Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AN7537

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2003
Datum publicatie
20-01-2004
Zaaknummer
802-H-02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof legt gelet opde tussen partijen gerezen problemen forensische bemiddeling op, waarvan de kosten in dit geval ten laste van het rijk worden gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 5 maart 2003

Rekestnummer : 802-H-02

Rekestnr. rechtbank : 01-6645

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[de man],

wonende te [adres],

verzoeker in hoger beroep, tevens incidenteel verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. J.B. Peters,

tegen

[de vrouw],

wonende te [adres],

verweerster in hoger beroep, tevens incidenteel verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. M.E.L. Klein.

PROCESVERLOOP

De vader is op 29 oktober 2002 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te '[G] van 30 juli 2002.

De moeder heeft op 14 februari 2003 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appèl ingediend.

De vader heeft op 19 februari 2003 een verweerschrift op het incidenteel appèl ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 19 november 2002, 3 februari 2003 en 18 februari 2003 aanvullende stukken ingekomen. Voorts is van de zijde van de vader bij het hof een faxbericht ingekomen op 11 februari 2003.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 20 februari 2003 aanvullende stukken ingekomen.

Op 21 februari 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn procureur, mr. J.B. Peters en de moeder, bijgestaan door haar procureur, mr. M.E.L. Klein. De hierna te noemen minderjarige [kind] heeft ondanks uitnodiging daartoe van het hof niet schriftelijk zijn mening ten aanzien van de kinderalimentatie kenbaar gemaakt.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast.

De vader en de moeder zijn op 11 oktober 1984 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn de volgende thans nog minderjarige[kind]deren geboren:

[kind], geboren op [geboortedatum[kind1]rder: [kind]

[kind1], geboren op [geboortedatum][kind2]r: [kind1] en

[kind2], geboren op [geboortedatum], verder [kind2].

Sinds 29 juli 1997 is de moeder alleen met het gezag over de minderjarigen belast. De minderjarigen verblijven sinds het uiteengaan van de ouders bij de moeder.

Partijen hebben op 24 april 1994 een echtscheidingsconvenant opgemaakt, waarin onder meer is bepaald dat de vader een kinderalimentatie zal betalen van ƒ 425,- per maand voor [kind] en voor [kind1] en [kind2] ƒ 375,- per maand per kind.

Bij beschikking van 1 juni 1994 heeft de rechtbank te '[G] de echtscheiding uitgesproken.

Bij die beschikking is de kinderalimentatie opgenomen zoals partijen zijn overeenkomen in het door hun opgestelde echtscheidingsconvenant.

Op 26 oktober 2001 heeft de moeder de rechtbank te '[G] verzocht - met wijziging van de beschikking van 1 juni 1994 en het daarin opgenomen echtscheidingsconvenant - de aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten laste van de vader, met ingang van 26 oktober 2001 en uitvoerbaar bij voorraad, vast te stellen op ƒ 800,- per maand per kind voor [kind1] en [kind2] en op ƒ 1.000,- per maand voor [kind], welk verzoek zij ter terechtzitting heeft gewijzigd in € 635,- respectievelijk € 770,- dan wel bedragen vast te stellen die de rechtbank juist acht. De vader heeft tegen dit inleidende verzoek verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad en met wijziging van de echtscheidingsbeschikking en het daarin opgenomen echtscheidingsconvenant - de kinderalimentatie met ingang van 26 oktober 2001 bepaald op € 508,23/ƒ 1.120,- per maand voor [kind] en op

€ 487,81/ƒ 1.075,- per maand per kind voor [kind1] en [kind2].

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. In geschil is de kinderalimentatie.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, alsnog de moeder in haar inleidende verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans die verzoeken haar te ontzeggen, met toewijzing van door de vader ingediende verzoeken en alsnog te bepalen dat de vader met ingang van 1 juni 2002, althans met ingang van een datum als het hof juist acht, geen bijdrage voor de minderjarigen verschuldigd is en deze op nihil te stellen, met een kwijtschelding van de eventueel gerezen achterstand in betalingen en te bepalen dat hetgeen door de vader onder protest is betaald, aan hem behoort te worden gerestitueerd, met veroordeling van de moeder in de kosten van de beide procedures, waaronder mede te verstaan het salaris procureur. De moeder bestrijdt zijn beroep.

