Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AM2578

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-10-2003
Datum publicatie
22-10-2003
Zaaknummer
2200216603
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motivering van straf en maatregel

Het hof komt voor de bewezenverklaarde feiten -naast de gevorderde terbeschikkingstelling- tot een aanzienlijk lagere gevangenisstraf dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 37
Wetboek van Strafrecht 37b
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 551
Wetboek van Strafvordering 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2003/449
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 2200216603

parketnummer 0975729902

datum uitspraak 22 oktober 2003

tegenspraak

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor strafzaken

ARREST

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 18 april 2003 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [datum] te [plaats].

1. Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 8 oktober 2003.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte terzake van het onder 1, 2 eerste alternatief, 3 eerste alternatief, 4 en 5 tweede alternatief tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en is de terbeschikkingstelling van verdachte en zijn verpleging van overheidswege gelast, met beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen als nader in het vonnis omschreven.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

5. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 eerste alternatief, 3 eerste alternatief, 4 en 5 tweede alternatief tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.

Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

6. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.

7. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1. en 2.:

Diefstal, voorafgegaan of vergezeld van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, meermalen gepleegd;

3. en 5.:

Afpersing, meermalen gepleegd;

4.:

Diefstal, voorafgegaan of vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken.

8. Strafbaarheid van de verdachte

Het hof is van oordeel dat op grond van de hierna weergegeven rapportage de bewezenverklaarde misdrijven aan de verdachte kunnen worden toegerekend, zij het in verminderde mate. Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

9. Motivering van straf en maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, met aftrek van voorarrest en dat de terbeschikkingstelling van de verdachte zal worden gelast met bevel tot zijn verpleging van overheidswege, alsmede dat de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden toegewezen met oplegging van schadevergoedingsmaatregelen.

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal overvallen, die plaats hebben gevonden in een treincoupé, in een woning, in een benzinestation en in een auto. Daarbij is de verdachte er niet voor teruggedeinsd zijn eisen kracht bij te zetten door middel van geweld en bedreiging met geweld. Voorts heeft de verdachte één van de slachtoffers gedwongen geld voor hem te pinnen, tevens onder bedreiging van geweld.

De ervaring leert dat vooral in zaken waarin geweld is toegepast of gedreigd is met geweld, de slachtoffers nog lange tijd lijden onder de psychische gevolgen daarvan. Daarnaast hebben de rechthebbenden financiële schade geleden en overlast ondervonden. Gewelddadige berovingen als de onderhavige tasten voorts op ernstige wijze de gevoelens van veiligheid en rust in de samenleving aan.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatie-register d.d. 1 oktober 2003, meermalen is veroordeeld voor het plegen van een soortgelijke feiten, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen. Een gevangenisstraf van hierna te noemen duur acht het hof onontkoombaar.

Het hof heeft acht geslagen op het rapport van het Pieter Baan Centrum (Psychiatrische Observatiekliniek) te Utrecht, d.d. 2 april 2003 betreffende de verdachte, opgemaakt door de vast gerechtelijk deskundigen S., zenuwarts, en

W., psycholoog, in samenwerking met de overige leden van het onderzoekend team en na inzage van de gerechtelijke stukken.

Het houdt onder meer in als conclusie en advies -zakelijk weergegeven-:

Conclusie:

Onderzochte was ten tijde van het plegen van de hem sub 1, 4 en 5 tenlastegelegde feiten lijdende aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat deze feiten -indien bewezen- hem in enigszins verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Onderzochte was ten tijde van het plegen van de hem sub 2 en 3 tenlastegelegde feiten lijden aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat deze feiten -indien bewezen- hem in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Advies:

Betrokkene is een man die, op basis van ongunstige milieufactoren en een aangeboren ADHD-stoornis, behept is met een borderline persoonlijkheidsstoornis, van waaruit zich een antisociale persoonlijkheidsstoornis heeft ontwikkeld. Speelt bij alle feiten betrokkene's persoonlijkheidsproblematiek een zekere, zij het beperkte rol, bij de sub 2 en 3 tenlastegelegde feiten zijn de borderline-aspecten van zijn stoornis meer zichtbaar geworden. Betrokkene werd in de aanloop tot deze feiten in sterkere mate getroffen in zijn machts- en onmachtsproble-matiek en wilde het slachtoffer vernederen, hetgeen uitmondde in een tweetal vermogensdelicten. In het impulsieve karakter van deze delicten wordt tevens betrokkene's ADHD-problematiek zichtbaar.

