Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AO1802

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-10-2003
Datum publicatie
20-01-2004
Zaaknummer
00/1261
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AT8238
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AT8238
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bescherming van partijen bij het aangaan van huwelijksvoorwaarden. Ook een overeenkomst tot het aangaan of wijzigen van huwelijksvoorwaarden is gebonden aan het vormvereiste van artikel 1:115 BW. De vrouw heeft in dit geval de vermogensrechtelijke consequenties van de akte van huwelijksvoorwaarden niet kunnen overzien. Zij had ook geen nadere onderzoeksplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 22 oktober 2003

Rolnummer : 00/1261

Rolnr. rb. : 606/97

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

A r r e s t

in de zaak van:

[belanghebbende],

wonende te [x]

appellant, tevens incidenteel geïntimeerde,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. L.Ph. J. Baron van Utenhove,

tegen

[benadeelde partij],

wonende te [x]

geïntimeerde, tevens incidenteel appellante,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. W.J. Nijland.

HET GEDING

Bij exploot van 8 november 2000 is de man in hoger beroep gekomen van het vonnis van 25 oktober 2000 van de rechtbank te Middelburg tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank in het vonnis heeft ver-meld.

Bij memorie van grieven heeft de man 5 grieven aangevoerd grie-ven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord (met producties) heeft de vrouw de grie-ven bestreden. Tevens heeft zij incidenteel hoger beroep ingesteld onder aanvoering van 1 grief.

Bij memorie van antwoord in het incidentele hoger beroep heeft de man de grief bestreden .

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. Voorzover tegen de feiten geen grief is gericht gaat het hof uit van de feiten zoals vastgesteld door de rechtbank.

2. De vrouw stelt in haar memorie van antwoord,dat de man in een gecompliceerd betoog zijn grieven heeft geformuleerd, terwijl de problematiek helder is. In zijn memorie van antwoord in het incidentele appèl geeft de man exact aan waar het appèl zich tegen richt. De man stelt onder 3:"in dit appèl is alleen de vraag aan de orde wat er tussen partijen is afgesproken betreffende het aangaan van de huwelijksvoorwaarden. Het geen de vrouw daarover stelt staat diametraal tegenover hetgeen de man heeft gesteld. In eerste aanleg, maar ook in appèl, heeft de man uitgebreid gemotiveerd gesteld op welke wijze en in welke periode de overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, zoals die is vastgelegd in de akte van 18 april 1986." Mede in het perspectief van deze nadere toelichting bespreekt het hof de grieven 1,2 en 3.

3. Uit artikel 1:115 BW volgt dat huwelijksvoorwaarden op straffe van nietigheid bij notariële akte moeten worden aangegaan. Het hof is van oordeel dat de notariële tussenkomst mede strekt tot bescherming van de partijen bij de op te stellen akte van huwelijksvoorwaarden. De overeenkomst van huwelijksvoorwaarden is belichaamd in de akte van huwelijksvoorwaarden. De bescherming van partijen - welke bescherming voorvloeit uit artikel 1:115 BW - wordt illusoir, indien partijen voor wat betreft de inhoud van de akte van huwelijksvoorwaarden gebonden zijn aan hetgeen zij mogelijk bij een vorm vrije overeenkomst zijn overeengekomen, voorafgaande aan de akte van huwelijksvoorwaarden. Het hof is van oordeel dat ook een overeenkomst tot het aangaan of wijzigen van huwelijksvoorwaarden aan de vormvereiste van artikel 1:115 BW is gebonden. Voorzover er al sprake mocht zijn van een overeenkomst tot het aangaan van huwelijksvoorwaarden zoals is vastgelegd in de akte van huwelijksvoorwaarden van 18 april 1986 is de vrouw daaraan niet gebonden, aangezien een dergelijke overeenkomst, niet tot stand is gekomen met in achtneming van de dwingendrechtelijke vormvoorschriften van artikel 1:115 BW. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen was er voor de rechtbank geen noodzaak om mogelijk in te gaan op de mogelijke "overeenkomst" die voorafging aan het passeren van de akte van huwelijksvoorwaarden.

