Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AO2615

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-05-2003
Datum publicatie
29-01-2004
Zaaknummer
2200469302
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een kennis van hem in diens woning meermalen tegen het hoofd geslagen, gestompt of getrapt. Tengevolge van bloedingen uit daarbij opgelopen hoofdwonden is het slachtoffer overleden.

Voorts heeft de verdachte een willekeurige persoon getracht onder bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van zijn auto. Toen de verdachte niet in zijn voornemen slaagde, heeft hij vervolgens met een mes een band van die auto kapot gestoken. Kort hieraan voorafgaand heeft de verdachte nog een kennis mishandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

rolnummer 2200469302

parketnummers 1006003302, 1006107002 en 1006145500 (tul)

datum uitspraak 28 mei 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 28 oktober 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 14 mei 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, en is de verdachte terbeschikking gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de aan de verdachte bij vonnis van 9 april 2001 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van honderdnegen dagen.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 primair is tenlastegelegd.

De verdachte moet derhalve hiervan worden vrijgesproken.

6. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

7. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1 primair: doodslag,

2 primair: poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg,

3 subsidiair: mishandeling,

4: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

9. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

10. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Strack heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van voorarrest, alsmede dat de verdachte zal worden terbeschikkinggesteld met bevel tot verpleging van overheidswege en tenuitvoerlegging van de aan de verdachte bij vonnis van 9 april 2001 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van honderdnegen dagen.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een kennis van hem in diens woning meermalen tegen het hoofd geslagen, gestompt of getrapt. Tengevolge van bloedingen uit daarbij opgelopen hoofdwonden is het slachtoffer overleden.

Voorts heeft de verdachte een willekeurige persoon getracht onder bedreiging met geweld te dwingen tot afgifte van zijn auto. Toen de verdachte niet in zijn voornemen slaagde, heeft hij vervolgens met een mes een band van die auto kapot gestoken. Kort hieraan voorafgaand heeft de verdachte nog een kennis mishandeld.

Met name het resultaat van het eerste delict en de wijze waarop het is uitgevoerd draagt een voor de rechtsorde en nabestaanden van het slachtoffer zeer schokkend karakter. Door het handelen van de verdachte is het slachtoffer het meest elementaire recht, namelijk dat op leven, ontnomen op een weerzinwekkend gewelddadige wijze. Ook de overige feiten zijn ernstig van aard en zullen voor de slachtoffers beangstigend zijn geweest. Naar de ervaring leert kunnen zij daarvan nog geruime tijd emotionele schade ondervinden. Door het kapot steken van de autoband heeft de verdachte voorts financiële schade en ongemak veroorzaakt voor degene die door dit feit is gedupeerd.

Tevens heeft het hof acht geslagen op het door drs. P.C.A. van der Graaff, psychiater, en drs. D. Verbeek, psycholoog, betreffende de verdachte uitgebrachte multidisciplinaire rapport d.d. 5 juli 2002. Het houdt onder meer in -zakelijk weergegeven-:

Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de hem tenlastegelegde feiten een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken en bovendien in samenhang daarmee een ernstige afhankelijkheid van alcohol en ernstig misbruik van diverse middelen.

Vanuit deze gebrekkige ontwikkeling was er bij de verdachte minder keuzevrijheid om wel of geen alcohol te gebruiken. Vanuit de intoxicatietoestand door het gebruik van grotere hoeveelheden alcohol en zijn gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, was bij de verdachte sprake van een sterk verlaagde drempel voor agressief 'acting-out' gedrag, waarbij hij zich gemakkelijk bedreigd voelde en overging tot buitensporig geweld. Door de ernstige alcoholroes had betrokkene nauwelijks besef van zijn handelen bij het begaan van het eerste tenlastegelegde feit. Vanuit de vele eerdere ruzies met agressie waarbij hij betrokken was geweest, moet hij echter op de hoogte zijn geweest van de effecten van alcohol op zijn handelen. Op grond van het bovenstaande is betrokkene naar de mening van de rapporteurs verminderd toerekeningsvatbaar voor het hem tenlastegelegde.

Zonder intensieve behandeling van de stoornissen bij betrokkene is er in soortgelijke situaties een zeer reële kans om opnieuw een ernstig delict te begaan. Het recidiverisico zonder behandeling moet als hoog worden ingeschat. Betrokkene heeft te weinig besef van de problemen, heeft zijn alcoholgebruik niet onder controle en wordt onder invloed gemakkelijk agressief. Om de kans op herhaling te voorkomen is een langdurige gestrucureerde behandeling van zowel de persoonlijkheidsproblematiek als van de verslavingsproblematiek een vereiste. Hierbij is de maatregel van TBS met verpleging geïndiceerd.

Het hof neemt de bevindingen en conclusies van voornoemde deskundigen over en maakt deze tot de zijne.

Op grond van de ernst van het bewezenverklaarde en de in aanmerking genomen omstandigheden, is het hof van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is, ook wanneer acht wordt geslagen op de verminderde toerekenings-vatbaarheid van de verdachte als in het eerder vermelde rapport omschreven.

Voorts ziet het hof aanleiding om, in aanmerking genomen de inhoud van het over de verdachte uitgebrachte multidisciplinair rapport, alsmede de ernst van het onder 1 bewezenverklaarde, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld, de maatregel van terbeschikkingstelling van de verdachte te gelasten, met bevel tot verpleging van overheidswege, nu de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen -gelet op het geconstateerde herhalingsgevaar- dit vereist.

11. Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 9 april 2001 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van honderdtachtig dagen, met bevel dat honderdnegen dagen van die gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

Naar het oordeel van het hof zijn er echter geen termen aanwezig voor toewijzing van die vordering. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 37a, 37b, 45, 57, 287, 300, 312, 317 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZES JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie ex artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht.

Dit arrest is gewezen door mrs. Borgesius, Reinking en Fleers, in bijzijn van de griffier mr. Postma.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 mei 2003.

Mr. Fleers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.