Wat de recedivekans betreft is op te merken dat de problematiek zodanig ernstig is en dat betrokkene zo weinig in staat is onmachtsbelevingen te verwerken dat verwacht moet worden dat hij frequent gefrustreerd zal -blijven- raken. Bovendien is het geenszins ondenkbaar dat frustratie en spanning zich steeds meer zullen opstapelen bij betrokkene, mede gezien het feit dat hij slecht in staat is om langere tijd op een maatschappelijk aangepaste wijze in zijn levensonderhoud te voorzien of een relatie te onderhouden. In een relationele context is betrokkene extra gevoelig voor afwijzingen, bijvoorbeeld ten aanzien van het vaderschap van zijn kind(eren). Een escalatie van het gevaar is hierdoor alleszins voorstelbaar. Zijn cocaïneverslaving vormt hier bovenop nog weer een versterking van het risico.

Hoewel enig beginnend probleembesef betrokkene niet kan worden ontzegd, is dit zo broos dat dit op dit moment nauwelijks als motiverende factor bij een behandeling -noodzakelijk ter voorkoming van het recidiverisico- zal werken. Bovenstaande overwegingen in aanmerking genomen acht het onderzoekend team derhalve geen andere

mogelijkheid voor een behandeling van betrokkene's problematiek dan één in het kader van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege, hetgeen wij Uw College adviseren.

Het hof neemt de bevindingen en conclusies van de deskundigen over en maakt deze tot de zijne en vindt in de inhoud van het rapport, alsmede in de ernst van de bewezenverklaarde feiten aanleiding de terbeschikkingstelling van de verdachte te gelasten, met een bevel tot verpleging van overheidswege, nu het hof van mening is dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen dit vereist.

Met betrekking tot de reden van het appel van het openbaar ministerie, zoals vermeld in de appelmemorie, en de ter terechtzitting door de advocaat-generaal gevorderde gevangenisstraf voor de duur van acht jaren, uit het hof zijn twijfels of de bewezenverklaarde feiten, ook wanneer de verdachte volledig toerekeningsvatbaar zou zijn geweest, een oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren zouden rechtvaardigen. Voorts overweegt het hof dat de terbeschikkingstelling van de verdachte, zoals hiervoor overwogen, naar alle waarschijnlijkheid een langdurige vrijheidsbeneming en behandeling van de verdachte zal meebrengen. Het is het hof bekend dat de gemiddelde intramurale behandelingsduur in geval van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging in de orde van grootte van vijf jaren beloopt. Een dergelijke te verwachten langdurige vrijheidsbeneming noopt tot terughoudendheid bij de oplegging van een (langdurige) gevangenisstraf. Tenslotte is niet zonder betekenis dat de noodzakelijk geachte verpleging en behandeling -zoals ook de rechtbank heeft overwogen- zo spoedig mogelijk dient aan te vangen.

Het hof is dan ook alles afwegende van oordeel dat alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de ook in eerste aanleg door de rechtbank opgelegde duur een passende reactie vormt.

10. Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [naam], wonende aan [adres], zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde tot een bedrag van € 2.253,-.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit

- in eerste aanleg toegewezen - bedrag van € 2.253,-.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij [naam] niet gemotiveerd betwist.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

In het onderhavige strafproces heeft Benzine-Service [naam] te Rotterdam, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het onder 4 bewezenverklaarde tot een bedrag van € 1.585,82.

In hoger beroep is deze vordering wederom aan de orde tot dit -in eerste aanleg toegewezen - bedrag van € 1.585,82.

De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij Benzine-Service [naam] niet gemotiveerd betwist.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Bovenstaande brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen [naam] en Benzine-Service [naam] tot aan deze uitspraak in verband met hun vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof in beide gevallen begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

11. Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 2 en 3 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.253,- ten behoeve van het slachtoffer [naam].

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.585,82 ten behoeve van het slachtoffer Benzine-Service [naam].

12. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 63, 310, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 eerste alternatief, 3 eerste alternatief, 4 en 5 tweede alternatief tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezen-verklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIE JAREN.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam] tot een bedrag van € 2.253,- (TWEEDUIZEND TWEEHONDERD DRIEËNVIJFTIG EURO) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.253,- ten behoeve van het slachtoffer [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van 45 DAGEN.

Bepaalt dat voorzover wordt voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen, alsmede dat voorzover wordt betaald aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Benzine-Service [naam] tot een bedrag van € 1.585,82 (EENDUIZEND VIJFHONDERD VIJFENTACHTIG EURO EN TWEEËNTACHTIG EUROCENT) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil- en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.585,82 ten behoeve van het slachtoffer Benzine-Service [naam], welk bedrag bij gebreke van betaling en verhaal wordt vervangen door hechtenis voor de tijd van 31 DAGEN.

Bepaalt dat voorzover wordt voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer Benzine-Service [naam], de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen, alsmede dat voorzover wordt betaald aan de benadeelde partij de verplichting van de verdachte tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door

mrs. Aler, Heemskerk en Van Dissel,

in bijzijn van de griffier mr. Brouwer.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 22 oktober 2003.