Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2003:AM1468

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-08-2003
Datum publicatie
17-10-2003
Zaaknummer
BK-02/03732
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

boete; te laat ingediende aangifte

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67
Algemene wet inzake rijksbelastingen 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2004/11.5 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

achtste enkelvoudige belastingkamer

19 augustus 2003

nummer BK-02/03732

PROCES-VERBAAL

van de mondelinge uitspraak op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, het hoofd van de eenheid Ondernemingen P, op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen een bij de aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen voor het jaar 1998 genomen beschikking op de voet van de artikelen 67a en 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 5 augustus 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende mevrouw A alsmede namens de Inspecteur mevrouw mr. B.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Gronden

1. Belanghebbende is belastingadviseur en houdt kantoor op Z en te R. Aan belanghebbende is op 12 februari 1999 een aangiftebiljet (een C-biljet voor buitenlands belastingplichtigen) voor de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (hierna: IB/PV) voor het jaar 1998 uitgereikt. Voor het indienen van de aangifte was tot 1 september 1999 uitstel verleend. Op 7 oktober 1999 heeft de Inspecteur belanghebbende schriftelijk aangemaand om uiterlijk 21 oktober 1999 de aangifte in te dienen. De aangifte is op 30 januari 2001 bij de Inspecteur binnengekomen. In de aangifte is onder vermelding van "ingevolge fiscaal compromis" een winst van ƒ 50.000 alsmede inkomsten uit een in Nederland gelegen woning van ƒ 17.400 negatief aangegeven.

2. Op 30 januari 2001 heeft de Inspecteur ambtshalve een aanslag IB/PV voor het jaar 1998 opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 50.000. Gelijktijdig met het opleggen van deze aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking aan belanghebbende op de voet van de artikelen 67a en 67g, eerste lid, van de AWR een verzuimboete van ƒ 1.250 opgelegd. De Inspecteur heeft de aangifte aangemerkt als een bezwaarschrift en heeft vervolgens de aanslag verminderd naar een belastbaar inkomen van ƒ 39.057. De verschuldigde belasting beloopt een bedrag van ƒ 2.161.

3. Met betrekking tot de jaren 1994 tot en met 1996 heeft belanghebbende beroepsprocedures gevoerd, waarbij in geschil was of hij beschikte over een vaste inrichting in Nederland in de zin van artikel 2 van de Rijkswet houdende Belastingregeling van het Koninkrijk, van 28 oktober 1964, Stb. 425. Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft in zijn uitspraken van 28 maart 2000, kenmerk BK-98/02474, BK-99/00290 en BK-99/00291, beslist dat sprake was van een vaste inrichting in Nederland. Partijen waren het er over eens dat in dat geval de aan de vaste inrichting toe te rekenen winst voor elk jaar ƒ 50.000 bedroeg.

4.1. Belanghebbende heeft de hem toegezonden aangiften IB/PV voor de jaren 1996 en 1997 eveneens niet binnen de op het biljet gestelde termijn ingediend. Voormelde aangiften zijn voorts niet ingediend binnen de in de desbetreffende aanmaningen gestelde termijn.

4.2. De Inspecteur heeft over de jaren 1996 en 1997 een verhoging van ƒ 1.000 opgelegd. Naar aanleiding van de in 3 vermelde beroepsprocedures is de verhoging voor het jaar 1996 op 14 juli 2000, naar evenredigheid van de aanslag, tot op ƒ 53 verminderd. Partijen hadden in september 1999 afgesproken dat het bezwaar tegen de aanslag IB/PV voor het jaar 1997 zou worden aangehouden in afwachting tot de uitkomst van de in 3 vermelde beroepsprocedures. Met dagtekening 7 augustus 2002 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan op dit bezwaar en heeft daarbij de verhoging, naar evenredigheid van de aanslag, tot op ƒ 66 verminderd.

4.3. De Inspecteur heeft bij brief van 17 december 2001 onder meer de afspraken met betrekking tot de winst over 1997 tot en met 2000, alsmede de afhandeling van de bezwaarschriften tegen de aanslagen IB/PV voor de jaren 1997 en 1998 vastgelegd. Een kopie van deze brief behoort tot de gedingstukken.

