Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AN7577

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-10-2003
Datum publicatie
20-01-2004
Zaaknummer
195-D-03
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid incidenteel appel na niet-ontvankelijkverklaring van principaal appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 29 oktober 2003

Rekestnummer : 195-D-03

Rekestnr. rechtbank : 38571 FA RK 01-7592 en 38573 FA RK 01-7593

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens inciden-teel verweer-der, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E. Grabandt,

tegen

[benadeelde partij],

wonende te [woonplaats], gemeente [x],

verweerster, tevens inciden-teel verzoe-kster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. S. de Kluiver.

PROCESVERLOOP

De man is op 10 maart 2003 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Dordrecht van 11 december 2002.

De vrouw heeft op 18 april 2003 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend en op 19 september 2003 een aanvullend verweerschrift.

De man heeft op 27 mei 2003 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van man zijn bij brief van 3 april 2003 bij het hof aanvullende stukken ingekomen.

Bij brief, ingekomen bij het hof op 24 september 2003, heeft mr. R.A. Felix het hof laten weten dat hij en de man niet ter terechtzitting zullen verschijnen.

Op 26 september 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door mr. A.A.J. de Nijs, advocate te Rotterdam.

VASTSTAANDE FEITEN

Aan de bestreden beschikking ontleent het hof de volgende vaststaande feiten.

De man en de vrouw zijn op [datum] in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn[kind 1]boren:

[kind 1], op [geboortedatum], hierna te noemen: [kin[kind 2], en;

[kind 2], op [geboortedatum], hierna te noemen: [kind 2].

Bij tussenbeschikking van 28 juli 1999 heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, die is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 12 november 1999. Bij die beschikking is onder meer bepaald dat de man een kinderalimentatie dient te betalen van $ 500 per kind per maand. Bovendien is de man een alimentatieverplichting opgelegd ten behoeve van de vrouw van $ 1.100 per maand. Voorts is de wettelijke indexering van voornoemde bijdragen uitgesloten. De vrouw is van deze beschikking in hoger beroep gekomen.

Bij beschikking van 3 maart 2000 heeft het Gerechtshof te '[G] voornoemde beschikking bekrachtigd, behoudens voor zover het de uitsluiting van de wettelijke indexering betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende de indexering van de alimentaties bepaald op een percentage gelijk aan het percentage waarmee het loon van de man in de Verenigde Staten van Amerika jaarlijks stijgt, met als maximum de in Nederland geldende indexering, zulks met uitsluiting van de wettelijke indexering per 1 januari 2001.

Bij verzoekschrift van 7 maart 2001 heeft de man de rechtbank '[G] verzocht - op grond van gewijzigde omstandigheden - de opgelegde partner- en kinderalimentatie te wijzigen.

Bij beschikking van 24 april 2001 heeft de rechtbank '[G] zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de rechtbank te [D].

De man heeft vervolgens zijn verzoek aangevuld bij zijn op 13 september 2002 ter griffie van de rechtbank [D] ingekomen verzoekschrift. Hij verzoekt daarbij de alimentatieverplichtingen als volgt te wijzigen:

a. de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] voor de periode van 1 maart 2001 tot 1 januari 2002 te bepalen op € 90,76 per kind per maand en met ingang van 1 januari 2002 te bepalen op € 125,- per kind per maand, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.

b. De bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te bepalen op nihil, dan wel op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd bestreden.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank [D] - op grond van gewijzigde omstandigheden - de bij beschikking van deze rechtbank van 28 juli 1999, zoals bekrachtigd door dit hof bij beschikking van 3 maart 2000, aan de man opgelegde alimentatieverplichtingen ten behoeve van de vrouw, alsmede ten behoeve van [kind 1] en [kind 2], gewijzigd in die zin dat de man met ingang van 1 januari 2002 en uitvoerbaar bij voorraad ten behoeve van [kind 1] en [kind 2] een alimentatie dient te betalen van € 360,- per kind per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen. Voorts heeft de rechtbank de door de man te betalen alimentatie ten behoeve van de vrouw met ingang van 1 januari 2002 bepaald op nihil; het meer of anders verzochte afgewezen en bepaald dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET PRINCIPALE EN HET INCI-DENTELE HOGER BEROEP

1. De man verzoekt de bestreden beschikking: "aangaande de periode I van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2002 qua overwegingen en de daarop gebaseerde afwijzing van de verzoeken van de man te vernietigen en deze verzoeken alsnog, geheel of ten dele, toe te wijzen; kosten rechtens."