3. De moeder verzoekt in haar verweerschrift, tevens houdende incidenteel appèl, de vader in zijn verzoeken niet ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen en voorts de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw beschikkende zonodig onder verbetering van gronden, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de tussen partijen in het verleden overeenkomen en in de beschikking van 1 juni 1994 vastgestelde bijdragen ten behoeve van de minderjarige kinderen te wijzigen en deze bijdragen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank te stellen op een bedrag van € 519,65 per kind per maand voor [kind1] en [kind2] en een bedrag van € 538,71 per maand voor [kind], althans bijdragen te bepalen die het hof juist acht, met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure in hoger beroep.

4. Zowel uit de aan het hof overgelegde stukken als uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de problemen tussen partijen verder gaan dan de kinderalimentatie. De vader en de moeder kunnen in het geheel niet met elkaar communiceren. De verhoudingen zijn ernstig verstoord en de band tussen de vader en de tweeling is verbroken. Er zijn diverse procedures gevoerd, waaronder een ontkenning vaderschap, hetgeen tot grote onrust, spanning en psychische problemen bij partijen, maar vooral bij de kinderen heeft geleid. Beide partijen beseffen echter dat het voor de minderjarigen van belang is dat partijen leren communiceren. Zij hebben er daarom mee ingestemd dat zij trachten hun geschillen waaronder het geschil dat onderwerp is van dit hoger beroep, door middel van bemiddeling op te lossen.

5. Gelet op het specifieke karakter van de problematiek en de ernst daarvan ziet het hof, zoals ter zitting reeds aan partijen is meegedeeld, geen andere mogelijkheid dan het opleggen van een forensische bemiddeling. Het hof zal mr. C.A.R.M. van Leuven, advocaat en procureur te Breda, benoemen tot deskundige met de opdracht tussen partijen te bemiddelen. Beide partijen hebben toegezegd aan deze bemiddeling te willen meewerken.

Nu de moeder rond moet komen van een arbeidsinkomen van € 65,73 netto per maand en een bruto alimentatie van € 719,- per maand en de vader - naar hij stelt - in grote financiële problemen verkeert ten gevolge van onder andere verkeerde beleggingen en de verliesgevende onderneming van zijn huidige echtgenote en het hof het noodzakelijk acht dat in het belang van de kinderen de verhoudingen tussen partijen genormaliseerd zullen worden, zullen de kosten van deze bemiddeling ten laste gebracht worden van het rijk.

6. Alvorens op het beroep te beslissen zal het hof de behandeling van de zaak aanhouden tot zaterdag 28 juni 2003, teneinde de bemiddeling door mr. van Leuven te laten plaatsvinden, die de opdracht krijgt bemiddelingsgesprekken met de partijen te voeren, met het doel de communicatie tussen hen over aangelegenheden betreffende de minderjarigen weer op gang te brengen en tot afspraken te komen omtrent de kinderalimentatie. De deskundige heeft zich bereid verklaard deze bemiddeling op zich te nemen.

7. De deskundige dient het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van de bemiddelingsgesprekken.

8. Ter terechtzitting van 21 februari 2003 hebben partijen overeenstemming bereikt over de hoogte van de voorlopige kinderalimentatie. Zij hebben het hof verzocht de totale alimentatie voorlopig te bepalen op € 1.400,- per maand, waarvan € 719,- per maand voor de partneralimentatie en € 681,- per maand alimentatie voor de drie kinderen, met ingang van 1 maart 2003. Nu partijen daarover overeenstemming hebben bereikt zal het hof dienovereenkomstig beslissen.

9. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en in zoverre voorlopig opnieuw beschikkende:

bepaalt in afwachting van de resultaten van de bemiddeling een voorlopige kinderalimentatie zoals weergegeven in rechtsoverweging 8;

verklaart deze beschikking ten aanzien van de kinderalimentatie uitvoerbaar bij voorraad;

benoemt tot deskundige mr. C.A.R.M. van Leuven, Prinsenkade 10, 4811 VB Breda;

bepaalt dat de kosten van de deskundige ten laste komen van 's Rijks kas;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de partijen binnen één week na de datum van deze beschikking (een afschrift van) de processtukken ter beschikking van de deskundige zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

houdt de behandeling van de zaak aan tot zaterdag 28 juni 2003, ter fine als vermeld onder rechtsoverweging 5 en 6;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. De Bruijn-Lückers, Kok en Tanja-van den Broek, bijge-staan door mr. Visser als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 5 maart 2003.