Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AO1414

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-12-2003
Datum publicatie
08-01-2004
Zaaknummer
BK-03/00687
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Nu er geen verschil in genot is, kan niet worden gezegd dat sprake is van een differentiatie in het tarief die zich richt naar het genot van het algemene onderhoud dat een rechthebbende tot een graf heeft. Er zijn geen redenen van doelmatigheid in de uitvoering van de onderhavige verordeningen aangevoerd die de differentiatie zouden kunnen rechtvaardigen. Ook anderszins is niet van enige rechtvaardigingsgrond gebleken. Voorts is niet gebleken dat de differentiatie in het tarief wordt gecompenseerd door enige andere heffing op grond van de toepasselijke verordeningen. Dit brengt mee dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2004, 186
FutD 2004-0073
V-N 2004/16.32 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

10 december 2003

nummer BK-03/00687

UITSPRAAK

Op het beroep van X te Z tegen de uitspraken van het Hoofd afdeling heffing en invordering van de gemeente Zaanstad betreffende de aan hem voor de jaren 1996 tot en met 1999 opgelegde aanslagen in het grafrecht dezer gemeente.

1. Aanslagen en bezwaar

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 1996 tot en met 1999 ter zake van het graf in vak .., rij . . ., nummer . . ., op de begraafplaats Zaandam betreffende het onderhoud aan het graf en algemene onderhoud aan de begraafplaats, aanslagen in het grafrecht van de gemeente Zaanstad opgelegd ten bedrage van achtereenvolgens ƒ 127, ƒ 129,55, ƒ 132 en ƒ 136. De aanslagen zijn na daartegen gemaakt bezwaar bij afzonderlijke uitspraken van het Hoofd afdeling heffingen invordering van de gemeente Zaanstad (hierna: de Inspecteur) gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraken in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Dat hof heeft bij uitspraak van 24 augustus 2001, kenmerk P00/00189, het beroep ongegrond verklaard.

2.2. Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam beroep in cassatie ingesteld.

Bij uitspraak van 28 februari 2003, nr. 37 716, BNB 2003/147* (eveneens opgenomen in V-N 2003/15.31, Belastingblad 2003/462 en NTFR 2003/462), heeft de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing der zaak verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

2.3. Partijen hebben zich beide schriftelijk uitgelaten over de uitspraak van de Hoge Raad. Zij hebben van elkanders schrifturen, waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd, kunnen kennis nemen. Vervolgens heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgehad ter zitting van het Hof van 29 oktober 2003, gehouden te 's-Gravenhage. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Verordeningen en vaststaande feiten

Voor de toepasselijke verordeningen en de vaststaande feiten verwijst het Hof naar de onderdelen 2 en 3 van de onder 2.1 genoemde uitspraak van Hof Amsterdam, te kennen uit de onder 2.2 genoemde publicaties.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is thans nog in geschil of de in de toepasselijke verordeningen gemaakte differentiatie in het tarief voor het algemene onderhoud van de begraafplaats toelaatbaar is, welke vraag door belanghebbende ontkennend en door het dagelijks bestuur bevestigend wordt beantwoord.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder de ter zitting voorgedragen pleitnota's. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht.

5. Conclusies van partijen

5.1. Het beroep van belanghebbende strekt primair tot vernietiging van de aanslagen en subsidiair tot vermindering van de aanslagen met bedragen bestaande uit het verschil tussen de van hem geheven rechten en de met betrekking tot de algemene graven geheven rechten voor zover betrekking hebbende op het verhaalde deel van de kosten verbonden aan het algemene onderhoud.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. In de verwijzingsuitspraak heeft de Hoge Raad onder meer als volgt geoordeeld:

"Het karakter van de onderhavige retributie laat een differentiatie in het tarief voor het algemene onderhoud van de begraafplaats slechts toe indien die differentiatie zich richt naar het genot dat een rechthebbende tot een graf heeft van dit onderhoud (HR 7 mei 1997, nr. 31 920, BNB 1997/211). Uit de door het Hof vermelde verschillen - bij een algemeen graf wordt geen individueel recht gevestigd en geen zeggenschap over een grafruimte verworven, en in een algemeen graf worden drie verschillende personen begraven, waarbij bij elke gelegenheid grafrecht wordt geheven - kan een verschil in het genot van het algemene onderhoud met betrekking tot de onderscheiden graven niet worden afgeleid. Het desbetreffende oordeel van het Hof geeft derhalve geen inzicht in zijn gedachtegang."

6.2.1. Voor zover de stellingen van de Inspecteur erop zien dat in wezen geen sprake is van differentiatie in het tarief voor het algemene onderhoud kunnen zij, indien juist, niet bijdragen aan het door hem te leveren bewijs dat van een verschil in genot sprake is.

6.2.2. Uitgaande van de juistheid van de door de Inspecteur verstrekte cijfers, welke hij, tegenover de betwisting door belanghebbende, voldoende aannemelijk heeft gemaakt, volgt daaruit dat ten aanzien van het algemene onderhoud - berekend op jaarbasis (prijspeil 1994) - per grafruimte een bedrag van ƒ 44,68 aan kosten wordt belopen.

6.2.3. In een algemene grafruimte worden steeds drie personen begraven en in een eigen graf één tot drie personen, waarbij het aantal vooraf niet duidelijk is.

6.2.4. De kosten van het algemene onderhoud worden ten aanzien van een algemeen graf verhaald door middel van een tarief (voor 10 jaar) voor het begraven, waarbij per begraven persoon bedoelde kosten voor eenderde deel in het tarief zijn meegenomen. Ten aanzien van een eigen graf worden bedoelde kosten verhaald door middel van een tarief per jaar waarbij bedoelde kosten volledig in het tarief voor de (eerste) rechthebbende zijn meegenomen doch waarbij ten aanzien van de tweede en derde begraven persoon niet meer afzonderlijk voor bedoelde kosten wordt geheven.

