Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AO2263

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-12-2003
Datum publicatie
23-01-2004
Zaaknummer
261-H-03
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gebruiksvergoeding voor gebruik echtelijke woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak : 17 december 2003

Rekestnummer : 261-H-03

Rekestnr. rechtbank : 01.3106

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[belanghebbende],

wonende te ['s-Gravenhage],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E.F.A. Linssen-van Rossum,

tegen

[benadeelde partij],

wonende te ['s-Gravenhage],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. C.L. Wehrung.

PROCESVERLOOP

De vrouw is op 21 maart 2003 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te ['s-Gravenhage] van 23 december 2002.

De man heeft op 30 juni 2003 een verweerschrift ingediend.

Op 31 oktober 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: partijen en hun procureurs.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

De vrouw en de man zijn op [datum] in gemeenschap van met elkaar gehuwd. Partijen hebben de volgende nog minderjarige kinderen:

[kind], geboren op [geboortedatum], en

[kind], geboren op [geboortedatum], hierna te noemen: de kinderen.

Op [datum] heeft de vrouw bij de rechtbank te ['s-Gravenhage] een verzoek tot echtscheiding en tot vaststelling van een kinderalimentatie ingediend.

Bij aanvullend verzoekschrift, gedateerd 24 oktober 2001 heeft zij haar verzoek om een kinderalimentatie verhoogd tot ƒ 350,- (€ 159,-) per maand en per kind en bovendien verzocht te bepalen dat zij alleen het gezag heeft over de kinderen en dat de man met ingang van 1 november 2000 en voor zolang de echtelijke woning nog niet is verkocht in de vaste (woon)lasten van de vrouw zal bijdragen met ƒ 1000,- (€ 454,-) per maand. Tenslotte heeft zij de rechtbank verzocht de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen.

Bij verweerschrift, eveneens gedateerd 24 oktober 2001, heeft de man zich gerefereerd ten aanzien van de verzochte echtscheiding, en overigens verweer gevoerd. Hij heeft zijnerzijds verzocht te bepalen dat de man alleen het gezag over de kinderen zal hebben en dat zij bij hem zullen verblijven, een kinderalimentatie ten laste van de vrouw vast te stellen van ƒ 400,- (€ 182,-) per maand per kind, een omgangsregeling vast te stellen, en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen conform het voorstel van de man.

Tenslotte heeft de man een aanvullend verzoekschrift ingediend, gedateerd 20 maart 2002, waarbij hij de rechtbank bovendien nog heeft verzocht uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat de vrouw een redelijke gebruiksvergoeding zal voldoen ter zake van het woongenot van de echtelijke woning over de periode van 1 januari 2001 totdat zij de echtelijke woning metterwoon zal hebben verlaten ten belope van een maandelijks bedrag gelijk aan de helft van de totale woonlasten.

Bij beschikking van 16 juli 2002 is de echtscheiding uitgesproken en is de behandeling van de overige nevenvoorzieningen aangehouden. De echtscheidingsbeschikking is in de loop van december 2002 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Bij de bestreden beschikking van 23 december 2002 heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald, dat de vrouw als redelijke vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning de volledige hypothecaire lasten (inclusief de premie van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering) dient te voldoen en het verzoek van de vrouw tot betaling van een bijdrage in woonlasten door de man afgewezen. Voorts stelt de rechtbank als wijze van verdeling van de huwelijksgemeenschap welke door de scheiding wordt ontbonden, vast:

dat de echtelijke woning, gelegen aan [adres], wordt verkocht, waarna de opbrengst van de woning vermeerderd met de afkoopsom van de levensverzekering, onder aftrek van de hypothecaire schuld en de eventuele verkooplasten, tussen de partijen bij helfte dient te worden verdeeld. Voor het overige deel van de verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft de rechtbank de behandeling pro forma tot 1 april 2003 aangehouden. Iedere verdere beslissing is eveneens aangehouden.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

Ten aanzien van de man

De man is geboren op [geboortedatum]. De man heeft de echtelijke woning per 1 december 2000 verlaten. Hij is bij zijn moeder ingetrokken en betaalt haar wegens het wegvallen van haar huursubsidie (ƒ 313,- (€ 142,-) per maand) en hogere bijdrage in de kosten van thuiszorg (ƒ 215,- (€ 98,-) per maand ) en huur/kostgeld (ƒ750,- € 340,-) per maand) in totaal ƒ 1.278,- per maand (€580,-). Hij vormt een eenoudergezin met de oudste zoon, die op 25 mei 2001 bij de man is gaan wonen. Sindsdien betaalt de man zijn moeder

ƒ 250,- (€ 113,-) per maand extra (in totaal € 693,- per maand). Zijn inkomen uit loondienst bedraagt, volgens de salarisspecificatie van april 2003 € 1635,- netto per maand, exclusief vakantieuitkering en andere emolumenten zoals een bijdrage in zijn ziektekostenregeling.

