Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AN7590

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-11-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
1999/0878
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vertrag zugunsten dritter. Toepasselijk recht, EVO verdrag. Depecage. Natuurlijke verbintenis?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2004, 134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 12 november 2003

Rolnummer : 1999/0878

Rol.nr rb. : 1988/6834

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE FAMILIEKAMER

A r r e s t

in de zaak van:

[belanghebbende]

wonende te '[x],

appellante,

hierna te noemen: [belanghebbende],

procureur: mr. P.J.L.J. Duijsens,

tegen

1. [benadeelde partij],

wonende te [x], gemeente [x],

2. [benadeelde partij],

wonende te [x],

3. [benadeelde partij],

wonende te '[x],

geïntimeerden,

hierna te noemen: [benadeelde partij],

procureur: mr. M.G.J. Louise van Scherpenzeel,

Het geding

Bij drie exploten van 21 juli 1999 is [belanghebbende] in hoger beroep gekomen van de vonnissen door de rechtbank te '[x] op 21 september 1994 en op 26 mei 1999 tussen partijen gewezen.

Bij memorie van grieven met drie producties heeft [belanghebbende] twee grieven tegen het vonnis van 26 mei 1999 aangevoerd en bewijs aangeboden.

De grieven zijn door [benadeelde partij] bij memorie van antwoord bestreden.

De raadslieden van partijen hebben op 14 februari 2003 elk pleidooi gehouden.

Vervolgens hebben partijen stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld in haar vonnis van 21 september 1994 onder 1 a tot en met e, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn gericht.

2. In het hoger beroep tegen het vonnis van 21 september 1994 - naar het hof begrijpt: in de zaak met rolnummer 88.6834 - dient [belanghebbende] niet ontvankelijk te worden verklaard, aangezien daartegen geen grieven zijn gericht.

3. In dit hoger beroep vordert [belanghebbende] voorts dat het hof het vonnis van de rechtbank te

'[x] van 26 mei 1999 zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog de vorderingen in eerste aanleg gedaan volledig zal toewijzen, [benadeelde partij] zal veroordelen in de kosten van de procedures in beide instanties, daaronder begrepen de kosten van het voegingsincident.

4. De eerste grief richt zich tegen de overwegingen 2 tot en met 6 van het vonnis van 26 mei 1999. In haar toelichting op de grief geeft [belanghebbende] onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de erfgenamen de Vertrag zugunsten Dritter tijdig hebben herroepen. Voorts leest het hof in de toelichting op de grief (punt 10 tot en met 12) in samenhang met hetgeen [belanghebbende] in punt 8 van haar akte na interlocutoire vonnis heeft gesteld dat zij haar aanspraak op de Raiffeisenbank - naar Duits recht - alleen dan behoudt, indien tussen haar en wijlen [de man] een verbintenis tot stand is gekomen, op grond waarvan zij dan aanspraak kan maken op de gelden die wijlen [de man] op een rekening van de Raiffeisenbank heeft gestort. In punt 15 van haar akte na interlocutoire vonnis stelt zij dat de rechtsverhouding tussen wijlen [de man] en haar zelf dient te worden vastgesteld. Volgens [belanghebbende] kan zij alleen aanspraak maken op de gelden bij de Raiffeisenbank indien er een rechtsgeldige verbintenis is tussen wijlen [de man] en haar zelf. In punt 16 van haar akte na interlocutoire vonnis stelt zij dat tussen wijlen [de man] en haar zelf sprake is van een natuurlijke verbintenis. In punt 17 van de hiervoor genoemde akte stelt zij dat naar Nederlands recht moet worden beoordeeld of er sprake is van een natuurlijke verbintenis, deze stelling heeft [belanghebbende] herhaald bij pleidooi (pagina 4, tweede alinea).