6.2.5. Anders dan de Inspecteur kennelijk van mening is, dient niet per grafruimte doch per belastingplichtige te worden beoordeeld of sprake is van differentiatie in het tarief voor het algemene onderhoud.

6.2.6. Aangezien in gevallen als die van belanghebbende steeds de volledige kosten van het algemene onderhoud in het tarief zijn meegenomen en bij belastingplichtigen ten aanzien van algemene graven steeds eenderde deel, is sprake van differentiatie in het tarief. Daaraan doet niet af dat bij het begraven van drie personen in een eigen graf, per saldo hetzelfde wordt geheven als ter zake van drie personen in een algemeen graf.

6.3. Overeenkomstig de verwijzingsopdracht van de Hoge Raad dient vervolgens de vraag te worden beantwoord of de onder 6.2.6 bedoelde tariefdifferentiatie haar grondslag vindt in een verschil in het genot van het algemene onderhoud met betrekking tot de onderscheiden graven.

6.4. In zijn uitspraak van 7 mei 1997, nr. 31 920, BNB 1997/211*, oordeelde de Hoge Raad dat van een verschil in genot bij voorbeeld sprake kan zijn indien de infrastructuur van de begraafplaats rondom de eigen graven veel uitgebreider is dan de infrastructuur rondom de algemene graven. In de stukken heeft de Inspecteur geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de conclusie zouden kunnen rechtvaardigen dat ter zake van de onderscheiden graven sprake is van enig verschil in genot. Ter zitting heeft de Inspecteur bovendien erkend dat er van enig verschil in genot geen sprake is. Dit leidt tot geen andere conclusie dan dat er geen verschil is in het genot van het algemene onderhoud met betrekking tot de onderscheiden graven.

6.5. Nu er geen verschil in genot is, kan niet worden gezegd dat sprake is van een differentiatie in het tarief die zich richt naar het genot van het algemene onderhoud dat een rechthebbende tot een graf heeft. Er zijn geen redenen van doelmatigheid in de uitvoering van de onderhavige verordeningen aangevoerd die de differentiatie zouden kunnen rechtvaardigen. Ook anderszins is niet van enige rechtvaardigingsgrond gebleken. Voorts is niet gebleken dat de differentiatie in het tarief wordt gecompenseerd door enige andere heffing op grond van de toepasselijke verordeningen. Dit brengt mee dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

6.6. Het vorenoverwogene brengt vervolgens mee dat de tarieven waarnaar de onderhavige aanslagen zijn opgelegd onverbindend zijn voor zover de in de onderhavige tarieven begrepen component voor het algemene onderhoud de in de tarieven voor de algemene graven begrepen component voor het algemene onderhoud overtreffen. De sanctie op overschrijding van dat maximum dient immers niet verder te gaan dan nodig is om de in het gelijkheidsbeginsel besloten liggende waarborg tot zijn recht te doen komen.

6.7. Onder verwijzing naar artikel VI.1 van de Beheersverordening op de begraafplaatsen Zaanstad heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de kosten voor het ophogen van verzakte graven geen onderdeel uitmaken van de kosten voor het algemene onderhoud.

6.8. Belanghebbendes overige grieven stuiten af op het vorenoverwogene dan wel kunnen in dit stadium van de procedure niet meer aan de orde worden gesteld.

6.9. Het overwogene onder 6.6 in aanmerking nemende zijn partijen het eens dat de aanslagen moeten worden verminderd tot aanslagen naar een bedrag dat zou zijn geheven als de kosten voor het algemene onderhoud naar hetzelfde bedrag zouden zijn verhaald als voor algemene graven. Daarbij dient er volgens partijen op praktische gronden van te worden uitgegaan dat sedert 1994 alle kosten in dezelfde verhouding zijn gestegen als het tarief. Dit betekent dat de aanslag voor 1996 moet worden verminderd met 127/103 (tarief 1996/tarief 1994) * 2/3 van ƒ 44.68 (verschil algemeen graf vs eigen graf) * ƒ 103/ƒ 123,56 (verhaalde totale kosten/werkelijke totale kosten in 1994) is ƒ 30,62.

6.10. Aldus dient de aanslag voor 1996 te worden verminderd tot op (ƒ 127 minus ƒ 30,62 is) ƒ 96,38. Voor de jaren 1997 tot en met 1999 leidt dit tot aanslagen van ƒ 98,32 respectievelijk ƒ 100,18 en ƒ 103,21.

7. Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op de reiskosten van belanghebbende € 39,92, overeenkomstig de opgave van belanghebbende. De door belanghebbende opgevoerde lunchkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2. Ook dient de gemeente Zaanstad het aan het Gerechtshof te Amsterdam betaalde griffierecht ad € 27,23 (ƒ 60) aan belanghebbende te vergoeden.

8. Beslissing

Het gerechtshof:

- vernietigt de uitspraken waarvan beroep;

- vermindert de aanslag in het grafrecht voor het jaar 1996 tot op ƒ 96,38;

- vermindert de aanslag in het grafrecht voor het jaar 1997 tot op ƒ 98,32;

- vermindert de aanslag in het grafrecht voor het jaar 1998 tot op ƒ 100,18;

- vermindert de aanslag in het grafrecht voor het jaar 1999 tot op ƒ 103,21;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 39,92, onder aanwijzing van de gemeente Zaanstad als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast die rechtspersoon het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 27,23 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld op 10 december 2003 door mrs. Schuurman, Vierhout en Visser. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Van Duijvendijk.

(Van Duijvendijk)

(Schuurman)

Aangetekend aan

Partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.