Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AN9882

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-10-2003
Datum publicatie
11-12-2003
Zaaknummer
Bk-02/03523
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 32, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit accijns; tariefwijziging.

Wetsverwijzingen
Uitvoeringsbesluit accijns 32
Wet op de accijns 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-2316
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

zevende enkelvoudige belastingkamer

22 oktober 2003

nummer BK-02/03523

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid A B.V. te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid [] van de Belastingdienst P (thans:[]), op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de haar opgelegde naheffingsaanslag in de accijns, met dagtekening 3 oktober 2001 en met aanslagnummer [] en de daarbij opgelegde boete.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 8 oktober 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen B en C namens belanghebbende, alsmede D en mr. E namens de Inspecteur.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep;

- vermindert de boete tot een bedrag van ƒ 3.672;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 8,80, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden, en

- gelast de Staat der Nederlanden aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 218 te vergoeden.

Gronden

1. Belanghebbende is handelaar in minerale oliën. In die hoedanigheid heeft belanghebbende een vergunning voor een

accijnsgoederenplaats als bedoeld in artikel 1a, onderdeel d, juncto artikel 39 van de Wet op de accijns.

2. Met ingang van 1 januari 1999 zijn de belasting op brandstoffen en de regulerende energiebelasting van minerale oliën verhoogd.

3. Naar aanleiding van een bij belanghebbende ingestelde controle is het volgende vastgesteld. Op 2 januari 1999 en 5 januari 1999 zijn aan belanghebbende partijen laagbelaste gasolie uit het vrije verkeer geleverd door oliehandel F B.V. (hierna: F). Deze partijen zijn op 25 januari 1999 aan belanghebbende gefactureerd. Belanghebbende heeft de desbetreffende partijen gasolie ingeslagen in haar accijnsgoederenplaats. Zij heeft in haar aangifte over de maand januari 1999 de accijns en de belastingen op milieugrondslag van die partijen minerale olie via verrekening op haar maandaangifte teruggevraagd tegen het (verhoogde) tarief van 1999. Vaststaat dat de betaalde belastingen op milieugrondslag ter zake van de door F in december 1998 aangekochte en in januari 1999 aan belanghebbende doorgeleverde partijen gasolie ten tijde van de levering hiervan aan F waren berekend naar het (lage) tarief van 1998.

4. Naar aanleiding van de bevindingen bij de controle is de belasting welke op grond van de maandelijkse aangifte van belanghebbende over de maand januari 1999 teveel is teruggegeven, op 3 oktober 2001 bij belanghebbende nageheven. Daarbij is tevens een boete van 25% over de nageheven belasting opgelegd.

5. Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag alsmede de boete gehandhaafd.

6. In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd.

7. Voor de standpunten van partijen en voor de gronden waarop zij hun standpunten doen steunen wordt verwezen naar de gedingstukken. Ter zitting hebben partijen hun standpunten toegelicht.

8. Ingevolge artikel 32, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit accijns (hierna: Uitvoeringsbesluit) wordt bij een verzoek om teruggaaf binnen drie maanden na een tariefwijziging van de accijns, de teruggaaf bij een tariefverhoging naar het daarvóór geldende tarief verleend, tenzij de belanghebbende aantoont dat de accijns waarvan teruggaaf wordt gevraagd, is voldaan naar het na de tariefverhoging geldende hogere tarief.

9. Vaststaat dat belanghebbende de partijen gasolie welke in de naheffing zijn betrokken, heeft ingeslagen binnen de termijn van drie maanden als bedoeld in artikel 32 van het Uitvoeringsbesluit. Gesteld noch gebleken is dat de accijns dan wel de desbetreffende belastingen op milieugrondslag tegen het hoge tarief waren verdisconteerd in de factuur van F. Belanghebbende heeft derhalve niet aangetoond dat de accijns van de ingekochte gasolie is voldaan tegen het hoge tarief. Gelet hierop is de naheffingsaanslag terecht opgelegd.

10. Ter zitting is gebleken dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte over de maand januari 1999 op de hoogte was van de meergenoemde tariefsverhoging met ingang van 1 januari 1999 doch dat men geen kennis droeg van artikel 32 van het Uitvoeringsbesluit. Het eerste brengt mee dat belanghebbende zich had moeten afvragen in hoeverre dit van invloed zou kunnen zijn op de door haar gevraagde teruggaaf. Belanghebbende heeft, naar ter zitting is verklaard, een jarenlange ervaring in de handel van minerale oliën. Er mag daarom vanuit worden gegaan dat belanghebbende goed op de hoogte is van de toepasselijke voorschriften inzake de heffing van accijns en daarmee gelijkgestelde belastingen. Het tweede moet belanghebbende mitsdien worden aangerekend. Het Hof is dan ook van oordeel dat het geheel met betrekking tot de onjuiste tarieftoepassing het opleggen van een boete rechtvaardigt. Gelet op de omstandigheden van het geval acht het Hof een boete van 10 percent passend en ook, uit een oogpunt van normhandhaving geboden. Het beroep is in zoverre gegrond.

11. Gelet op het vorenstaande is het beroep gegrond.

12. Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 8,80 wegens reiskosten. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Voorts dient aan belanghebbende het voor deze zaak gestorte griffierecht te worden vergoed.

Deze uitspraak is vastgesteld op 22 oktober 2003 door mr. Schuurman en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier

mr. De Fouw.

(De Fouw)

(Schuurman)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.