Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AO0834

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-10-2003
Datum publicatie
23-12-2003
Zaaknummer
BK-02/04517
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting. Boetebeschikking. Gebruik van de weg maken met een tot bedrijfsvoorraad behorende auto. Auto meegegeven voor een proefrit.Gebruik van de auto vond uitsluitend plaats in het kader van de bedrijfsactiviteiten van belanghebbende. Volgt vernietiging van de naheffingsaanslag en van de boetebeschikking.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 69
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2004-0018
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

negende enkelvoudige belastingkamer

17 oktober 2003

nummer BK-02/04517

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Centraal bureau motorrijtuigenbelasting van de Belastingdienst (thans: de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Centrale Administratie, Autoheffingen), op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de voor de periode van 19 april 2001 tot en met 18 april 2002 opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting, met dagtekening 18 april 2002 en met aanslagnummer xxxx.xx.xxx.Y.x.xxxxx, alsmede de gelijktijdig daarmee gegeven boetebeschikking.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 3 oktober 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar is verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld door A, alsmede namens de Inspecteur B.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep,

- vernietigt de naheffingsaanslag alsmede de boetebeschikking, en

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht ad € 29 te vergoeden.

Gronden

1. Volgens de kentekenregistratie behoorde het motorrijtuig met kenteken XX-XX-00 in de periode van 16 april 2002 tot en met 2 juli 2002 tot de bedrijfsvoorraad van belanghebbende. Tijdens een controle op 18 april 2002 om 10.00 uur is te Y geconstateerd dat met dit motorrijtuig gebruik van de weg werd gemaakt. Naar aanleiding van deze constatering is met toepassing van artikel 69, lid 1, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet) de belasting, groot € 311, nageheven. Overeenkomstig artikel 69, lid 2, van de Wet is de naheffingsaanslag opgelegd over de periode van 19 april 2001 tot en met 18 april 2002. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen juncto paragraaf 34, onderdeel 2, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 een verzuimboete opgelegd van honderd percent ofwel € 311. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

2. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur ten onrechte de naheffingsaanslag heeft opgelegd en de boetebeschikking heeft genomen. Het antwoord van belanghebbende luidt bevestigend, dat van de Inspecteur ontkennend.

3. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift en in zijn beroepschrift gesteld dat hij het desbetreffende motorrijtuig aan C had meegegeven voor een proefrit. Ter zitting heeft belanghebbende deze stelling als volgt toegelicht. C had al veel auto's bij belanghebbende gekocht en was dus een vaste klant. A, een broer van C, pleegt, vanwege zijn beroep van monteur, steeds door C te worden ingeschakeld om de technische staat van de mogelijk aan te schaffen auto's te beoordelen. Ook in het onderhavige geval is dat gebeurd, zij het dat A dit keer in verband met een gebroken voet niet met zijn broer mee kon naar het bedrijf van belanghebbende en dat zijn broer toen hem op 18 april 2002 met de auto in kwestie in Y heeft bezocht. En belanghebbende was ook ervan op de hoogte gebracht dat C de auto naar Y zou rijden om A in staat te stellen de technische staat van de auto te beoordelen en zijn broer over de eventuele aankoop van de auto te adviseren, zoals dat in het verleden altijd gebeurde. Vlak voordat de technische staat van de auto is beoordeeld, is door een ambtenaar geconstateerd dat met dit motorrijtuig gebruik van de weg werd gemaakt.

4. Het Hof acht de stelling van belanghebbende en zijn ter zitting gegeven toelichting geloofwaardig. Daarbij komt dat geen of onvoldoende reden is om te concluderen dat hetgeen belanghebbende heeft gesteld en toegelicht, niet strookt met de inhoud van de, tot de gedingstukken behorende verklaringen, in het bijzonder de door de bestuurder bij de controle gegeven verklaring.

5. Belanghebbende heeft onweersproken gesteld dat de auto is meegegeven voor een proefrit. Bovendien vond naar 's Hofs oordeel, gelet op het overwogene in de punten 3 en 4, het gebruik van de auto uitsluitend plaats in het kader van de bedrijfsactiviteiten van belanghebbende. Onder de gegeven omstandigheden bleef het gebruik beperkt tot een activiteit die rechtstreeks verband hield met de eventuele verkoop van de auto. Daaraan doet niet af de stelling van de Inspecteur dat hem niet is gebleken dat na de beoordeling van de technische staat van de auto tot een aankoop daarvan is overgegaan.

6. Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep gegrond is.

7. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, aangezien belanghebbende ter zitting heeft verklaard af te zien van zijn aanspraak daarop. Wel dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht ad € 29 te worden vergoed.

Deze uitspraak is vastgesteld op 17 oktober 2003 door mr. Tromp en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Lader.

(Lader)

(Tromp)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.

nummer BK-02/04517 blz. 4/1