke gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van € 50.000,-- (zegge VIJFTIGDUIZEND EURO), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 360 dagen.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mrs. Borgesius, Van den Berg en Fleers, in bijzijn van de griffier mr. Postma.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 29 oktober 2003.

Mr. Fleers is buiten staat dit arrest te ondertekenen.