Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AN7567

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-10-2003
Datum publicatie
20-01-2004
Zaaknummer
286-H-03
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorschot op de nader te bepalen kosten van deskundigenonderzoek opgelegd aan procespartij, die op een toevoeging procedeert. Strijd met artikel 195 Rechtsvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 15 oktober 2003

Rekestnummer : 286-H-03

Rekestnr. rechtbank : 02-867/174832

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[belanghebbende],

wonende te [x],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. M.G. Cantarella,

tegen

[benadeelde partij],

wonende te [x],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. B.N.C.M. Leemans.

PROCESVERLOOP

De man is op 15 april 2003 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 11 februari 2003.

De moeder heeft op 28 mei 2003 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 22 april 2003 en 25 juli 2003 aanvullende stukken ingekomen.

Op 17 september 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur en de moeder, bijgestaan door haar advocate mr. G.W.A. de Groot-Op den Brouw.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.

De man en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Op [geboortedatum] is geboren d[kind]jarige: [kind], hierna te noemen: [kind].

[kind] is staande het huwelijk van de moeder met [vader] geboren. Dit huwelijk is op [datum] ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van [datum] in de registers van de burgerlijke stand. Bij beschikking van [datum] is het verzoek van de moeder tot ontkenning van het vaderschap van [vader] van [kind] gegrond verklaard.

Op 4 februari 2002 heeft de moeder de rechtbank te [x] verzocht de kinderalimentatie ten laste van de man - uitvoerbaar bij voorraad - met ingang van 1 september 2001 vast te stellen op € 181,- per maand. De man heeft tegen dit inleidende verzoek verweer gevoerd en verzocht te bepalen dat hij niet de verwekker is van [kind].

Bij tussenbeschikking van 16 juli 2002 heeft de rechtbank onder meer:

- een onderzoek door een deskundige bevolen van het bloed van de man, de moeder en [kind];

- aan de deskundige de vraag voorgelegd welke conclusie er aan de hand van haar bevindingen moet worden getrokken ten aanzien van het eventuele verwekkerschap van de man;

- bepaald dat de deskundige haar werkzaamheden pas behoeft aan te vangen nadat de man een bedrag van € 1.158,- heeft gestort, zulks als voorschot op de nader te bepalen kosten van het deskundigenonderzoek.

Verder is iedere beslissing - ook ten aanzien van de kosten van het deskundigenonderzoek - aangehouden.

Het onderzoek naar het vaderschap van de man heeft niet plaatsgevonden, omdat de man niet het voorschot op de kosten van het deskundigenonderzoek heeft voldaan. Nu de man het tegenbewijs tegen het vermoeden dat hij de verwekker van [kind] is niet heeft geleverd, heeft de rechtbank in de bestreden beschikking als vaststaand feit aangenomen dat de man de verwekker van [kind] is.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad- de kinderalimentatie met ingang van 1 september 2001 bepaald op € 88,49 per maand en is het anders of meer verzochte afgewezen.

DE BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De man verzoekt - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende het inleidende verzoek van de moeder alsnog af te wijzen, althans een zodanige kinderalimentatie vast te stellen als het hof juist acht. De moeder bestrijdt zijn beroep.

2. De man stelt in grief 2 dat de rechtbank in de tussenbeschikking van 16 juli 2002 ten onrechte heeft bepaald dat de man een voorschot op de nader te bepalen kosten van het deskundigenonderzoek dient te voldoen, aangezien hem een toevoeging is verleend en artikel 195 jo 284 lid 4 Rv in dat geval bepaalt dat geen voorschot mag worden opgelegd. Derhalve dient volgens hem alsnog een deskundigenonderzoek plaats te vinden, zonder dat daartoe door één der partijen een voorschot betaald moet worden.

3. Bovengenoemde grief van de man is gericht tegen overwegingen uit de tussenbeschikking van 16 juli 2002, terwijl hij uitsluitend appel heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. Dit leidt echter niet tot de niet-ontvankelijkheid van de man op dit punt van zijn hoger beroep, aangezien in dit geval het appel van de man tegen de bestreden beschikking van 11 februari 2003 geacht wordt ook tegen de tussenbeschikking van 16 juli 2002 te zijn gericht. De bestreden beschikking bouwt immers voort op voornoemde tussenbeschikking.

4. Artikel 195 Rv schrijft voor dat aan partijen aan wie ingevolge de Wet op de rechtsbijstand een toevoeging is verleend geen voorschot wordt opgelegd. Vaststaat dat de man op basis van een toevoeging procedeert. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte bepaald dat de man een voorschot dient te voldoen alvorens het deskundigenonderzoek doorgang kan vinden. Op dit punt dient de tussenbeschikking van 16 juli 2002 dan ook vernietigd te worden. Dit brengt mee dat alsnog een deskundigenonderzoek zal plaatsvinden en de kosten van dit onderzoek voorlopig ten laste van 's Rijks kas zullen komen. Afhankelijk van de onderzoeksresultaten zal bepaald worden wie van partijen uiteindelijk de kosten van het onderzoek zal moeten voldoen. Het hof zal in afwachting van het onderzoek iedere verdere beslissing aanhouden.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de tussenbeschikking van de rechtbank te [x] van 16 juli 2002 voor zover daarin is bepaald dat de deskundige diens werkzaamheden pas behoeft aan te vangen nadat de man voor 1 september 2002 een voorschot op de nader te bepalen kosten van het deskundigenonderzoek heeft voldaan, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de kosten van het deskundigenonderzoek voorlopig voor rekening van 's Rijks kas komen;

verzoekt de deskundige het resultaat van het onderzoek uiterlijk op 30 januari 2004 aan de griffie van dit hof te doen toekomen;

houdt in afwachting van het deskundigenbericht iedere verdere beslissing aan en bepaalt dat de verdere behandeling van de zaak wordt aangehouden tot 31 januari 2004 pro forma.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Pannekoek-Dubois en Labohm, bijgestaan door mr. Groenleer als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2003.