5. Partijen zijn het er over eens dat de contractuele verhouding tussen wijlen [de man] en de Duitse bank wordt beheerst door Duits recht. Het hof kwalificeert de Vertrag zugunsten Dritter als een overeenkomst. Daarin is - voor zover hier van belang - tussen de bank en wijlen [de man] overeengekomen dat de vordering van laatstgenoemde op de bank toekomt aan [belanghebbende], in geval van overlijden van wijlen [de man]. Nu de overeenkomst is aangegaan op 21 oktober 1983, derhalve vóór de inwerkingtreding op 1 september 1991 van het EEG-Verdrag inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst van 19 juni 1980, Trb. 1980, 156 en 1991, 109 - hierna ook aangeduid met EVO - is dat Verdrag te dezen niet rechtstreeks toepasselijk. Gelet evenwel op het feit dat de in het EVO neergelegde verdragsregels niet wezenlijk verschillen van de ongeschreven regels van Nederlands internationaal verbintenissenrecht en ten tijde van het aangaan van de Vertrag zugunsten Dritter te verwachten was dat het EVO binnen afzienbare tijd voor Nederland in werking zou treden, is anticipatie op dat verdrag in dit geval voor de hand liggend en zal het hof bij de beoordeling van het geschil mitsdien van de regelgeving zoals vervat in het EVO uitgaan.

6. Uitgangspunt is dat partijen het er over eens zijn dat de rechtsverhouding tussen de bank en wijlen [de man] beheerst werd door het Duitse recht. Beoordeelt dient te worden de rechtsverhouding tussen wijlen [de man] en de gerechtigde tot de banktegoeden voortvloeiende uit de Vertrag zugunsten Dritter. Op grond van artikel 3 lid 1, tweede zin, EVO kan een deel van de overeenkomst worden afgescheiden als dit deel nauwer verbonden is met een ander land, op welk deel dan bij wijze van uitzondering het recht van dat andere land kan worden toegepast (depeçage). Het hof leest in de stellingen van partijen dat zij het er over eens zijn dat de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis tussen [de man] en [belanghebbende] beantwoord moet worden aan de hand van Nederlands recht. Nu partijen het daarover eens zijn, zal het hof dit eveneens tot uitgangspunt nemen.

7. Het hof begrijpt uit de stelling van [belanghebbende] dat het ondertekenen van de Vertrag zugunsten Dritter aangemerkt dient te worden als het "sluiten" van een natuurlijke verbintenis tussen [de man] en [belanghebbende]. Voorts voert zij nog aan dat wijlen [de man] aan haar heeft voorgehouden dat zij zich na zijn overlijden geen zorgen behoefte te maken, nu hij immers een "potje" voor haar had gevormd. Naar het oordeel van het hof is sprake van een natuurlijke verbintenis indien naar objectieve maatstaven bezien sprake is van een dringende morele verplichting van zodanige aard, dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan een ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. Door [benadeelde partij] is gemotiveerd weersproken dat er sprake is van een natuurlijke verbintenis. Naar het oordeel van het hof heeft [belanghebbende] geen relevante feiten en omstandigheden gesteld dat de relatie tussen [belanghebbende] en wijlen [de man] van dien aard was dat naar maatschappelijke opvattingen van wijlen [de man] verwacht mocht worden dat hij een financiële voorziening voor [belanghebbende] zou treffen na zijn overlijden. Het enkele feit dat wijlen [de man] de Vertrag zugunsten Dritter met [belanghebbende] als begunstigde heeft ondertekend, brengt naar Nederlands recht niet met zich dat er sprake is van een natuurlijke verbintenis tussen [de man] en [belanghebbende]. Het hof zal het bewijsaanbod van [belanghebbende] passeren ter zake van het bestaan van een natuurlijke verbintenis, aangezien zij geen enkele feitelijke onderbouwing - behoudens het onder tekenen van de Vertrag zugunsten Dritter - heeft gegeven voor haar stelling. Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen is het hof van oordeel dat [belanghebbende] geen aanspraak heeft op het bedrag van ƒ 113.000,-. Grief 1 treft geen doel

8. Hetgeen [belanghebbende] voor het overige in haar toelichting op de twee grieven aanvoert, behoeft niet verder te worden besproken aangezien dit niet tot een ander oordeel zal leiden.

9. Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis -moet worden be-krach-tigd.

10. Gezien het feit dat [belanghebbende] in het ongelijk is gesteld, zal het hof haar in de proceskosten veroordelen.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart [belanghebbende] niet ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van 21 september 1994;

bekrachtigt het vonnis door de rechtbank te '[x] tussen de partijen op 26 mei 1999 gewezen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt de [belanghebbende] in de kosten van het geding in hoger be-roep, aan de zijde van [benadeelde partij] tot deze uitspraak begroot op € 4.434,-, gespeci-ficeerd als volgt:

- vastrecht € 216,-- ;

- salaris procureur € 4218,--.

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Stille en Mulder en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 november 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.