4. Naar het oordeel van het hof is het van belang of er sprake is van een wilsgebrek aan de zijde van de vrouw bij het opstellen van de akte van huwelijksvoorwaarden op 18 april 1986. Het hof leest in grief 3 eveneens dat de man van mening is dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van een rechtens relevante dwaling. Vaststaat dat de man vanaf 1973 als kandidaat-notaris is verbonden aan het notaris kantoor Krepel en dat hij in augustus 1986 het notariskantoor heeft overgenomen en sedertdien als notaris fungeert. Vaststaat dat de man de concept akte van huwelijksvoorwaarden heeft opgesteld. Niet aannemelijk is dat de vrouw de concept akte heeft ontvangen. Niet aannemelijk is dat notaris Krepel of de man aan de vrouw een deugdelijk voorlichting hebben gegeven over de vermogensrechtelijke gevolgen van de akte van huwelijksvoorwaarden. Uit de akte van huwelijksvoorwaarden volgt dat de akte slechts beperkt is voorgelezen. In de akte van huwelijksvoorwaarden is vermeld dat het motief tot het aangaan van de akte van huwelijksvoorwaarden het beroep van de man is. Het hof is van oordeel dat de man op geen enkele wijze heeft aangetoond, dat de vrouw de vermogensrechtelijke consequenties van de akte van huwelijksvoorwaarden heeft kunnen overzien. Partijen dienen zich in een pre - en contractuele relatie te gedragen naar de eisen van redelijkheid en billijkheid. Wat redelijk en billijk is, is afhankelijk van alle feiten en omstandigheden. Dit beginsel geldt ook voor echtgenoten die met elkaar een overeenkomst van huwelijksvoorwaarden aangaan. De man is een ervaren notariële jurist, zijn functie als kandidaat - notaris en later als notaris brengt met zich mede dat hij naar maatschappelijke normen bezien een vertrouwensfunctie heeft. Deze functie brengt met zich mede dat een leek in beginsel mag afgaan op hetgeen de kandidaat-notaris en notaris stellen, alsmede dat de leek erop mag afgaan dat de kandidaat notaris of notaris hem of haar goed heeft ingelicht over de consequenties van de betreffende akte van huwelijksvoorwaarden. Gezien het feit dat er op het moment van het passeren van de akte van huwelijksvoorwaarden voor de vrouw geen enkele aanwijzing was dat het huwelijk niet goed was, alsmede de functie van de man, is het hof met de rechtbank van oordeel dat de vrouw geen nadere onderzoeksplicht had naar de mogelijke gevolgen van de akte van huwelijksvoorwaarden. In het onderhavige geval rustte naar het oordeel van het hof op de man de plicht, om ervoor zorg te dragen dat de vrouw op een onpartijdige wijze zou worden voorgelicht over de inhoud van de akte van huwelijksvoorwaarden, temeer daar de man als deskundige kon overzien wat de vermogensrechtelijke consequenties van de betreffende akte van huwelijksvoorwaarden voor de vrouw waren. Het hof is van oordeel dat de handelswijze van de man bij het passeren van de akte van huwelijksvoorwaarden kan worden aangemerkt als hoogst onzorgvuldig, mede bezien de aard van het beroep van de man.

5. Gezien de feitelijke gang van zaken, de zeer onzorgvuldige handelswijze die de man jegens de vrouw heeft gehad bij het tot stand komen van de akte van huwelijksvoorwaarden, acht het hof de stelling van de vrouw aannemelijk dat de overeenkomst van huwelijksvoorwaarden alleen bedoeld was ter beperking van de risico's die uit het toekomstige ondernemerschap van de man zouden voortvloeien. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat er sprake is van een rechtens relevante dwaling. De grieven 1,2 en 3 treffen geen doel.

6. De vierde en vijfde grief bouwen voort op hetgeen in de grieven 1,2 en3 is gesteld. In de toelichting stelt de man wederom dat bepalend is de overeenkomst die partijen hebben gesloten over de wijziging van hun huwelijksgoederenregime ( zie punt 25 en 28). Het hof verwijst naar het geen in rechtsoverweging 3 is overwogen. Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval een redelijke bewijslastverdeling met zich medebrengt dat de man had dienen te bewijzen dat de vrouw de strekking en de gevolgen van de akte van huwelijksvoorwaarden kon overzien. Gezien het hof onder 4 heeft overwogen acht het hof het aannemelijk dat de vrouw de gevolgen en de strekking van de akte niet heeft overzien. Ook het overige dat de man in zijn memorie van grieven naar voren brengt leidt niet tot een ander oordeel dan hiervoor is overwogen. De grieven 4 en 5 treffen geen doel.

7. In de incidentele grief leest het hof, dat de vrouw van mening is dat de rechtshandeling moet worden vernietigd op grond van bedrog of misbruik van omstandigheden. Het hof is van oordeel dat de omstandigheid dat een beroep op dwaling kan worden gedaan, niet uitsluit dat een beroep kan worden gedaan op een andere vernietigingsgrond. Mede bezien de deskundigheid die de man had terzake het huwelijksgoederenrecht en het feit dat hij de ontwerper was van de akte van huwelijksvoorwaarden, is het hof van oordeel dat van de man in redelijkheid kon worden verwacht dat hij in de pre - en contractuele verhouding terzake de akte van huwelijksvoorwaarden van 18 april 1986, gehouden was om er voor zorg te dragen dat de vrouw op objectieve wijze zou worden voorgelicht over de inhoud en de strekking van de akte van huwelijksvoorwaarden. Uit de door de vrouw naar voren gebrachte feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof niet dat de man, opzettelijk - dus willens en wetens - de benodigde informatie heeft onthouden op grond waarvan zij geen inzicht had in de inhoud en de strekking van de akte van huwelijksvoorwaarden. Voorts is het hof van oordeel dat op basis van de gestelde feiten geen sprake is van misbruik van omstandigheden. Op het moment van het passeren van de akte van huwelijksvoorwaarden was er niet sprake van een dwangpositie, of een geestelijk overwicht van de man op de vrouw. Aan het vorenstaande doet niet af dat de man een zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden jegens de vrouw die hij bij het tot stand komen van de akte van huwelijksvoorwaarden in acht had dienen te nemen. De incidentele grief treft geen doel.

8. Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis-- onder aanvulling van de gronden - moet worden be-krach-tigd.

9. Nu partijen ex echtgenoten zijn ziet het hof aanleiding om de proceskosten van het hoger beroep tussen partijen te compenseren.

10. Ten overvloede merkt het hof op, dat als de man mogelijke goederen die behoorden tot de gemeenschap, ten tijde van de procedure heeft vervreemd, dit aangemerkt kan worden als hoogst onzorgvuldig ten opzichte van de vrouw, met alle juridische gevolgen van dien.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt het vonnis door de rechtbank te [M] tussen de partijen op 25 oktober 2000 gewezen;

compenseert de kosten van het geding in hoger be-roep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. van den Wildenberg, Kok, en Labohm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 oktober 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.