5. In geschil is of de verzuimboete van ƒ 1.250 terecht is opgelegd.

6. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de verzuimboete paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (hierna: BBBB 1998), zoals dit is gewijzigd bij Besluit van 16 september 1999, Stcrt. 179, toegepast. Het onderhavige verzuim heeft plaatsgevonden na de wijziging van dit besluit. Het BBBB 1998 en de hiervoor genoemde wijziging daarvan zijn voorts behoorlijk gepubliceerd. In paragraaf 15 van het, voor de invoering van het BBBB 1998 van toepassing zijnde, Voorschrift administratieve boeten 1993 (hierna: VAB 1993) werd voor de bepaling van de hoogte van de toe te passen ordeboete eveneens betekenis toegekend aan de omstandigheid dat sprake was van een eerste, tweede, derde of volgende verzuim. De bepaling van paragraaf 46, derde lid, van het BBBB 1998, waarin uitdrukkelijk is bepaald dat verzuimen die hebben plaatsgevonden onder het VAB 1993 voor het bepalen van het aantal verzuimen mede in aanmerking mogen worden genomen, is naar 's Hofs oordeel dan ook niet in strijd met enige rechtsregel.

7. Voor de bepaling van het antwoord op de vraag of sprake is van een eerste, tweede, of volgend verzuim, dienen naar 's Hofs oordeel, in lijn met wat in het commune strafrecht als recidive geldt, slechts die beboetbare feiten in aanmerking te worden genomen die hebben geleid tot een onherroepelijke strafbaarverklaring. Nu vaststaat dat ter zake van de te late aangiften voor de IB/PV van belanghebbende over de jaren vóór 1998 twee verhogingen zijn opgelegd, moet het onderhavige verzuim in aanmerking worden genomen als derde verzuim. De boete beloopt ingevolge paragraaf 21, derde lid, van het BBBB 1998 dan ƒ 1.250.

8. Naar 's Hofs oordeel heeft de Inspecteur de boete terecht vastgesteld op het belopen bedrag. Een boete van ƒ 1.250 acht het Hof onder de gegeven omstandigheden passend en ook, uit een oogpunt van normhandhaving, geboden. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. De omstandigheid dat in de hiervoor onder 3 vermelde beroepsprocedures nog geen beslissing was genomen, ontslaat belanghebbende niet van zijn aangifteplicht. Bovendien is de aangifte van belanghebbende geruime tijd, ongeveer tien maanden, na de uitspraken in deze beroepsprocedures bij de Belastingdienst ingediend. Overigens was belanghebbende reeds met betrekking tot het in Nederland gelegen onroerend goed, waarvan de aangifte melding maakt en dat geen onderwerp van geschil vormde in de hiervoor vermelde beroepsprocedures, belastingplichtig in Nederland. Daarnaast is belanghebbende belastingadviseur op de hoogte van de aangiftetermijnen, en heeft hij voor de derde keer een aangifte te laat ingediend. De omstandigheid dat naar aanleiding van de uitkomst in de hiervoor vermelde beroepsprocedures pas in december 2001 ondermeer afspraken zijn gemaakt over de hoogte van de aan te geven winst voor de jaren 1997 en 1998, doet aan voormeld oordeel niet af.

9. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

10. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Deze uitspraak is vastgesteld op 19 augustus 2003 door mr. Savelbergh en op dezelfde datum in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier mr. Salomons.

(Salomons) (Savelbergh)

Aangetekend aan

partijen verzonden:

Tegen deze mondelinge uitspraak is geen beroep in cassatie mogelijk; dat kan alleen tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof. Ieder van de partijen kan binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke uitspraak. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Bij de vervanging van een mondelinge uitspraak mag het gerechtshof de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen.

De partij die om een vervangende schriftelijke uitspraak verzoekt, is hiervoor griffierecht verschuldigd en krijgt daarover bericht van de griffier. Het griffierecht dat de belanghebbende betaalt ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak, komt in mindering op het griffierecht dat de griffier van de Hoge Raad zal heffen als de belanghebbende beroep in cassatie instelt.