Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AN9842

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2003
Datum publicatie
10-12-2003
Zaaknummer
nummer BK-02/03758
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 24, tweede lid, onderdeel a, gelezen in samenhang met artikel 32, eerste lid, aanhef en onderdeel e, van de Successiewet. 1956. Belanghebbende is niet geslaagd in het bewijs dat er sprake is geweest van het tot het tijdstip van het overlijden van de erflater gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 jaren met de erflater voeren van een gemeenschappelijke huishouding.

Wetsverwijzingen
Successiewet 1956 24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PW 2004, 21698
FJR 2004, 86
V-N 2004/8.17 met annotatie van Redactie
FutD 2003-2320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

tweede meervoudige belastingkamer

30 oktober 2003

nummer BK-02/03758

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het hoofd van de eenheid Ondernemingen P van de Belastingdienst, thans de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst. . ., kantoor P betreffende de na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is een aanslag in het recht van successie opgelegd naar een belaste verkrijging in het jaar 2000 ten bedrage van ƒ 1.193.145 (€ 541.426) met toepassing van tariefgroep III.

1.2. Het tegen de aanslag gerichte bezwaar is bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 29. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 18 september 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Op 19 december 2000 is overleden de heer A, geboren op (. . .) 1944, hierna te noemen: de erflater. De erflater was ongehuwd en had kinderen noch afstammelingen in tweede of verdere graad.

3.2. Belanghebbende, geboren op (. . .) 1933, en de erflater hebben gedurende tientallen jaren, tot aan het overlijden van de erflater, een monogame affectieve relatie gehad. Zij zijn geen geregistreerd partnerschap aangegaan.

3.3. De erflater heeft in zijn in 1992 opgemaakte testament belanghebbende aangewezen als zijn enige erfgenaam. Evenzo heeft belanghebbende in zijn terzelfder tijd opgemaakte testament de erflater aangewezen als zijn enige erfgenaam.

3.4. De erflater dreef tot zijn overlijden een onderneming waarin hij gedeelten van het pand, gelegen aan de a-straat 1 - 2 te Q, voor volgtijdig gebruik verhuurde. De gedeelten (hierna te noemen: de appartementen) waren ingericht om als zelfstandig geheel te worden gebruikt. De erflater woonde zelf in één van de appartementen.

3.5. Op een steenworp afstand van de onderneming en de woning van de erflater exploiteerde belanghebbende aan de b-straat 1-2 te Q een hotel. Belanghebbende woonde aan de c-straat 1 te Q, op één minuut gaans van het hotel. Belanghebbende en erflater hadden geen gemeenschappelijk hoofdverblijf.

3.6. De huishoudelijke uitgaven van belanghebbende en de erflater waren gescheiden. De erflater gebruikte alle maaltijden bij belanghebbende, die voor hen samen kookte. De erflater betaalde ter zake geen vergoeding aan belanghebbende. Belanghebbende en de erflater brachten hun vrije tijd tezamen door.

3.7. Tussen belanghebbende en de erflater bestonden ook zakelijke betrekkingen. Belanghebbende huurde in 1974 een kapsalon, die de erflater tot enkele jaren voor zijn dood exploiteerde. Belanghebbende en de erflater leenden elkaar geld; de rente die zij voor deze leningen aan elkaar verschuldigd waren, werd bijgehouden en betaald. Zonder daarvoor een tegenprestatie te verlangen hielp belanghebbende de erflater aan huurders voor de appartementen.

3.8. Belanghebbendes verkrijging ter zake van het overlijden van de erflater bedraagt ƒ 1.193.145. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur - in afwijking van de aangifte - belanghebbende ingedeeld in tariefgroep III, zonder toepassing van enige vrijstelling.

4. Geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of belanghebbende tot het tijdstip van het overlijden van de erflater gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 5 jaren met de erflater een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd in de zin van artikel 24, tweede lid, onderdeel a, van de Successiewet 1956 (hierna: de Wet), welke vraag belanghebbende bevestigend, doch de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de gedingstukken. Zij hebben hun standpunten ter zitting toegelicht, doch aldaar aan de door hen in de gedingstukken gegeven uiteenzettingen geen grieven of weren toegevoegd.

5. Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak waarvan beroep en vermindering van de aanslag tot één, berekend naar een verkrijging van ƒ 1.193.145 (de verkrijging waarnaar de aanslag is berekend) minus ƒ 587.573 (de vrijstelling van artikel 32, eerste lid, aanhef en onderdeel e, gelezen in samenhang met artikel 24, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet (tekst 2000)), dat is ƒ 605.572 (€ 274.796), met toepassing van tariefgroep I.

