Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AM3282

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-10-2003
Datum publicatie
27-10-2003
Zaaknummer
BK-03/02222
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening afgwezen. Onevenredig nadeel niet aannemelijk gemaakt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2003-2004
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

Belastingkamer (voorzieningenrechter)

23 oktober 2003

nummer BK-03/02222

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening van X te Z (hierna: verzoeker) betreffende na te melden besluit van het hoofd van de eenheid P (thans: de voorzitter van het managementteam van de regio P) van de Belastingdienst (hierna: verweerder).

1. Aanduiding van het bestreden besluit

1.1. Aan verzoeker is op 7 juni 2002 een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 naar een belastbaar inkomen van ƒ 224.297 waarvan een deel groot ƒ 160.000 is belast naar het bijzondere tarief van artikel 57, lid 2, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet) met verrekening van een bedrag van

ƒ 109.837 aan voorheffingen.

1.2. De tegen de aanslag gerichte bezwaren van verzoeker zijn door verweerder bij uitspraak van 20 juni 2002 afgewezen.

2. Ontstaan en loop van het geding

2.1. Verzoeker heeft tegen de in 1.2 genoemde uitspraak op

17 juli 2002 beroep ingesteld bij het Hof. De procedure is bekend onder nummer BK-02/03260.

2.2. Na ontvangst van het verweerschrift van verweerder in die procedure heeft verzoeker op 30 augustus 2003 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van het Hof, welk verzoek op 3 september 2003 is binnengekomen. Bij brief van 5 september 2003 heeft de griffier aan verzoeker verzocht het verzoek aan te vullen. Bij brief van 8 september 2003, binnengekomen op 10 september 2003 heeft verzoeker aanvullende stukken toegezonden.

2.3. Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een op

26 september 2003 ingekomen verweerschrift.

2.4. Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 oktober 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen verzoeker en

verweerder. Verzoeker heeft een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Verweerder heeft daarvan een afschrift ontvangen.

3. Karakter van de voorlopige voorziening

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de belastingkamer van het Gerechtshof beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij het Gerechtshof, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van het Gerechtshof die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

4. Vaststaande feiten

4.1. Verzoeker was tot in het jaar 2000 in dienst bij A BV (hierna: A). In het jaar 2000 heeft hij naast looninkomsten van A en looninkomsten uit andere dienstbetrekkingen in verband met zijn ontslag uit dienstbetrekking van A een vergoeding ontvangen ten bedrage van ƒ 160.152 bruto. Het van A in totaal ontvangen bedrag bedroeg ƒ 201.047. Er is ƒ 89.431 aan loonheffing ingehouden.

4.2. Verzoeker heeft op 27 februari 2001 aangifte gedaan in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 naar een belastbaar inkomen van ƒ 224.297. In een bijlage bij de aangifte heeft hij verzocht om van het in 4.1 vermelde bedrag van ƒ 160.152 een bedrag van ƒ 80.000 als immateriële schadevergoeding aan te merken en laatstgenoemd bedrag niet te belasten. Voor het restant heeft hij verzocht om toepassing van het bijzondere tarief van 45 percent.

4.3. Aan verzoeker is naar aanleiding van een door hem gedaan verzoek om voorlopige teruggave op 15 januari 2000 een voorlopige aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 naar een belastbaar inkomen van ƒ 79.826. Hierbij is een voorlopige teruggave verstrekt van ƒ 8.000.

4.4. Op 6 april 2001 is aan verzoeker voor het jaar 2000 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 224.297 overeenkomstig het door verzoeker aangegeven belastbaar inkomen, waarvan een deel groot ƒ 160.000 is belast naar het bijzondere tarief van 45 percent van artikel 57, lid 2, van de Wet met verrekening van een bedrag van ƒ 101.946 aan voorheffingen. Deze voorlopige aanslag resulteerde in een nadere voorlopige teruggave van ƒ 8.796.

Bij de vaststelling van de voorlopige aanslag is de bijlage bij de aangifte, waarin verzoeker zijn standpunt omtrent het onbelast zijn van een gedeelte van de ontslagvergoeding aan de orde heeft gesteld, onbehandeld gebleven. Dit is veroorzaakt door de massaliteit van het proces van de behandeling van aangiften waarbij wordt bekeken of een (nadere) voorlopige aanslag moet worden opgelegd.

Verzoeker heeft tegen deze voorlopige aanslag geen bezwaar gemaakt.

4.5. Bij brieven van 23 januari 2002 en 10 februari 2002 heeft verzoeker verweerder gevraagd te reageren op zijn bij de aangifte gedaan verzoek ten aanzien van de ontslagvergoeding. In zijn brief van 25 februari 2002 heeft verzoeker verweerder gevraagd een voorlopige teruggaaf te verlenen van ƒ 36.000

(45 percent van ƒ 80.000).

