Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AN8610

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-11-2003
Datum publicatie
20-11-2003
Zaaknummer
2200207402
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2005:AS5562
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2005:AS5562
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met anderen in een relatief korte periode schuldig gemaakt aan gewelddadige overvallen op café's, een snackbar en een shoarmazaak waarbij de verdachte een leidende rol heeft gespeeld. Bij de overval op één van de café's werd tevens een taxichauffeur met geweld overvallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2004, 55
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer 1011211201 (incl. ad informandum gevoegde zaken)

datum uitspraak 18 november 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE'S-GRAVENHAGE meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de arrondissementsrechtbank te Rotterdam van

22 augustus 2001 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 13 augustus 2002, 28 juli 2003 en 4 november 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie is gevoegd in dit arrest.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en is omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen beslist en zijn schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1, 4 en 5: de voortgezette handeling van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd

door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

en

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het

feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;

2, 3 en 7: de voortgezette handeling van afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen,

meermalen gepleegd en

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer

verenigde personen, meermalen gepleegd;

6 : poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;

8 : poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

9. Strafmotivering

De advocaat-generaal mr. Renckens heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf en beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als vermeld in de vordering.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met anderen in een relatief korte periode schuldig gemaakt aan gewelddadige overvallen op café's, een snackbar en een shoarmazaak waarbij de verdachte een leidende rol heeft gespeeld. Bij de overval op één van de café's werd tevens een taxichauffeur met geweld overvallen.

Met bivakmutsen of panty's over hun hoofd en gewapend met vuurwapens zijn de verdachte en zijn mededaders de bedoelde gelegenheden op uiterst koelbloedige wijze binnengegaan en hebben zij de aanwezigen in de panden bedreigd met deze wapens, in sommige gevallen door het wapen tegen de borst of in de nek of tegen het hoofd van het slachtoffer te drukken. Daarnaast hebben zij soms aanwezigen fysiek geweld aangedaan door hen te schoppen en te slaan, waarbij enkelen van de aanwezigen letsel hebben opgelopen. Bij deze overvallen zijn geld en diverse goederen, zoals tassen, mobiele telefoons en sieraden, buitgemaakt.

Voorts heeft verdachte zich met een of meer anderen schuldig gemaakt aan twee pogingen tot overval op respectievelijk een café en een bank. Bij de poging tot overval op het café is de eigenaar van dat café in de rug geschoten, als gevolg waarvan deze man zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Bij de poging tot overval op de bank heeft verdachte of zijn mededader onder meer een vuurwapen tegen het hoofd van een medewerkster van het naast de bank gelegen ingenieursbureau gedrukt en gedreigd dat hij haar wat aan zou doen.

Deze overvallen zijn door de slachtoffers als buitengewoon bedreigend ervaren en een aantal van hen heeft gevreesd voor zijn of haar leven. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten - en hun naasten - nog lange tijd de nadelige psychische gevolgen ondervinden van wat hun is overkomen. Daarnaast brengen feiten zoals het onderhavige bij de burgers in het algemeen angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.

De verdachte en zijn mededaders zijn bij de overvallen en de pogingen daartoe volledig voorbij gegaan aan de psychische en lichamelijke gevolgen voor de slachtoffers en hebben kennelijk slechts aan eigen geldelijk gewin gedacht.

Ook het aantal personen dat slachtoffer werd van zijn gewelddadig handelen en de angstige reacties van een aantal van hen hebben in geen enkel opzicht remmend gewerkt.

De ernst van de feiten rechtvaardigt in beginsel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de strafmaat neemt het hof het volgende in aanmerking.

Het hof heeft acht geslagen op de over verdachte opgemaakte rapportage van het Pieter Baan Centrum d.d.

27 februari 2003 en de daarin opgenomen conclusie dat bij betrokkene sprake is van een dubbele persoonlijkheids-stoornis waarbinnen in diagnostische zin een narcistische persoonlijkheidsstoornis en een antisociale persoonlijkheidsstoornis zijn te onderscheiden, voorts dat op basis van de beschikbare informatie betrokkene ten tijde van het plegen van de hem tenlastegelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan heeft kunnen inzien, doch daarbij in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat is geweest zijn wil in vrijheid -overeenkomstig een dergelijk besef- te bepalen.

Het hof maakt de conclusie van het rapport -kort gezegd daarop neerkomende dat de feiten de verdachte in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend- tot de zijne.

Vast is komen te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatie-register, bij -inmiddels onherroepelijk- vonnis van de rechtbank te Zutphen van 12 december 2000 onder meer terzake van medeplegen van moord gepleegd op 5/6 april 2000 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 jaren.

De thans bewezenverklaarde feiten zijn begaan vóór die veroordeling, zodat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht bepaalt, dat ook bij niet gelijktijdige berechting van verschillende feiten, die gelijktijdig hadden kunnen worden berecht, alsnog de samenloopbepalingen - in casu die van artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht - moeten worden toegepast alsof sprake was van gelijktijdige berechting, gevoegde behandeling en één straf. Daarbij geldt de cumulatiebegrenzing zoals vermeld in de artikelen 10 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Moord wordt in het Wetboek van Strafrecht bedreigd met een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste twintig jaren. De maximale strafbedreiging voor moord is daarmee gelijk aan het absolute wettelijke maximum aan op te leggen gevangenisstraf.