2. De vrouw bestrijdt het beroep van de man en verzoekt incidenteel de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor zover deze beschikking de periode van 1 augustus 2000 tot 1 januari 2002 bestrijkt en voorts te vernietigen voor zover deze beschikking de periode van 1 januari 2002 tot heden betreft en voor dit deel alsnog rechtdoende de oorspronkelijke verzoeken van de man af te wijzen, met bepaling dat de te geven beschikking ten uitvoer gelegd kan worden bij lijfsdwang waarbij de man voor ten hoogste een half jaar in gijzeling kan worden gesteld totdat het door hem aan de vrouw verschuldigde bedrag is voldaan, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure en de procedure in eerste aanleg.

3. De man heeft evenwel nagelaten de stukken in eerste aanleg over te leggen, hoewel het hof daar bij herhaling om heeft verzocht bij brieven van 14 maart 2003 en 1 april 2003. Nu de man geen gebruik heeft gemaakt van de door het hof geboden gelegenheid zijn verzuim te herstellen en het voor een goede beoordeling en een adequate voorbereiding van de (inhoudelijke) behandeling noodzakelijk is dat het hof de beschikking heeft over de bedoelde stukken, is het hof van oordeel dat de man wegens strijd met de beginselen van behoorlijk procesrecht niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen. Het hof verwijst hierbij naar artikel 34 Rv in samenhang met het rekestreglement.

4. Nu de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk zal worden verklaard, dient het hof ambtshalve te bezien of de vrouw in casu in haar incidenteel appel ontvankelijk is nu dit laatst genoemde appel is ingesteld na afloop van de appeltermijn. De wet biedt, op grond van artikel 358 lid 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de wederpartij van degene die tegen een beschikking in appel is gekomen, de mogelijkheid om na afloop van de appeltermijn alsnog van diens kant hoger beroep tegen die uitspraak in te stellen, welke mogelijkheid in zoverre aan beperking onderhevig is dat zich gevallen kunnen voordoen waarin aan de ontvankelijkheid van zodanig appel in de weg staat dat het als eerste ingestelde hoger beroep geen effect kan sorteren. Te denken valt aan evidente gevallen van niet-ontvankelijkheid zoals het geval waarin het principaal appel te laat is ingediend en het geval dat het appelrekest nietig is. Dit leidt tot de vraag of de niet-ontvankelijkheid van de man in zijn hoger beroep met betrekking tot de partner- en kinderalimentatie een zodanige evidente grond is dat de vrouw in haar incidenteel appel op grond van de niet-ontvankelijkheid in het principaal appel, eveneens, ambtshalve, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Dat is naar 's hofs oordeel niet het geval, zodat de vrouw ontvankelijk is.

5. Ter terechtzitting heeft de vrouw haar incidenteel appel gewijzigd in die zin dat dit appel - voor zover zij het hof verzoekt de oorspronkelijke verzoeken van de man af te wijzen - geacht moet worden te zijn ingesteld, onder de voorwaarde dat het hof de man ontvankelijk zou achten in zijn hoger beroep. Gelet op het in rechtsoverweging 2 overwogene is die voorwaarde niet vervuld, zodat het hof in zoverre niet aan beoordeling van het hoger beroep van de vrouw toekomt.

6. Ten aanzien van het overige door de vrouw in incidenteel hoger beroep verzochte, oordeelt het hof als volgt.

7. De vrouw verzoekt het hof te bepalen dat de te geven beschikking ten uitvoer kan worden gelegd bij lijfsdwang, waarbij de man voor ten hoogste een half jaar in gijzeling kan worden gesteld totdat het door hem aan de vrouw verschuldigde bedrag is voldaan. Het hof zal dit verzoek van de vrouw afwijzen, aangezien er thans onvoldoende van kan worden uitgegaan dat een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst biedt en het hof het middel van lijfsdwang vooralsnog te ingrijpend acht. Op grond van internationale verdragen kan de vrouw immers de alimentatieverplichtingen van de man jegens haar en de kinderen ook in het buitenland ten uitvoerleggen.

8. Gelet op de proceshouding van de man in hoger beroep, zal het hof hem veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep.

9. Mitsdien moet als volgt worden beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

Het hof:

in het principaal appel:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;

in het incidenteel appel:

wijst het door de vrouw verzochte af;

in het principaal en het incidenteel appel:

veroordeelt de man in de kosten van het geding in hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Tanja-van den Broek en Mulder, bijge-staan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 29 oktober 2003.