5.2. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Naar volgt uit de onder 3.4. en 3.5. genoemde feiten, hadden belanghebbende en de erflater gedurende de 5 jaren voorafgaande aan het overlijden van de erflater, geen gemeenschappelijk hoofdverblijf.

6.2. Indien geen sprake is van een gemeenschappelijk hoofdverblijf, is daarmee niet gezegd dat geen gemeenschappelijke huishouding wordt gevoerd. Weliswaar is de wetgever daarvan uitgegaan, maar onder omstandigheden kan er grond zijn voor een ander oordeel. Hierbij valt in het bijzonder te denken aan gevallen waarin in financieel/economisch opzicht sprake is van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en feitelijk de situatie van een gemeenschappelijk hoofdverblijf zeer dicht wordt benaderd. Wel moet dan vaststaan dat het ontbreken van een gemeenschappelijk hoofdverblijf niet is toe te schrijven aan de wens van de erflater en de verkrijger ten opzichte van elkaar een zekere zelfstandigheid te bewaren, maar aan omstandigheden welke, objectief bezien, daartoe noopten.

6.3. Belanghebbende, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat in financieel/economisch opzicht sprake was van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding en evenmin dat het ontbreken van een gemeenschappelijk hoofdverblijf is toe te schrijven aan omstandigheden welke, objectief bezien, daartoe noopten.

6.4. De onder 3.6. en 3.7. genoemde feiten, waaronder de omstandigheid dat de huishoudelijke uitgaven van belanghebbende en de erflater gescheiden waren, duiden veeleer erop dat belanghebbende en de erflater in financieel/economisch opzicht ieder een afzonderlijke huishouding voerden. De door belanghebbende ontvangen uitkeringen van Cadans doen daaraan niet af, nu ter zitting is komen vast te staan, dat deze uitkeringen aan de erflater toekomende slotuitkeringen betroffen, die belanghebbende uitsluitend in zijn hoedanigheid van erfgenaam heeft ontvangen.

6.5. Belanghebbende heeft in dit verband nog gewezen op de milieus waaruit hij en de erflater afkomstig zijn, alsmede op de schroom die zij, mede door hun afkomst, gevoelden met betrekking tot het kenbaar maken van hun seksuele geaardheid. Noch de omstandigheid dat belanghebbende en de erflater in een Gereformeerd, onderscheidenlijk een Rooms Katholiek milieu zijn opgegroeid, noch de zo-even genoemde schroom, noopte, objectief bezien, belanghebbende en de erflater ertoe af te zien van het hebben van een gemeenschappelijk hoofdverblijf. Dit gold zeker in de voor de toepassing van artikel 24, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet (tekst 2000) doorslaggevende periode van 5 jaren voorafgaande aan het overlijden van de erflater. De vraag of zulks in de tijd waarin de relatie tussen belanghebbende en de erflater ontstond anders was, kan derhalve onbesproken blijven.

6.6. Ook de - door de Inspecteur weersproken - stelling van belanghebbende dat zijn onderneming en die van de erflater voor het hebben van een gezamenlijk hoofdverblijf geen ruimte lieten, omdat zowel hij als de erflater ononderbroken in de eigen onderneming aanwezig dienden te zijn, vermag het Hof niet te overtuigen. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn onderneming en die van de erflater de voortdurende aanwezigheid van hem, onderscheidenlijk de erflater, vereisten. Voorts laten de onder 3.6. genoemde omstandigheden dat de erflater alle maaltijden bij belanghebbende gebruikte en dat belanghebbende en de erflater hun vrije tijd gezamenlijk doorbrachten, zich niet verenigen met de door belanghebbende gestelde noodzaak van een voortdurende aanwezigheid van belanghebbende en de erflater in ieders onderneming.

6.7. Op grond van het hiervoor overwogene acht het Hof belanghebbende niet geslaagd in het bewijs dat sprake is geweest van de in artikel 24, tweede lid, onderdeel a, van de Wet bedoelde situatie.

7. Conclusie

Gelet op het vorenoverwogene faalt het beroep van belanghebbende en is het gelijk aan de Inspecteur.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld op 30 oktober 2003 door mrs. Biemond, Vonk en Van Leijenhorst, De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mevrouw mr. Van Duijvendijk.

(Van Duijvendijk)

(Biemond)

Aangetekend aan

Partijen verzonden:

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.