Alhoewel het enige uit de jurisprudentie bekende vergelijkbare voorbeeld een geval betreft, waarin het laatst te berechten feit met levenslange gevangenisstraf wordt bedreigd (NJ 1999/435), dwingen - naar het oordeel van het hof - noch de wet, noch de jurisprudentie tot de opvatting, dat de volgorde waarin de afzonderlijke feiten bij ongelijktijdige berechting daadwerkelijk aan de rechter worden voorgelegd van belang is. Met andere woorden het doet niet ter zake of het feit met de zwaarste strafbedreiging het eerst, dan wel het laatst wordt berecht.

Bij gelijktijdige berechting en gevoegde behandeling van de moord en de thans bewezen verklaarde feiten had dus levenslang of een tijdelijke gevangenisstraf van maximaal twintig jaren kunnen worden opgelegd.

Op grond van het bepaalde in artikel 63 in samenhang met artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht zou derhalve ofwel alsnog een levenslange gevangenisstraf kunnen worden opgelegd - waardoor de door de rechtbank te Zutphen opgelegde straf van twintig jaren wordt geabsorbeerd (zie artikel 59 van het Wetboek van Strafrecht) - ofwel een tijdelijke gevangenisstraf van vier jaren.

Alhoewel de strikte bewoordingen van artikel 63 in samenhang met artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht zich dus niet verzetten tegen het alsnog opleggen van een levenslange gevangenisstraf, komt een zodanige straf het hof onwenselijk voor.

Daarbij stelt het hof voorop, dat het op geen enkele wijze afbreuk wil doen aan de ernst van de feiten, het aan de slachtoffers toegebrachte leed en de schokken die aan de rechtsorde zijn toegebracht.

Voor het hof weegt zwaar, dat door het Openbaar Ministerie is gekozen voor ongelijktijdige berechting, terwijl gelijktijdige berechting en gevoegde behandeling van de moord en de thans bewezenverklaarde feiten heel goed mogelijk was. Immers op het moment van veroordeling door de rechtbank te Zutphen terzake van moord, te weten 12 december 2000, was hij reeds verdachte terzake van één of meer van de thans bewezenverklaarde feiten.

Levenslange gevangenisstraf dient naar het oordeel van het hof slechts in uitzonderlijke gevallen en met uiterste zorgvuldigheid en behoedzaamheid te worden opgelegd. Daarbij behoren alle van belang zijnde aspecten nadrukkelijk in de beschouwing te worden betrokken.

Door te kiezen voor ongelijktijdige berechting heeft het Openbaar Ministerie aan de rechter in eerste aanleg de mogelijkheid van een totaaloordeel en een daarop afgestemde strafmaat onthouden. Voorts acht het hof van belang dat - in het algemeen gesproken - niet valt uit te sluiten, dat na een veroordeling tot levenslange gevangenisstraf in eerste aanleg - waarop de kans groter wordt naarmate meer feiten tegelijkertijd aan het oordeel van de eerste rechter worden voorgelegd - de verdachte in hoger beroep een (iets) andere proceshouding kiest, dan wel dat een deskundigenonderzoek na een dergelijk vonnis een ander beeld van betrokkene zou kunnen opleveren.

Zo bezien, kan niet met zekerheid worden gesteld, dat de verdachte door de ongelijktijdige behandeling, waarvoor het Openbaar Ministerie in casu heeft gekozen, niet in enig rechtens te respecteren belang is geschaad.

Het is op grond van deze argumenten, dat voor de thans bewezenverklaarde feiten een strafruimte van vier jaren resteert, die het hof dan ook zal opleggen.

De verdachte heeft tegenover de politie en ter terechtzitting in hoger beroep erkend, dat hij zich ook heeft schuldig gemaakt aan andere, niet tenlastegelegde feiten, die overigens eveneens betrekking hebben op gewelddadige overvallen.

Die feiten zijn door het openbaar ministerie onder parketnummer 1011211201 bij deze strafzaak gevoegd met het oog op de aan de verdachte op te leggen straf.

Het hof heeft op deze feiten acht geslagen bij de beslissing over de straf, waarbij het ervan is uitgegaan dat de verdachte terzake van die feiten niet afzonderlijk zal worden vervolgd.

10. Vorderingen tot schadevergoeding

1. In het onderhavige strafproces heeft [naam], wonende te Rotterdam, [adres], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 5 tenlastegelegde tot een bedrag van f. 50,- (€ 22,69).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het - in eerste aanleg toegewezen - bedrag van 22,69.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat de benadeelde partij materiële schade, waarvan de hoogte door verdachte in hoger beroep niet gemotiveerd is betwist, heeft geleden als gevolg van het ten laste van de verdachte onder 5 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Tenslotte dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

2. In het onderhavige strafproces heeft [naam], wonende te Rotterdam, [naam], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 7 tenlastegelegde tot een bedrag van f. 12.775,- (€ 5.797,04).

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde bedrag

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat in ieder geval tot een bedrag van f. 775,- (€ 351,68) schade is geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 7 bewezenverklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Voor het overige acht het hof de vordering van de benadeelde partij niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en deze in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Tenslotte dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

11. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 56, 57, 63, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIER JAREN.

Bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van

TWEEËNTWINTIG EURO EN NEGENENZESTIG EUROCENT (€ 22,69) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij van het bedrag van € 22,69 komt te vervallen voorzover door één van de medeverdachten een bedrag bij wege van schadevergoeding aan deze benadeelde partij is betaald.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van

DRIEHONDERDÉÉNENVIJFTIG EURO EN ACHTENZESTIG EUROCENT

(€ 351,68) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij van het bedrag van € 351,68 komt te vervallen voorzover door één van de medeverdachten een bedrag bij wege van schadevergoeding aan deze benadeelde partij is betaald.

Dit arrest is gewezen door mrs. Verheij, Zandbergen en Gerritzen, in bijzijn van de griffier Van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 18 november 2003.