4.6. Verweerder heeft verzoeker op 12 april 2002 in het kader van de behandeling van de aangifte verzocht schriftelijk aanvullende informatie te verstrekken aangaande meergenoemde schadevergoeding. Verweerder had niet eerder op de brieven gereageerd wegens ziekte.

4.7. Daarna is een correspondentie gevolgd tussen verzoeker en verweerder. Verzoeker heeft op 2 mei 2002 aan verweerder verzocht het door hem als onbelast aangemerkte bedrag te corrigeren met de geldontwaarding. Verweerder heeft daarna op

13 mei 2002 aan verzoeker medegedeeld het bedrag van ƒ 80.000 als belaste schadevergoeding aan te merken en heeft dit herhaald bij brief van 22 mei 2002, waarna op 7 juni 2002 de definitieve aanslag voor het jaar 2000 is opgelegd.

5. Inhoud van het verzoek en standpunten

5.1. Verzoeker vraagt op basis van een voorlopig oordeel

verweerder op te dragen aan verzoeker bij wijze van ambtshalve vermindering een voorlopige teruggave te verlenen ten bedrage van ƒ 49.500 (45 percent van

ƒ 110.000). Verzoeker heeft verder verzocht verweerder te veroordelen in de kosten van de procedure door hem gesteld op € 1.000.

5.2. Verzoeker heeft daartoe - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

Hij heeft verweerder meermalen om een voorlopige teruggave in de vorm van een negatieve voorlopige aanslag verzocht zonder dat daarop een reactie van verweerder is gevolgd. Uiteindelijk is het verzoek afgewezen omdat de aanslag al snel zou worden vastgesteld terwijl het gebruik is om een voorlopige teruggave te verlenen. Verzoeker wenst het geld in eigen beheer te houden om daarmee een hoger rendement te behalen. Het geld behoort hem toe totdat onherroepelijk is beslist dat hij belasting is verschuldigd over het gehele bedrag van de schadevergoeding.

5.3. Verweerder stelt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft en dat het verzoek moet worden afgewezen. Voor de gronden waarop hij dit baseert, wordt verwezen naar de gedingstukken.

5.4. Partijen hebben hun standpunten ter zitting toegelicht. Zij hebben aldaar aan de door hen in de stukken gegeven uiteenzettingen geen nieuwe grieven of weren toegevoegd.

6. Overwegingen omtrent het verzoek

6.1. Verweerder heeft in zijn verweerschrift de gang van zaken rond het opleggen van de voorlopige aanslagen en de verdere regeling van de definitieve aanslag uiteengezet. Bij de voorlopige aanslag van 6 april 2001 is rekening gehouden met de toepassing van het bijzondere tarief over de ontslagvergoeding. Verzoeker heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Verzoeker heeft eerst op 25 februari 2002 een verzoek om teruggave van belasting gedaan in verband met de door hem gestelde onbelastbaarheid van de gehele schadevergoeding. Dit verzoek is door verweerder medio april 2002 behandeld in het kader van de afhandeling van de aangifte en het vaststellen van de definitieve aanslag. Verweerder heeft, aangezien hij het standpunt inneemt dat geen sprake is van een immateriële schadevergoeding, toen geen nadere voorlopige of een definitieve aanslag vastgesteld naar een lager belastbaar inkomen dan verzoeker in eerste instantie had aangegeven. Van een onzorgvuldige handelwijze of het zoekraken van stukken is te dezen niet gebleken.

6.2. Verzoeker heeft verzocht verweerder op te dragen aan verzoeker bij wijze van ambtshalve vermindering een voorlopige teruggave te verlenen ten bedrage van ƒ 49.500 (45 percent van ƒ 110.000). Verzoeker heeft gesteld dat hij hierom verzoekt omdat hij genoemd bedrag in eigen beheer wenst te houden totdat op zijn beroep tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2000 onherroepelijk is beslist. Hij is in staat een hoger rendement te behalen dan alleen een rentevergoeding.

6.3. De in 6.1 en 6.2 genoemde omstandigheden rechtvaardigen echter niet het treffen van een voorlopige voorziening. Niet aannemelijk is gemaakt dat een onevenredig nadeel aan de kant van verzoeker aanwezig is of zal ontstaan waardoor, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist zou zijn.

6.4. Het verzoek kan gezien het vorenstaande niet worden toegewezen.

7. Proceskosten

De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is vastgesteld op 23 oktober 2003 door mr. Savelbergh als voorzieningenrechter. De beslissing is op die datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Postema.

W.g. Savelbergh en Postema.

Aangetekend aan partijen verzonden: 23 oktober 2003.

nummer BK-03/02222 blz. 6/6