Ten aanzien van de vrouw

De vrouw is geboren op [geboortedatum]. Zij is na het uiteengaan van partijen in december 2000 in de echtelijke woning blijven wonen, samen met de jongste zoon van partijen. Nadat de woning vanaf oktober 2001 te koop heeft gestaan is deze verkocht tegen een koopprijs van €190.000,-. De overdracht bij de notaris vond plaats op 27 juli 2003. De vrouw heeft de hypotheeklasten tot augustus 2002 voldaan. De hypotheekrente bedroeg € 643,- per maand. In verband met door de vrouw ontvangen teruggave van belastingen bedroeg de netto hypotheekrente € 410,- per maand, vermeerderd met € 79,- wegens premie levens-verzekering. Haar nettosalaris uit loondienst bedraagt volgens de salarisspecificatie van april 2003 € 1679,- per maand exclusief vakantieuitkering en andere emolumenten zoals een bijdrage in haar ziektekostenverzekering.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De vrouw heeft een grief gericht tegen de beslissing van de rechtbank dat de vrouw als redelijke vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning dient te voldoen de volledige hypothecaire lasten (inclusief de premie van de aan de hypothecaire lening gekoppelde levensverzekering). Voorts verzoekt de vrouw om, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man over de periode van 1 november 2000 tot 1 oktober 2001 een bijdrage zal betalen in de vaste lasten van ¼ deel van de hypotheeklasten van € 102,25 per maand en over de periode van 1 oktober 2001 tot aan de datum van de verkoop van de woning de helft van de hypothecaire lasten van € 205,- per maand en de helft van de levensverzekering van

€ 39,70 per maand, omdat de woning per 1 oktober 2001 te koop is aangeboden. De man heeft hiertegen verweer gevoerd.

2. In punt 12 van het verweerschrift op het aanvullend verzoekschrift, tevens houdend zelfstandig verzoek van de man, verzoekt de man dat de vrouw op grond van artikel 3:169 BW vanaf 1 januari 2001 een redelijke gebruiksvergoeding van de echtelijke woning betaalt. Ter zitting is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking in december 2002 is ingeschreven in het register van de burgerlijke stand, als gevolg waarvan eerst in december 2002 de voormalige huwelijksgoederengemeenschap is ontbonden.

3. Het hof stelt voorop dat uit artikel 3:189 BW volgt, dat gedurende het bestaan van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen, de man niet op grond van artikel 3:169 BW, van de vrouw een redelijke gebruiksvergoeding kan verzoeken voor het gebruik van de echtelijke woning. Eerst door ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap, in casu door de echtscheiding, is boek 3 titel 7 BW van toepassing op de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Uit artikel 1:95 lid 1 BW volgt dat de lasten die betrekking hebben op de voormalige echtelijke woning ten tijde van het huwelijk verhaalbaar zijn op de huwelijksgoederengemeenschap en na ontbinding - op grond van van de artikelen 100 lid 1 en 3:192 BW op de ontbonden gemeenschap. Ten overvloede overweegt het hof dat van een gebruiksvergoeding in de zin van artikel 1:165 BW eerst sprake kan zijn vanaf het moment van de ontbinding van de gemeenschap. Van een dergelijk verzoek aan de zijde van de man is naar oordeel van het hof echter geen sprake.

4. De grief van de vrouw treft doel voor zover zij vernietiging verzoekt van de beschikking waarbij de vrouw aan de man een gebruiksvergoeding dient te voldoen voor het gebruik staande huwelijk van de echtelijke woning bestaande uit de volledige hypotheeklasten inclusief de premie van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering.

5. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen dient het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een gebruiksvergoeding eveneens te worden afgewezen.

6. Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen dient de bestreden beslissing te worden vernietigd voor zover de rechtbank de vrouw heeft veroordeeld om aan de man een gebruiksvergoeding te betalen bestaande uit de volledige hypothecaire lasten inclusief de premie van de aan de hypothecaire lening gekoppelde levensverzekering. Het overige dat door de vrouw is gesteld behoeft geen verdere bespreking aangezien dit niet tot een ander oordeel zal leiden.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de rechtbank de vrouw heeft veroordeeld om aan de man een gebruiksvergoeding te betalen voor het gebruik van de echtelijke woning, bestaande uit de volledige hypotheek lasten inclusief de premie van de aan de hypothecaire lening gekoppelde levensverzekering en, in zoverre opnieuw beschikkende:

wijst af het verzoek van de man - zoals geformuleerd onder de vijfde gedachte streep op pagina 9 van het verweerschrift in eerste aanleg op het aanvullend verzoekschrift tevens houdend zelfstandig verzoek - dat de vrouw aan de man een redelijke vergoeding zal voldoen ter zake het woongenot van de echtelijke woning vanaf 1 januari 2001 tot heden, althans tot aan het moment dat de vrouw de woning heeft verlaten, ten belopen van een maandelijks bedrag gelijk aan de totale woonlasten;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Labohm en Ydema, bijgestaan door mr. Arnbak-d'Áulnis de Bourouill als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 december 2003.

Aangezien de voorzitter buiten staat is om de beschikking te ondertekenen, ondertekend door de oudste raadsheer.